M A R T H A
Ik bedacht eens hoe het zou zijn gegaan als Jc wèl naar Martha had geluisterd..
| home | boeknpl | trefwrdn | links | Reageren? | engls/dts | aan studntn | oproepn | colum | ||||||
| Assepoester | Big Sisters | Catastrofe | Martha | Moeders Grafje | Anna | |||||||||
Ina Mijling
&
@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&.
M A R T H A
Ik bedacht eens hoe het zou zijn gegaan als Jc wèl naar Martha had geluisterd
...
Lucas, 10, 38-42: Op hun reis kwam hij ook in zeker dorp waar een vrouw, Marta genaamd, hem in haar huis ontving. Zij had een zuster, Maria genaamd, die mede aan Jezus' voeten zat, en luisterde naar zijn woord. Maar Martha was druk in de weer met bedienen. Zij kwam er een ogenblik bij staan en sprak: Heer is het U onverschillig dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus dat ze mij helpt. Maar de heer gaf haar ten antwoord: Martha, Martha, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd. Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
_________________________________
Het beste
...Dit kon niet! Dit kon helemaal niet! Verbijsterd bleef ik hem aanstaren, niet bij machte die ogen los te laten, niet bij machte me van hem af te keren, terug de keuken in. Gevoelens van verontwaardiging, machteloosheid, verwarring en een verlammende teleurstelling stormden als opgejaagde hazen door mij heen. Dat hield me staande. Het zweet brak me uit, mijn adem piepte fluitend en de vraag kwam als een slopend gif mijn lijf binnensluipen: of iemand die deze stap niet wilde zetten; of iemand die vrouwen uitsloot van zijn boodschap over liefde; iemand die het huishoudelijk werk en de zorg voor anderen afdeed als zijnde ondergeschikt aan de zorg voor de ziel, zoals hij altijd dingen zo mooi kon zeggen; iemand die daarentegen wèl van dat huishoudelijk werk genoot, door gastvrijheid vanzelfsprekend te aanvaarden en door mee te eten van het voedsel wat vrouwen klaarmaakten; of zo iemand wel te vertrouwen was, of dus zijn boodschap dan ook wel te vertrouwen was... En dat ontnam me alle kracht. Ik leek als een pudding in elkaar te zakken. Jezus had het altijd zo over de waarheid, maar als je deze waarheid over vrouwen bestreed, had je dan wel het recht om zó te spreken over de waarheid alsof je er àlles van af wist? En had je dan wel het recht om zó te spreken over eeuwigheid? En over liefde? Want als alles en iedereen erbij hoorde, dan toch ook het huishoudelijk werk en zeer zeker de zorg voor anderen! Gaf hij zelf niet dagelijks het voorbeeld van die intense zorg voor anderen door zoveel zieken te genezen, mensen anders te leren denken, brekend door allerlei normen en wetsvoorschriften heen?
Ik had ineens het gevoel dat ik hem al eeuwen aan stond te gapen, m'n mond openhangend als van een dwaas, halfverlamd leunend tegen de deurpost, maar het was slechts een seconde of zo, want zijn woorden klonken nog na door de kamer. Toch was het een eeuwigheidsseconde, want voor mij veranderde ineens alles. Veranderde? Was het niet meer een bevestiging? Had ik het niet al maanden van tevoren begrepen? Had ik het niet zien aankomen? Het was toch niet zómaar dat ik er lange nachten vol ronddraaiend getob over had gedaan vóór ik zoiets durfde vragen, maanden vol steeds weer terugkerende irritaties bij elk bezoek van hem! Met alle drukte van boodschappen, etenkoken, opruimen en nauwelijks tijd hebben om te luisteren naar zijn warme stem en de volstrekt nieuwe dingen, bevrijdende dingen die hij te zeggen had. Er moest toch gegeten worden…
Hij keek ineens ook weg van mij. Waarom keek hij me niet meer aan? Had hij wat te verbergen of zo? Wist hij, de allesweter, zich geen raad met deze situatie nu hij eenmaal gesproken had? Voelde hij aan wat er werkelijk achter stak achter mijn vraag en achter zijn reactie?
Ik wendde met moeite mijn blik af en liet die onverdacht langs al die mij aanstarende gezichten glijden. Het waren er heel wat, de grote kamer vòl. Jezus had zo ongeveer zijn hele groep jongens meegebracht, zoals gewoonlijk. Hun blikken spraken boekdelen en ik zag er dingen in die voorheen voor mij verborgen waren gebleven. Ging dat zo als je ineens iets ontdekte? Kleine jochies waren het ineens voor mij, die altijd zo tegen hen opgezien had. En ik zag al die emoties:
Kijk ze daar nou onderuitgezakt zitten: die twaalf jongetjes waar ik zelfs jaloers op was geweest, omdat ze tot de meest naasten van Jezus behoorden, omdat ze altijd bij hem in de buurt konden zijn en zijn woorden konden indrinken, zijn daden konden zien... Ik vond het ineens een stelletje meelopers, onnozele halzen die in feite niet in staat waren op eigen poten te staan. Van die kant kon ik geen steun verwachten, alleen vijandschap...
Zie die Petrus, die zelfs zijn vrouw met zijn kinderen had laten zitten, nadat Jezus zijn schoonmoeder genezen had! Nou kon zijn schoonmoeder voor de kinderen zorgen als zijn vrouw uit werken ging. Lekker makkelijk. Hij keek lichtelijk beschaamd, maar hij verborg dat handig onder verontwaardiging. Had Jezus niet van hem gezegd: 'op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen'?... Steenrots? Zo'n zielloze 'vader'...
Alleen Joannes keek me geschrokken aan en er blonk wat begrip en mededogen in zijn ogen. Joannes had een streepje vóór bij mij: hij was een heel ander mens dan die andere knulletjes. Hij was gevoelig, open en vriendelijk, warm, eerlijk, bijna vrouwelijk en begreep je op een andere manier dan anderen en ik dacht in enen: "ik noem hem mèns en ik schaar hem niet bij die jochies!"…
Judas: mijn ogen werden ineens als magneten naar de zijne getrokken. Dat was een verhaal apart. Er blonk een broeierigheid en flikkering in zijn ogen. Ik had dat vaker gezien en legde dat uit als achterbaks, onbetrouwbaar, leugenachtig… Hij zat helemaal achteraf. Vaak had hij kritiek op Jezus. Misschien de anderen ook wel, maar hij durfde het te zeggen. Hij zat stijf rechtop, alsof hij met een priem gestoken was en keek mij aan met een blik die ik niet thuis kon brengen, iets van schrik, maar ook van begrip, zelfs verwantschap... Het maakte me in de war. Wat bedoelde hij ermee? Maar al gauw sloeg hij zijn ogen neer alsof hij vanuit zijn binnenste iets had laten zien wat niemand mocht weten.
Mijn oog viel op mijn zuster. Ze keek me schaapachtig aan met een spoor van triomf, maar ook met een mengeling van verwarring, onzekerheid en een opkomend schuldgevoel... Dezelfde verwarring die ik maar al te goed herkende, omdat vrouwen in gevallen waarin ze proberen dingen duidelijk te krijgen, altijd ten prooi zijn aan verwarring en onzekerheid. Maar bij Maria zag ik op het gezicht al spoedig de zekerheid doorbreken dat zij verzaligd aan zijn voeten kon blijven zitten. Zonder schuldgevoel, want Big Jezus himself had het goedgekeurd, had haar er zelfs om geprezen voor alle oren die aanwezig waren en die gretig wijdopen stonden naar wat hij verkondigde. Mannenoren echter en de aan mannen aangepaste oren van haar. Mèt zijn heilige toestemming dus! 'Waarom moeten vrouwen voor van alles en nogwat altijd toestemming van mànnen hebben?' raasde het door mij heen. Van de kant van mijn zuster Maria had ik ook geen steun te verwachten, natuurlijk niet. Die del!
Toen werd mijn blik getrokken naar Lazarus, mijn broer. Ik geloofde kort geleden (kòrt geleden? Was het niet een paar eeuwen of zo?) zózeer in Jezus dat het mede door mijn inzet kwam dat mijn broer door Jezus uit de dood opgewekt was.
Lazarus
Een paar jaar geleden was mijn broer Lazarus plotseling overleden. Hij was maar heel kort ziek geweest. Een vriend van Lazarus was op zoek gegaan naar Jezus en had hem gevraagd om te komen. Maar die kwam niet. Behalve dat we, Maria en ik, er verdriet over hadden (we hadden ook pas onze ouders vrij kort achter elkaar verloren), was het ook in ander opzicht een ramp. Hoe moesten we verder leven, zonder iemand die de kost verdiende? Vrouwen kunnen geen kant op zonder iemand die financieel voor haar zorgt. En we waren wel in goeden doen, maar als we daar jaren van moesten leven zou het gauw op zijn. En Maria wilde niet terug in de prostitutie... En van mijn af en toe koken op feesten konden we ook niet rondkomen.
We begroeven mijn broer en lieten de steen voor het graf rollen. Pas na twee dagen kwam Jezus aanzetten. Ik liep hem tegemoet en zei hem dat Lazarus dood was en dat dat niet gebeurd zou zijn als hij op tijd was geweest. Maar Jezus zei dat Lazarus zou leven.
'Ik weet dat hij zal verrijzen,' zei ik.
'Wie in mij gelooft zal leven in eeuwigheid,' antwoordde hij. Dat geloofde ik met mijn hele hart!
Ik ging terug naar huis en zei Maria dat Jezus naar haar gevraagd had. Ze ging meteen naar de plaats waar ik hem had achtergelaten en heel de groep rouwenden kwam achter haar aan.
Toen Jezus al dat verdriet zag, raakte hij ook helemaal van zijn stuk en vroeg Maria waar Lazarus begraven was en ging er met hen heen. Bij het graf gaf hij opdracht de steen weg te rollen. Ik zei nog dat het al de vierde dag was, dat Lazarus al stonk, maar hij liet toch die steen wegrollen. Toen riep hij Lazarus toe dat hij uit het graf moest komen en daar kwam mijn broer aan. Strompelend, half struikelend over de windsels rond zijn benen, hij had de banden voor zijn ogen wat weg kunnen trekken, want hij zag anders natuurlijk niets. We hielpen hem dolgelukkig zich verder uitwikkelen en gebruikten de windsels om hem te kleden, want eronder was hij natuurlijk naakt.
Die dag was een feestelijke voor ons allemaal. Trouwens: Lazarus was niet de enige die hij uit de dood had weggehaald.
Dat was toen, en moest je nú zien! Ik schrok ervan: woedend was ie! Ik zag hem slikken en weer slikken, zijn adamsappel ging driftig op en neer, zijn vuisten balden zich en hij liep rood aan, de aderen opzij van zijn hoofd zwollen blauw, alsof ze zouden barsten, zweet parelde op zijn bovenlip. Hij keek gejaagd de kring rond, zoekend naar veroordeling van hèm, de broer van dit monster… Hoe durfde zijn zuster zijn gast zó te provoceren! En nog wel zijn vriend. En nog wel degene die hem uit de dood had teruggehaald! Hij voelde zich constant verplicht aan Jezus. Die zou mij straks wel eens even de les lezen. Ik voelde de bui al hangen, maar ik snapte er niks van. Was die dwang naar vooral voldoen aan wat anderen van je eisen dan zó sterk dat hij mij nu afviel? Ik begon me steeds rottiger te voelen: er klopte een heleboel niet hier!
Mannen hadden het overal voor het zeggen en vooral in huis. Vrouwen hadden niets en waren niets, minder nog dan dieren. Zelfs minder dan slavinnen. Voor slavinnen werd tenminste nog geld neergeteld! Voor slavinnen en hoeren, zoals eertijds mijn zuster Maria. Vrouwen echter werden met een bedrieglijk groot feest alleen maar het eigendom, de werkezel van de man, zijn gratis hoer en zijn kinderfabriek, zonder rechten, met alleen maar plichten. Ze verdwenen naamloos in de brij van huishouden, huwelijk en gezin.
Waarom kwamen al die woorden zó in mij op? En met zoveel kràcht… Ik keek opnieuw naar Jezus en zag afweer, zelfs schrik in zijn gezicht en in zijn hele houding, goed verborgen onder een laagje vriendelijke, vaderlijke welwillendheid en afstandelijke zekerheid, alsof hij mijn gedachten en gevoelens gelezen had… en afgewezen... Goeie god!
Vrouwen, zei hij ooit iets over vrouwen? Over hoe ze onderdrukt werden en niets betekenden? Over het misbruik wat er van haar gemaakt werd? Hij was één keer woeden geworden toen hij de verkopers de tempel uitranselde. Maar werd hij ooit woeden over de toestand en het misbruik van vrouwen? Zàg hij dat wel? En kon je zulke toestanden bestrijden door preken over liefde en waarheid? Waarheid? Was de meedogenloosheid ten opzichte van vrouwen niet ook één gruwelijke waarheid? De andere kant van het plaatje? Er zaten meer kanten aan waarheid, dat had ik allang begrepen. Maar díé kant kwam nooit ter sprake bij Jezus!
De sfeer was benauwend en ik greep naar mijn keel. Duizelend wendde ik mij af en wankelbeende de donkere keuken weer binnen. Ik zocht een moment steun bij de tafel, half verblind door het felle licht van de woonkamer. Ik slofte vermoeid naar het aanrecht, klampte me vast aan de gootsteen om niet om te vallen: mijn hele wereld onder mijn voeten leek weggeslagen.
Ik was verbijsterd: dit kòn niet! Ik keek om me heen: herkende de ruimte niet: zo klein en zo propvol met tafels en spullen. Al dat eten op dat aanrecht, die grote kruik met water in de hoek. Hoe kwam dat allemaal daar? Het was ook zo donker. In de kamer was het heel licht geweest door het openstaande luik in het plafond. Ik bleek midden in de voorbereidingen voor het eten te hebben gezeten, zo'n drie eeuwen geleden of zo.
Langzaam kwam mijn bewustzijn weer terug. De etensspullen leken me verwijtend aan te staren: de grote kruik water, waarmee op mijn hoofd ik vanochtend een uur in de zon gelopen had; de groenten, op de markt gehaald en die nog allemaal schoongemaakt moesten worden; de kruik met wijn, waar ik net mee thuisgekomen was; het meel waar ik geen puf meer voor had om het tot deeg te kneden voor het brood.
Mijn voeten brandden en ik had grote neiging om ze even, heel eventjes maar, in de grote koele kruik met water te steken. Maar dat kon ik natuurlijk niet doen, dat water was om te koken.
De kom water waarin de gasten binnen hun voeten gewassen waren, stond buiten en die was dus ook niet koel meer. Ik had hun allemaal de voeten gewassen, niemand had echter MIJ mijn moeie voeten gewassen. Ook hij niet.
Ik keek door de deuropening achter mij opnieuw de kamer in. Een streep zonlicht viel door het dakluik schuin op zijn kleed en raakte in het voorbijgaan nog net de linkerkant van het haar en het gezicht van Maria, die vol overgave naar hem opkeek en alles scheen te zijn vergeten van wat er zojuist gebeurd was. Het leek wel een schilderij van Rembrandt. Ik zag nog iets anders in haar zaligheid. De manier waarop ze naar Jezus keek, een bepaalde glans op haar gezicht. Zou ze in verwachting zijn? Zou me niks verbazen. Ze zaten nogal eens te flikflooien. Dat plakkerige gedoe. Ik zie in mijn werk: koken bij bruiloften en ander feesten, nogal eens jonge bruiden met zo'nzelfde glans op het gezicht…. Moeten ze maar gauw gaan trouwen die twee. Nou, van mij mocht ze hem hebben.
Jezus' warme, volle stem klonk tot hier door en o ja: hij had altijd overal zo gelijk in! Geen speld tussen te krijgen. De dingen die hij zei en deed waren zo onverwacht en bevrijdend voor mensen.
Ook ikzelf voelde me, de keren dat ik hem horen kon, erg aangesproken door zijn preken. Hij had zelfs mijn zuster uit de prostitutie gehaald! Daar had ik al jaren zo mijn best voor gedaan, maar het was me nooit gelukt. Lazarus ook niet. Hij had indertijd Maria de deur uitgezet toen hij het ontdekte, omdat praten en dreigen van zijn kant niet geholpen hadden.
Eigenlijk zou ik ook liever naar binnen willen, daar lekker zitten en een beetje wegdromen onder die warme stem, in plaats van hier te staan ploeteren, terwijl ik al zo moe was. Maar het ging net als altijd: er moest immers gegeten worden! Bovendien kon je dat kostbare voedsel toch niet laten bederven... En het was vanzelfsprekend dat ik, de oudste zuster, daarvoor zou zorgen. Jezus kwam altijd bij ons als hij in de buurt was, hij logeerde hier dan een week of daaromtrent. Nu weer: hij was hier al vier dagen. En het ging altijd zo met boodschappen, etenkoken, afwassen en opruimen. Vandaag dus ook, terwijl ik zo moe was. Kennelijk mogen vrouwen niet moe zijn.
Andere keren, als zijn moeder er bij was, gebeurde het wel eens dat die de keuken binnen kwam wippen om mij te helpen. Dat vond ik fijn, want we konden goed met elkaar opschieten. En ik was altijd, vóór ik het wist, mijn hart bij haar aan het uitstorten. Kreeg dan antwoorden van haar die ik van anderen nooit zou krijgen, nooit zou kùnnen krijgen. Bevrijdende antwoorden en je kreeg het gevoel dat je er óók zijn mocht als vrouw: iets onmogelijks in ons geloof en onze maatschappij. Daaraan herkende je gewoon dat ze haar zoon heel anders opgevoed had dan andere moeders (en vaders!). Daardoor kon Jezus zulke nieuwe dingen zeggen: zijn moeder had hem geleerd niet altijd alles maar klakkeloos te doen en te zeggen zoals het hoorde, maar zijn Gevoel te volgen naar wat goed was en wat niet, naar wat eerlijk was en wat oneerlijk. Zelfs als hij daardoor ruzie zou krijgen, omdat hij recht tegen de gevestigde opvattingen inging en recht tegen de wetten van de joodse kerk!
Zijn moeder had het wel moeilijk met het feit dat vrouwen als minder dan een dier door de kerk behandeld werden en dus ook zo door de gelovigen en door de gehele maatschappij, die in dit land samenviel met de kerk. Zelfs Jezus kon ze niet voldoende aan het verstand brengen dat vrouwen méér waren dan huissloofjes, hoeren, kinderfabrieken en slavinnen van man en kinderen. Het raakte hem niet zo, lag buiten zijn belevingswereld. Nou, dat had ik weer eens gemerkt!
Nu zat hij weer te praten, alsof er daarnet helemaal niets gebeurd was, zo helemaal op zijn gemak... Hij, die zieken genas, zelfs op afstand, zonder ze te zien, omdat ze te ver van hem vandaan waren, hij die lammen van hun bed deed opstaan en blinden ziende maakte, hij die zelfs mijn broer uit de doden had doen opstaan, hij had niet gezien dat ik zo bekaf was en het eigenlijk op dit moment niet aankon om op mijn eentje voor het eten te moeten zorgen voor pakweg vijftien mensen. Of had hij het wel gezien, maar wist hij er geen raad mee? Want dan was hij genoodzaakt conclusies trekken. Het verplichtte hem tot nadenken over hoe dit probleem op te lossen…
Maar moest het dan alleen te maken hebben met mijn vermoeidheid? Was het wel normaal dat mannen altijd gebruik maakten van het werk, de inzet en de energie van vrouwen? Werd het niet eens tijd dat ze zelf óók de handen uit de mouwen staken? Ik kreeg het er heet van! Mijn hart klopte me schreeuwend in de keel.
En Maria had niks in de gaten, wilde niks in de gaten hebben, die vond het wel goed zo. Die voelde zich extra gesteund, nu hij geweigerd had haar mij te laten helpen, omdat ze naar hem zat te luisteren: 'Maria heeft het beste deel gekozen Martha, dat zal haar niet ontnomen worden!' had hij gezegd. Hoezo: beste deel. Wat wist hij van mij? Van hoe bewust en eerlijk ik poogde te leven? Misschien was de stap die ik nu gezet had: eindelijk hulp opeisen na maanden gesloof en gepieker, wel veel belangrijker dan haar passief zitten aan zijn voeten en zijn woorden opdrinken. Misschien bracht alleen ik in praktijk wat hij verkondigde...
Kon het zo zijn dat zelfs mannen als hij, die kritisch leefden, die andere mensen genazen van geestelijke en lichamelijke ziektes en waanzin, die mensen bevrijdden, tòch geen oor hadden, geen oor durfden hebben naar vrouwen als ik, die voor zichzelf opkwamen en kritiek durfden hebben op die 'heilige' mannen? Ik schrok ervan, maar kon het niet van me afzetten. Móést ik dat dan van me afzetten? Wat een heksenketel binnenin mij!
Ik keek de andere kant op naar buiten en zag de kippen van de buren op het erf drinken uit de kom water waarmee de voeten van de bezoekers gewassen waren. Ik was erg in de war en had veel zin om eindelijk eens te gaan doen wat ik ook door mijn gesprekken met zijn moeder steeds duidelijker in me op voelde komen: naar binnen stuiven en iedereen, hem incluis, de huid vol schelden, dat ze mij bij dit hete weer bij het hete vuur in de keuken lieten ploeteren en me straks weer met de rotzooi zouden laten zitten, zonder een hand uit te steken, zoals gewoonlijk. Maar vrouwen zijn er te fatsoenlijk voor om zo'n scène te schoppen... En schreeuwende vrouwen worden zo ongeveer voor gek verklaard in plaats van dat men zich afvraagt of zo'n vrouw misschien gelijk heeft.
Ik had het hem niet zomaar plompverloren gevraagd, speelde het opnieuw door mijn lijf heen: of hij mijn zuster Maria wilde aansporen mij te komen helpen bij het eten klaarmaken. Daar gingen maanden van verwarring, piekeren en wakkerliggen aan vooraf. En twijfels, die per keer dat hij bij ons kwam logeren en eten, toenamen tot een uitbarstend geweld in mijn lijf. Hij kwam als vriend van Lazarus geregeld bij ons over de vloer. Eigenlijk van het begin af dat hij prekend en zieken-genezend rond begon te trekken.
Hij had altijd zo gelijk, geen speld tussen te krijgen, of van-nu-af-aan toch...?
De deur die een doorbraak voor vrouwen en haar zaken had moeten worden, werd echter degelijk, met bruut geweld voor mijn neus dichtgeknald.
Kana
Toen ons nichtje ging trouwen in Kana, ruim twee jaar hiervoor, hadden ze mij gevraagd om te komen koken op het feest. Dat deed ik vaak en had er zelfs zo'n beetje mijn beroep van gemaakt. Gelukkig had ik totnogtoe steeds de dans weten te ontspringen van uitgehuwelijkt te worden door Lazarus. Ik gooide dat toch op de invloed van Jezus. Ik was immers al vierentwintig en dan hoorde je getrouwd te zijn, zeker als je uit zo'n welgestelde familie kwam als wij. Maar het was voor Lazarus natuurlijk wel handig, sinds moeder er niet meer was, dat er iemand voor hem zorgde. Lazarus vond het bovendien eigenlijk wel mooi dat ik ook geld inbracht. Al moest ik mijn inkomen in de gezamenlijke pot stoppen, toch gaf het mij een gevoel van zelfverzekerdheid en een zeker waarde.
Op die bruiloft was het allemaal begonnen. Er waren veel gasten, ook Jezus en zijn moeder Maria. Zij waren uitgenodigd als verwanten van de bruidegom. In de korte momenten dat ik even in de feestzaal was, hoorde ik steeds Jezus aan het woord en zag iedereen zwijgend en geboeid naar hem luisteren. Wat kon dat voor iemand zijn? 'Een timmermanszoon,' zei me iemand schouderophalend in de keuken, 'uit Nazareth nog wel.' Wat kon er voor goeds komen uit zo'n gehucht? Wat kon die man te zeggen hebben dat iedereen urenlang aan zijn lippen hing?
Aan tafel was mijn broer naast Jezus terecht gekomen en ze waren vaak in gesprek. Ik kon hen beiden net zien zitten vanuit de hoek waar ik bezig was met koken. Al spoedig na dit feest kwam Jezus bij ons geregeld over de vloer als een van de beste vrienden van Lazarus.
Mijn zuster! O, mijn zuster! Dat was een geheel ander verhaal op dit feest. Ze oefende min of meer stiekem haar vak uit. Dat wil zeggen, ze poogde met allerlei trucjes de aandacht van mannen te trekken en hen mee te lokken naar buiten. Ik schaamde me voor haar: die hoer!
Toen Lazarus er een paar jaar eerder achter was gekomen waar Maria mee bezig was, had hij haar de deur uit gezet, na een hevige ruzie, waarin Maria duidelijk liet blijken dat ze met dit beroep door zou blijven gaan: na het weduwschap was dit de enige mogelijkheid voor vrouwen om zelfstandig te kunnen blijven...
Het was een grote opluchting voor mij dat ze de deur uit was, want de praatjes in het dorp, die al lang de ronde deden vóór Lazarus er achter kwam, raakten ook mij. Ik werd er deels meewarig en deels vernietigend door bekeken.
Door de hele bruiloftsdag heen echter zag ik Maria steeds meer naar Jezus luisteren en de andere mannen vergeten. Een enkele man probeerde nog wel eens wat, maar Maria weerde hem dan ongeduldig af.
Het was de moeite waard om de verwarring op het gezicht van zo'n man te zien: verwarring, ongeloof, woede en vernedering, omdat deze vrouw het waagde hem af te wijzen. Gelukkig konden zulke mannen fatsoenshalve geen scène maken tegen haar, dat deed je niet op een bruiloft en zeker niet met een hoer. Men vond het trouwens toch al erg genoeg dat Maria als nicht en vriendin van de bruid op de bruiloft was. Men had dan ook de stiekeme blikken van Maria naar de mannen en alles wat eromheen gebeurde, met lede ogen aangezien. Maar toen Maria naar Jezus begon te luisteren, leek haar geflirt met mannen afgelopen.
Maria was wèg van Jezus: dit was een ander soort man dan ze als hoer gewend was: hij probeerde haar niet te versieren, maar praatte tegen haar als een goede vriend. Deels maakte dat Maria in de war, omdat ze niet wist hoe ze met zo'n 'gewone' man om moest gaan. Haar verleidingskunstjes kònden hier gewoonweg niet, die klopten niet met zijn manier van omgaan met haar!
Op een gegeven moment was de wijn op: een blamage bij een zo groots opgezette bruiloft, van een zo rijke familie. De hoogste bediende was naar de bruidegom gegaan en had hem ingefluisterd:
'De wijn is op!'
De moeder van Jezus had het gehoord. Ik zag haar Jezus aanstoten en hem iets toefluisteren. Later hoorde ik van haar dat ze hem gezegd had: 'ze hebben geen wijn meer!' Hij keek haar afstandelijk aan en zei zoiets als; 'waar bemoei jij je mee! Mijn tijd is nog niet gekomen.' Maria was toen naar de hoofdbediende bij ons in de keuken gekomen en had gezegd: 'doe alles wat hij u zeggen zal.'
Een poosje later kwam hij de keuken binnen en zei dat ze zes kruiken met water moesten vullen. Toen liet hij de hoofdbediende er wat van uitscheppen en naar de hofmeester brengen om het te proeven. Die hofmeester wist niet wat er gebeurd was en stapte naar de bruidegom om hem te complimenteren voor die heerlijke wijn. Het water was wijn geworden...
Iedereen verkondigde lof aan de bruidegom: hij had de beste wijn voor het laatste bewaard. Het was gebruikelijk dat Men de slechtste wijn voor het laatste bewaarde: dat proefde toch niemand meer...
Iedereen in de keuken was diep onder de indruk van wat Jezus gedaan had en ook in de war: zo'n gewone komaf en ongeletterd en dan dìt! Hoe kon dat? Ik was ook hoogst verbaasd, maar mij werd als vrouw niets gevraagd natuurlijk, alhoewel ik er zo ongeveer met mijn neus bovenop gestaan had.
Al spoedig na de bruiloft begon mijn zuster Maria Jezus overal te volgen en oefende haar vak steeds minder uit. Ten slotte hield ze ermee op. Heel de verwarrende tijd ervóór had ik met haar gedeeld. We hadden vaak gesprekken tot diep in de nacht. Achter in de tuin, want ze mocht niet in de buurt van ons huis komen.
Lazarus wist niets van deze gesprekken. Sinds ze uit huis was, kwam ik haar door mijn werk als kookster af en toe tegen. Ook op de markt of bij de bron ontmoette ik haar dikwijls. Maar sinds dat voorval in Kana, kwam Maria steeds vaker thuis met me praten. Vooral als ze wist dat Lazarus op zakenreis was.
Zo hoorde ik van haar omzwervingen en vooral ook die waarin ze Jezus op een afstandje volgde en al zijn woorden hoorde. Ze oefende in het begin nog wel haar vak uit: ze moest toch haar eten en haar kamertje betalen? Maar ze raakte in toenemende mate in de war: was het wel goed waar ze mee bezig was? Ze voelde het steeds meer tegen haar gevoel ingaan: mannen wilden en deden dingen met haar, waar ze eigenlijk weerzin tegen had. En dan daartegenover zo'n man als Jezus, die zo heel anders was, die niets van haar wilde, die zulke ingrijpende dingen zei, dingen met hoop en liefde en begrip en genezing.
Maria zei vaak dat het haar speet dat ze niet schrijven kon, want dan had ze onderhand al een heel boek vol geschreven. Maar ja: vrouwen telden nu eenmaal niet mee, die leerden niet lezen en schrijven, die waren alleen goed genoeg om zo duur mogelijk uitgehuwelijkt te worden. Daarna waren ze slavin en gratis hoer voor haar man en hoorden voor nageslacht te zorgen.
Trouwens: wie zou er zo'n boek lezen? Mannen lezen geen door vrouwen geschreven boeken en vrouwen konden niet lezen...
Maria
Op een dag, Jezus had inmiddels een stel leerlingen om zich heen verzameld, waarvan Maria er eigenlijk één was, maar omdat ze op een afstand bleef en omdat ze vrouw was, telde ze niet mee. Op die dag dus, kwam Jezus weer eens bij mijn broer Lazarus langs, of ìk thuis was deed er niet toe. Maria was nog steeds uitgebannen en was daarom niet onder zijn leerlingen.
Ineens echter stond ze in de deuropening met een albasten kruikje en ging ermee naar Jezus. Lazarus was woedend opgesprongen bij haar binnenkomst, maar Jezus gaf hem een wenk en hij ging met tegenzin weer zitten.
Maria's haren hingen los als teken van berouw, ze schreide al haar verdriet en verwarring van járen, in beken vol tranen over zijn voeten uit, ze droogde zijn voeten met haar haren af. Ze brak de kruik die ze van haar laatste centjes gekocht had en goot de kostbare balsem uit over zijn voeten. De zoete geur van het kostbare parfum hing nog dagen later in het vertrek.
Een van de leerlingen maakte een opmerking over die verspilling, maar Jezus gaf hem bits ten antwoord, dat hij hem nog nooit de voeten gewassen had, terwijl Maria hem al gebalsemd had vóór zijn begrafenis. Tegen Maria zei hij dat alles nu goed was, omdat ze veel had liefgehad. Kennelijk had hij haar verwarring en strijd goed in de gaten gehouden, ook al volgde ze hem altijd op een afstand.
Lazarus liet Maria, nu ze door Jezus geaccepteerd was, merken dat ze voortaan weer welkom was thuis. De tijd daarna was ze echter vrij weinig thuis, omdat ze voortdurend in de nabijheid van Jezus was. Maar als ze in de buurt was, kwam ze toch nog praten met mij, omdat ze in de war bleef: er was zoveel op te ruimen. En het blééf een mannenwereld waar ze in zat, met alle conflicten en neiging tot vrouwvijandigheid die dat meebracht. En ik leerde zodoende weer veel van haar.
Weg
Ikzelf hoorde Jezus vaak preken, niet alleen bij ons thuis, maar ik ging eveneens zo veel als mogelijk was achter hem aan, geboeid door zijn optreden en de dingen over liefde en bevrijding die hij zei en het beeld wat hij gaf van God: niet als een boeman, maar als een goed vader.
Als ik thuis maar even weg kon, wàs ik ook weg. Zo ontstond er al gauw een groepje vrouwen die hem overal volgden. Door de mannen-leerlingen werden we geduld, maar méér ook niet: we werden nergens in betrokken. En het waren toch steeds weer de vrouwen die aan eten wisten te komen en dat klaarmaakten. En er werd door geen van die idealisten, ook door Jezus niet, ook maar één woord van waardering over uitgesproken. Ze zágen het gewoon niet...
Eerste gezicht
Maar nu verlamden mij de machteloosheid en de boosheid, de verontwaardiging en de verwarring. Ik liet me met mijn rug tegen de enige lege plek van een van de muren van de keuken op de grond zakken. Er kwam iets vreemds over mij, terwijl ik mijn armen om mijn benen sloeg en mijn hoofd op mijn knieën legde. Ik hoorde Jezus op dat moment net zeggen: 'Wie mij volgt...' en toen zat ik ineens in een kerk. Ik was een klein meisje van een jaar of tien en knielde op een bidstoel, op de omlaaggeklapte zitting, anders kon ik niks zien. Die stoel stond op een vierkante houten vlonder vol stoelen, vooraan in die kerk. Naast mij stond een met houtsnijwerk rijkversierde houten kolom en erop torende een preekstoel.
Daar begon een priester iets voor te lezen: 'uit het evangelie van Lucas, tiende hoofdstuk, achtendertigste tot tweeënveertigste vers,' had hij gezegd. Veel gestommel, want iedereen ging staan. Toen het weer stil was las hij voor. En wat ik hoorde herkende ik met stijgende verbazing als mijn verhaal! Ik was verbijsterd: hoe kwam dat verhaal hier? Ik keek om me heen en zag iedere blik op de man gericht boven mij. En Lucas, dokter Lucas had dat blijkbaar opgeschreven. Waarom had ie dat gedaan? Hij was er toen nog niet eens bij geweest!
Toen de priester klaar was met lezen: weer gestommel, want iedereen ging zitten. Ik draaide me om en ging zitten. Mijn moeder naast mij, klapte haar zitting ook omlaag en ging eveneens zitten. We zaten dus met de rug naar het altaar en keken de rest van de kerk in.
Omdat mijn moeder en ik moeilijk omhoog konden gaan zitten kijken, waren we genoodzaakt voor ons uit te kijken. Ze keek lichtelijk geërgerd. Ik kende die blik van haar. Ik volgde haar blik. In de banken, twee rijen vóór ons, de eerste bank van het banken-blok, zat een dikke, zelfvoldane man half te slapen. Toen echter de priester iets over vrouwen zei, keek hij op. Daardoor ging ik meeluisteren:
'Vrouwen vinden hun vreugde in het werk thuis en in de zorg voor man en kinderen. Jezus bedoelt hier duidelijk dat de zorg voor de ziel belangrijker is dan het huishoudelijk werk. Vrouwen horen nederig te aanvaarden dat zij als moeder en huisvrouw deze eenvoudige taak hebben. Haar man echter is het hoofd van het gezin en zij zal hem dienen in alle bescheidenheid en zonder tegenspraak. Jezus wees Martha terecht, omdat ze probeerde Maria het belangrijkste af te pakken: haar zorg voor haar ziel.'
Hij probeerde nog het huishoudelijk werk te idealiseren, maar zó onbeholpen dat de uitwerking averechts uitviel. Je kon merken dat hij het ook maar niks vond. Waarschijnlijk stak hij zelf nooit een poot uit in de pastorie...
Ik hoorde hem verder al niet meer. Geschrokken keek ik om mij heen: was dìt voortgekomen uit mijn verhaal? Werd het na zóveel eeuwen zó verkeerd uitgelegd? Ik was in het jaar 1943 wist ik: negentien, bijna twintig eeuwen was dit verkeerd uitgelegd! Werd gedurende al die twintig eeuwen dit verhaal gebruikt om vrouwen onder de knoet te houden? En vroeg niemand zich af of Jezus misschien niet fout geantwoord had, vanuit zijn beperktheid? Dat dit doodgewoon slecht voor vrouwen was en gunstig voor mannen?
Mijn blik viel opnieuw op de gezette man voor mij in de bank. Hij keek vergenoegd en zelfverzekerd. Toen zag ik zijn vrouw zitten: een kleine, schrale vrouw met een jachterige blik in de ogen, mager en afgetobd. Ze luisterde met de vereiste onderwerping en nederigheid, met neergeslagen ogen naar de predikant. Maar eigenlijk was ze woedend. Dat zat zó diep in haar weggestopt door de jaren heen, dat ze het zich niet eens bewust was. Je kon dat alleen aanvoelen als je zelf jarenlang zo vernederd was geworden. Terwijl je geen kant uitkon, omdat je als vrouw geen enkel recht hebt en met handen en voeten gebonden bent aan je echtgenoot. Ik voelde mijn moeder naast mij draaien op haar stoel en keek van opzij naar haar. Ik schrok van de woede die ik zag in haar gezicht. Ze staarde met holle ogen naar de man tegenover ons, en als blikken konden doden, was hij stantepede in rook opgegaan.
Ineens was ik weer terug in mijn eigen tijd. Ik was nog geen seconde weg geweest, want ik hoorde Jezus de zin afmaken: '... zal leven in eeuwigheid!'
Ik raakte totaal ontredderd: iets van dat-is-waar ging door mij heen, maar tegelijkertijd spookte die belevenis van zojuist, van zoveel eeuwen later daar doorheen en was het helemaal niet waar. Ik was totaal in de war door al die tegenstrijdigheid. Ik móést met hem praten, hem vertellen wat ervan ging komen! Maar hij zou dit niet willen horen van mij. Ik bestond eenvoudigweg niet... Eenvoudig-weg, ik was eenvoudig wèg... Hoe kon ik dan iets te vertellen hebben?
Ik stond op en liep verdwaasd de tuin in, liet me onder een boom opnieuw op de grond zakken en voelde door mijn rug heen zijn warmte mij sterken en kalmeren. Ik staarde naar het vriendelijke takkendak boven mij en zakte weg in een diepe slaap.
Klaargemaakt…
Toen ik wakker schrok van de optrekkende kilte, was het al haast donker. Ik sprong op en holde naar de keuken terug: het eten! De gasten! Mijn broer, o mijn broer!... Maar in de keuken was alles netjes aan kant. Ik keek de kamer in: daar was niemand meer. Eens te meer voelde ik me verloren en eenzaam. 'Zelfs voor het eten hebben ze me niet meer nodig', spookte het door me heen.
In mijn lichaam was het een tumult van gevoelens, waar ik geen raad mee wist: alles kwam weer boven. Nooit geweten dat je binnen een paar uur, wàt?: binnen een paar minuten zó ernstig door de war geschud kon worden. Zó volkomen onverwacht.
Ik voelde me voor mezelf onherkenbaar geworden.
Ineens stond daar de andere Maria, de moeder van hèm... Ze had wat olie voor de lampen uit de kelder gehaald. Ze lachte opgewekt naar me en zei:
'Heb je lekker geslapen Martha? Ze zijn je gaan zoeken toen het eten maar niet op tafel kwam. Joannes heeft je gevonden. Je broer wilde je woedend wakker schudden, maar Jezus hield hem tegen. Hij beval hem jou te laten slapen: "ze is doodop, dat zie je toch!" Ik was net binnen komen lopen en dus heb ik het eten klaargemaakt en daarna opgeruimd.'
Ik bleef haar sprakeloos aanstaren met een blik waarin medelijden, woede, verwarring en afkeer om voorrang schreeuwden. "Klaargemaakt... opgeruimd... klaargemaakt.... opgeruimd... klaargemaakt..."
Maria zag van alles door mij heen gaan en sloeg haar armen om mij heen. Maar ik drukte haar van me af, greep ik haar ruw bij haar schouders en beet haar toe:
"Klaargemaakt... opgeruimd... klaargemaakt.... opgeruimd... ...en jij deed het wel! Natuurlijk weer een vrouw die het overneemt! Wij vrouwen lijken wel gèk! Begrijp je het dan niet!? BEGRIJP JE HET DAN NIET!? Je begrijpt het niet! Je begrijpt er niets van! Wij vrouwen zijn hartstikke gèk! En hij verandert daar niets aan!" Ik schreeuwde het uit, huilde, snikte wanhopig.
Na een poosje bedaarde ik wat en Maria vroeg wat er toch gebeurd was, wat er zó erg geweest was dat het mij zó overstuur gemaakt had! Ik vertelde haar het verhaal met horten en stoten: hoe ik hem gevraagd had om mijn zuster me te laten helpen en hij mij terecht wees. Wat er daarna door me heengegaan was hield ik vóór me, dat was te absurd! Ze hoorde me aan en staarde een tijdlang voor zich uit.
'Er is nog meer gebeurd, is niet?'
Ik zei haar alleen dat ik een nare droom had gehad. Ze keek me aan alsof ze dwars door me heen schouwde en zei toen: 'Het was niet zomaar een nare droom Martha! Je moet het me vertellen! Misschien kunnen we er dan achter komen wat die droom betekent.'
Ik probeerde haar te vertellen wat ik gezien had, maar het lukte niet. Ze begreep er dan ook niets van en zei ten slotte:
'Gelukkig dat het maar een droom was hè? Ik hoop voor je dat je hem gauw vergeet!'
Maar ik besefte dat ik hem nooit vergeten zou, nooit vergeten kòn. Ik wist heel zeker dat dit in die heel verre toekomst zo gebeuren zou; dat mijn verhaal zó uitgelegd zou worden; dat vrouwen al die eeuwen lang daar de dupe van zouden zijn!... En door de kracht van wat hij gezegd en gedaan had, zou de kracht van de verkeerde uitleg extra versterkt worden!
Wat dacht ik daar voor vreemde dingen? Hoe kwam ik daaraan?
Die machteloze kleine vrouw in die kerk, de woede van mijn moeder... ik had ze echt gezien! Bijna twintig eeuwen zouden vrouwen ermee om de oren geslagen gaan worden! En ik vond niemand om erover te praten, over hoe ik verder moest met deze weten-schap! Ik móést er zo spoedig mogelijk over praten met hèmzelf!
'Ik moet er met Jezus over praten Maria, het móét! Ik vind het heel moeilijk, want als jij mij niet begrijpt, jij, een vrouw, hoe kan hij me dan begrijpen? Ik kan er ook steeds minder tegen dat mannen het zomaar gewoon vinden dat wij altijd voor hèn zorgen. Toen ik daarstraks zag dat jij mijn taak overgenomen had, was ik opnieuw hevig in de war: alweer een vrouw die het doet! Waarom zorgen mannen nooit eens voor òns? Zijn wij, vrouwen en wat wij doen dan zó waardeloos? Ik begrijp Jezus dan ook niet: ik volg hem zoveel mogelijk sinds de bruiloft in Kana, maar je hoort hem nooit over vrouwen, alsof we helemaal niet bestáán. Als hij preekt, krijg ik altijd het gevoel dat hij het alleen maar tegen mannen heeft! Een enkele keer merkt hij een vrouw op, zoals die die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. En vrij kort na die bruiloft: de schoonmoeder van Petrus. Ze was ziek en kon niet voor het gezin en de bezoekers zorgen... Hij genas haar, maar ik kon de gedachte niet van me afzetten dat hij het deed òm weer voor hem en iedereen te kunnen zorgen. Misschien heel vals van mij, maar toch...
Hij zegt heel belangrijke dingen voor mensen. In feite gooit dat het jodendom omver. Nee, dat is niet het goede woord: hij voegt er iets aan toe, hij maakt het àf! Rijker, menselijker. Voor mij is hij de messias, geen twijfel mogelijk! Maar ik begrijp zijn houding niet tegenover vrouwen!'
Dat was een hele toespraak en Maria stond me aandachtig te bekijken. Ze sloeg haar armen om me heen:
'Maak je nou niet zo druk meissie! Probeer inderdaad maar zo gauw mogelijk met hem te praten! Misschien weet hij al best wat er in je omgaat. Misschien ziet hij die dingen nog niet, omdat hij als man alles ook maar op zijn eentje moet uitzoeken en nergens steun vindt, en zeker niet bij andere mannen van hoe het eigenlijk verder moet met de mensheid! Zeg hem wat er gebeurd is, wat je voelde, wat je droomde. Misschien móét dat inderdaad wel voor hèm, opdat hij dingen over vrouwen ànders gaat zien!'
Vrouw…
'De messias zou een vrouw moeten zijn Maria! Dat zou een vrouw moeten zijn!'
'Dat is onmogelijk in deze maatschappij, in ons geloof Martha! Dat zal als eerste een man moeten zijn, een man die vrouwen uit de brij omhoog haalt en mannen in de gaten laat krijgen dat vrouwen óók mensen zijn, waardevolle mensen. Dat zal hij van vrouwen zelf moeten horen èn moeten willen horen!'
'Hij is altijd zo eerlijk, in dit geval zal hij ook eerlijk zijn en naar mij luisteren,' zei ik vol overtuiging nu, 'het is bijkans onmogelijk dat hij zijn oren voor mij zou sluiten. Dan zou hij voor mij de messias niet meer zijn!'
Ik had dit er zomaar uitgeflapt en de betekenis van die woorden sloeg mij als een verlamming tot op het bot! Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Als HIJ de messias niet was, dan was ik alles kwijt waar ik de laatste paar jaar, sinds die bruiloft, al mijn hoop op redding op had gesteld! Maria zag me schrikken en ving me op, voor ik op de grond zakte...
'Meisje, meisje, wat doe je nou!'
Tweede gezicht
Ineens liep ik naast mijn moeder de kerk uit naar huis. Ze was woedend, ze beefde en haar hand, waar de mijne in stak was koud. Ze vertelde me waarom:
'Die man in die bank! Hij is zo'n egoïst! Zag je dat vrouwtje naast hem, dat nietsje? Ik heb wel eens met haar gepraat. Ze heeft niets willen vertellen over thuis, want je moet je vuile was nou eenmaal binnen houden. En van een slecht huwelijk krijgt de vrouw altijd de schuld. Maar het kwam er toch uit: hij is haar altijd aan het afkammen. Ze doet nooit iets goed en altijd is het te weinig. Ze heeft acht kinderen en wáár hij maar kan, laat hij haar voelen dat ze een slechte moeder, een slechte huisvrouw is. Of de kinderen dat horen maakt hem niet uit. Hij heeft er een satanisch genoegen in haar voor kak te zetten.. De kinderen vinden dat wel handig en spelen dat tegen haar uit. Die vrouw heeft geen léven! Ze ziet er niet voor niets zo mager en afgetobd uit! En dan zó'n preek eroverheen!
Ik wou dat ik die vrouw daar weg kon halen, maar vrouwen kunnen geen kant op. Ik ook niet, zij ook niet! Als je wegloopt bij je man, kan hij je altijd terug laten halen, waar je ook bent! Er is geen wet die ons beschermt. Wij kunnen geen kant op! We zitten bovendien allebei gebonden aan de kinderen. De wetten van alle landen en alle godsdiensten zijn tégen vrouwen. Overal nog! En deze kerk doet daar ook helemaal niets aan, integendeel: ze komen met mooie verhalen en laat vrouwen in de steek!'
Nog voor ik helemaal op de grond gezakt was, was ik weer terug. Maria stond bezorgd over me heen gebogen:
'Gaat het?'
'Nee!,' schreeuwde ik en vloog met vernieuwde woede overeind, 'het gaat helemaal niet! Er klopt allemaal niets van! Ik heb wéér zo'n gezicht gehad!' En met horten en stoten vertelde ik Maria wat ik gezien en ervaren had. Nu begon ze anders naar me te kijken: ze geloofde me!
'Zal het dan in de twintigste eeuw niet anders zijn dan nú?' vroeg ze geschrokken, 'ik weet zeker dat Jezus dat niet zou willen. Komt er uit zijn prediking en zijn genezing dan een kerk voort? Uit dat kleine groepje mensen om hem heen?'
'Uit dat kleine groepje mànnen zul je bedoelen!' blafte ik, stampend met mijn voet op de grond.
We staarden elkander verbijsterd en machteloos aan, want dit hadden we nu pas ontdekt. Ik was eerst alleen maar geschokt door zijn afwijzing en de visioenen erna. Maar natuurlijk: als deze gezichten wáár waren, en dat waren ze!, kon dat alleen maar betekenen dat er een kerk uit voortgekomen was, een nieuwe godsdienst! Wat moesten we met die gigantische verwarring aan? En eens te meer wisten we dat we met hem moesten praten. En wel zo spoedig mogelijk!
Op weg
Ik stond gedecideerd op en liep naar de deuropening.
'Waar ga je heen," vroeg Maria.
'Jezus achterna, ik moet het hem zo spoedig mogelijk vertellen, geen tijd te verliezen!'
Ze greep me stevig bij mijn bovenkleed:
'Jij gaat nergens heen. Je hebt niet gegeten, het is donker, het is koud. 's Nachts is het niet veilig voor vrouwen buiten. Word wakker Martha! Je moet rekening houden met wat kan en wat onmogelijk is. Morgen sta je vroeg op en dan moet je eerst uit gaan vinden waar hij heen is. Hij maakt nooit plannen, dat weet je, dus dat zal navragen worden. Waarschijnlijk kun je zijn spoor volgen aan de hand van genezingen die hij doet... Op die manier vind ik hem ook altijd.'
Ik liet me bepraten. Maria maakte wat restjes eten voor me warm en ik at met tegenzin.
Die nacht sliep ik bijna niet. Nog vóór het licht was stond ik uitgeput op.
'Wat zie je er uit!' riep Maria bezorgd uit, 'je hebt vast slecht geslapen. Ik zal een ontbijt voor je maken en brood om mee te nemen. Je moet goed eten voor misschien een lange reis.'
'Je praat net alsof je me alleen laat gaan, terwijl ik zoiets belangrijks te zeggen heb, iets waar jij het helemaal mee eens bent.'
'Ik ga zover met je mee, maar ik weet niet of ik bij je blijf, ik maak nooit plannen. Dingen moeten vanzelf lopen.'
'Zal ik jou eens wat zeggen: jij bent de messias! Jezus was nooit zo ver gekomen als jij zijn moeder niet geweest was. Jij was zijn leermeesteres. Dus jij bent groter dan hij.'
Maria keek me op een vreemde manier aan. Ik snapte dat niet. En het klopte niet met wat ze zei:
'In deze godsdienst, dat zei ik al, kàn dat niet. Wij hebben helemaal niets te zeggen. Ook al schreeuwen we moord en brand. En hoeveel vrouwen die dagelijks mishandeld worden schrééuwen niet moord en brand? Wij kunnen de mooiste dingen zeggen over hoe het leven werkelijk in elkaar zit. Maar als we in straten en op de hoeken en pleinen gaan staan preken, is er geen hond die naar ons komt luisteren. Integendeel: er wordt politie op ons afgestuurd, of een stel moordenaars. Het is al heel wat dat Jezus vrouwen in zijn stoet volgelingen heeft.'
'Maar luistert hij ook naar haar? Vráágt hij haar dingen? Vraagt hij haar hoe zij over het leven denken en over geloven en zo? Vraagt hij haar hoe haar leven in deze maatschappij en deze religie eruit ziet? Nee dus!'
'Nee dus,' echode Maria, 'nee dus. Wat erg eigenlijk hè, en hij heeft zoveel invloed op mensen... Ik ga met je mee, nu voel ik dat ik móét.'
'Die vrouwen in zijn stoet hè, daar zitten een paar rijke weduwen bij, die hem met haar geld ondersteunen en waar hij kan rekenen op een open deur in haar grote woningen... Da's ook mooi meegenomen.'
'Wat ben jij hàrd zeg! Maar mogelijk heb je gelijk. Misschien niet zozeer vanuit het oogpunt van Jezus, alswel van die vrouwen. Veel vrouwen hangen aan zijn lippen en zijn blij dat ze hem kunnen ondersteunen. Dan hebben ze hem vaak bij zich. Ik heb hem geleerd dat dingen lopen moeten zoals ze lopen en daar hoort dit ook bij. Dingen die je kunt gebruiken om je goede werk te doen, zonder iemand te schaden, mag je altijd gebruiken.'
'Je bent zo wijs!'
'Ik had een wijze moeder en heb daarna zelf veel ontdekt... Ook door mijn gesprekken met Jozef en Jezus. En van jou heb ik het één en ander geleerd...'
'Is dat niet een soort wet: dat mensen van elkaar moeten leren? En geen mensen moeten afstoten waar ze dingen van leren kunnen, ook al zitten ze in nog zo'n rotsituatie of worden ze uiteindelijk vermoord? Hoeveel mensen die iets te zeggen hadden zijn er al niet vermoord?' Ik schrok ineens: 'Maria, zou hij ook vermoord worden? Hij zegt zoveel dingen waarvan men vindt dat die tégen het jodendom, tégen de regering zijn... En zou dat in de twintigste eeuw nog zo doorgaan: dat mensen vermoord worden die wat te zeggen hebben? Nog twintig eeuwen lang? Goeie god! We moeten wèg!' Ik schrokte mijn laatste hap brood naar binnen en daar gingen we.
'We moeten vast richting Jeruzalem,' beweerde Maria, 'het is al spoedig Pasen en hij wil dan ongetwijfeld daar zijn voor het feest.'
Ik voelde me ineens heel droevig... Pasen: voorbijgang. Zou Pasen zijn voorbijgang worden? Zou voor hem en dus voor allen die hoop op hem gesteld hadden met Pasen alles voorbij zijn?' Ik schudde mijn hoofd: 'geen muizenissen in je hoofd halen,' bestrafte ik mezelf en zei hardop, om dat gevoel te overschreeuwen: 'het is gelukkig nog niet zo warm. Misschien is hij ook nog niet zo ver weg, hij laat zich vaak ophouden door zieken en wanhopigen. En blijft soms dagen hangen in een stad of dorp, zoals bij ons in Magdala.'
Gelukkig had Maria niets in de gaten van mijn gepieker en ze wees me een verdorde vijgeboom waar we net langs liepen:
'Kijk, hij had geen vruchten voor Jezus en toen heeft hij hem laten verdorren.'
'Zijn krachten zijn groot en hij kan ze dus ook gebruiken om te vernietigen. Maar dat doet hij verder nooit.'
'Hij gaf er een voorbeeld mee...'
'Toch zielig voor die boom... Hij was toch niet geheel nutteloos, hij gaf toch nog wat schaduw...'
Derde gezicht.
Ineens stond ik stil, zag mezelf een pakje openmaken wat ik van een zwarte man gekregen had die bij ons kwam eten, een kennis die werkte bij mijn man op zijn kantoor. Het papier ging los en er ging een grote walging van mij naar het cactusje dat mij met zijn knalgele bol blij had moeten maken. Ik wist meteen dat het de dood van het plantje was, die walging van mij. Binnen twee dagen was het, ondanks mijn pogingen en mijn uitstraling van liefde en spijt naar het plantje, volledig verdord.
Ik schrok wakker uit dit nieuwe gezicht, Maria stond me aan te staren, maar ik wist niet hoe ik het haar vertellen moest, want ik wist niet waarom ik zo walgde van een onschuldig plantje met een gele bol in plaats van een groene. Wij hadden nog nooit hier in welke woestijn dan ook zo'n rare gele bol gezien... Wat was er gebeurd in die twintigste eeuw dat ik zo'n afschuw had van een onschuldig plantje? We liepen maar weer verder en tijdens het lopen kwam stukje bij beetje mijn verhaal los.
Maria dacht dat ze in die tijd misschien in staat waren om zulke plantjes te kweken, er zaten immers twintig eeuwen tussen nu en dan? Maar waarom ik er zo van walgde, bleef voor ons beiden een raadsel.
Zwijgend liepen we verder. We wilden zo ver mogelijk zijn vóór het avond werd. Ik moest mijn ongeduldig lange passen aanpassen bij de kortere van haar. Ze was immers al oud: tegen de vijftig! En een hoofd kleiner dan ik. Toch nog kras dat ze zo'n reis wou maken!
Een lange nacht
Daar lag Tiberias, de plaats waar we onze eerste stop zouden maken. Nieuwsgierig naar wat we daar zouden vinden en of we iets hoorden over Jezus. We hoopten stiekem dat hij er nog zou zijn.
Nog vóór het donker kwamen we in Tiberias aan en gingen direct naar de synagoge, om de sabbat in te luiden. En daar was hij. Verbeeldde ik het me, of schrok hij echt? Stokte zijn stem, of was hij alleen maar verbaasd ons daar te zien, zo'n eind van waar hij ons achtergelaten had?
De synagoge was tot de nok gevuld met muisstil luisterende mensen. We bleven achterin staan en luisterden mee. Af en toe keek hij in onze richting en ik kon er maar niet achter komen wat ik in zijn blik zag. Straks zouden we wel kans zien om hem te spreken.
Toen de avond een eind gevorderd was, hield hij op met preken en begon de mensen die ziek waren de handen op te leggen. Het was al bijna middernacht toen hij eindelijk klaar was en naar het huis kon gaan waar hij altijd logeerde in deze stad. Wij waren op hem blijven wachten en liepen met hem op. Maar ik kon geen woord over mijn lippen krijgen. Alles wat hij daarstraks gezegd en gedaan had leek zo in tegenspraak met wat wij te zeggen hadden. Net of het niet belangrijk meer was, of het te plat, te laag van niveau was. Ik was compleet in de war. Jezus keek me af en toe van opzij aan, dat voelde ik wel. Ik durfde niet terug te kijken. Maar ik had toch niets te verbergen? Die verwarring!
Bij het huis aangekomen bleek het vol te zitten met allerlei volgelingen, vooral uit Tiberias zelf en de rest van zijn leerlingen. Ik zuchtte: kwam er wéér niks van praten.
Alsof hij niet zojuist een vermoeiende dag achter de rug had, begon hij opnieuw met spreken...
Pas heel vroeg in de ochtend ging iedereen slapen. Echter hij niet, hij ging naar buiten om te bidden. Maria keek me veelbetekenend aan en ik ging achter hem aan. Opgeladen, omdat ook hier het weer vrouwen waren geweest die voor het eten en alles gezorgd hadden...
'Jezus,' zei ik, 'ik moet met je praten!'
'Niet nu Martha, niet nu. Ik wil bidden.'
Ik drong aan:
'Ik móét met je praten! En zo spoedig mogelijk!' De hele boodschap kwam ineens in volle hevigheid weer opzetten. Kwam dat door deze nieuwe afwijzing?
'Ik ben moe, zie je dat dan niet? Ik wil even bidden en dan moet ik nodig slapen. Morgen heb ik weer een zware dag...'
'Gisteren was ìk doodop en dat zag je niet. Ik heb bijna de gehele nacht niet geslapen, ik heb zowat de hele dag gelopen, ik ben óók moe en toch loop ik achter je aan en zeg je,' en hierbij vatte ik hem stevig bij beide schouders (een doodzonde voor vrouwen om een man zomaar aan te raken!) en schudde hem door elkaar. Maar hij stond als een blok beton en met overslaande stem riep ik hem toe: 'ik móét onmiddellijk met je praten om allerlei redenen!'
Hij veegde kalm mijn handen van zijn schouders af en zei:
'Vrouw, je bent hysterisch, wat kun jij mij te vertellen hebben? Kalmeer eerst maar eens.' En hij keerde zich van me af en liep weg.
Ik stond daar maar, ik stònd daar maar, niet bij machte nog één stap te verzetten. Mijn woede spatte aan alle kanten uit mijn lichaam. Ik stampte razend op de grond en schreeuwde hem machteloos een scheldwoord na: "HUFTÈÈR!". In het scherpe licht van de bijna volle maan zag ik zijn gestalte, hardwit afgetekend tegen de bijkans zwarte achtergrond, zich even half omdraaien. Schouderophalend verdween hij in de bosjes.
Vierde gezicht
En toen gebeurde het wéér: ik was opnieuw dat kleine meisje. Nu was ik thuis en werd getreiterd door mijn broertjes. Net zolang tot ik in huilen uitbarstte en dan hadden ze lol. Ik liep schreiend naar mijn moeder en kon niet eens uit mijn woorden komen van ellende. Zij stond echter ook machteloos. Ze deed wat ze kon om me tegen die broertjes te beschermen, maar die pestten me enkel als zij er niet bij was of even niet oplette. En mijn vader vond dat ik niet zo flauw moest doen. Hij had een hekel aan jankende jongen. Dat ene jankende jong was ik.
Ik was weer terug. Was dit soort dingen óók een gevolg? En meteen ging dat verhaal verder. Ik zat opnieuw in die kerk, onder de preekstoel. Mijn ouders hadden daar twee stoelen gehuurd. De priester sprak over liefde en over zorg hebben voor anderen. Over wegcijferen en opofferen. Die dikke man en zijn kleine vrouw... Die man zat weer te glimlachen. Ik had duidelijk het gevoel dat die priester het alleen tegen vrouwen en meisjes had met zijn opofferen, nederigheid en liefhebben. En ik vroeg me stiekem af of jongetjes of mannen dan níét lief hoefden zijn?!
Ik schrok van mijn eigen vermetelheid. Dat ik zoiets durfde denken! En God had dat gezien, had gezien dat ik zulke dingen durfde denken en de woorden van die priester afwees, de woorden van die man die daar namens God stond te spreken... En braaf stopte ik die kritiek diep weg in mijn lijf...
Ik was opnieuw bij mijn positieven en zakte machteloos op de grond, huilde, huilde...
Toen ik een beetje bedaard was, besloot ik daar midden op dat pad te blijven zitten, dan kon ik hem opvangen als hij klaar was met bidden. Ik trok mijn knieën op om mijn warmte zo goed mogelijk om me heen te houden, want het was alweer koud geworden. 's Nachts vroor het nog in dit vroege voorjaar, en ik wikkelde mijn mantel dichter om me heen. Onder de mantel legde ik mij armen om mijn knieën. Zo, nu kon ik het wel een uurtje volhouden of zo.
Ik was vreselijk in de war. Ik had inderdaad niet zo kwaad moeten zijn en hem niet mogen aanvatten en door elkaar schudden. Ik had niet zo moeten schreeuwen en schelden. Maar ik wàs toch kwaad? En er wèrd toch niet naar mij geluisterd! Mag ik dan asjeblief schreeuwen? Als mannen hun zin of hun gelijk moeten hebben, of als ze kwaad zijn, schreeuwen ze als magere varkens. En dat wordt heel gewoon gevonden... Moest je maar eens op een marktplaats komen, in een herberg of bij bestuurszaken, wat je dáár niet allemaal hoorde... Moesten vrouwen dan altijd precies reageren zoals mannen wilden?
En luisterde Jezus niet naar mij òmdat ik schreeuwde, òmdat ik 'hysterisch' was, zoals hij zei? Was dàt de reden? Dat was de reden NIET! drong in volle hevigheid tot mij door! En er brak iets in mijn buik open: mannen luisterden nooit naar vrouwen en hadden altijd wel een smoes om haar er op te wijzen dat ze NU geen oren hadden naar haar gepraat. 'Vrouwenpraat' was ook zo'n smoes. 'Mannentaal', dat was iets anders! Maar wat hield die mannentaal dan in? Waar spraken mannen dan over? Wezenlijk belangrijke dingen? Ik begon weer te huilen van verdriet en machteloosheid.
Ik schrok, want ik besefte ineens: ik wàs niet in de war: ik zag alles juist zo helder! Mijn buik bloeide vrij open, ik werd er warm van.
Eens te meer besliste ik koppig dat ik hier zou blijven zitten, hij zou naar me móéten luisteren. Maar ik vergat dat ik doodop was en viel in slaap.
"Dwaze vrouw"
Ik droomde dat iemand me voorzichtig optilde, mijn armen om zijn nek legde en dat een diepe stem iets mompelde van 'dwaze vrouw'. Ik voelde me heerlijk deinen alsof ik gedragen werd. Tot ik ergens neergelegd werd. Ik hoorde een vrouw vanuit de verte zeggen:
'Ze vloeit!'
'En heel erg, ze heeft heel wat bloed verloren. Ze moet vrouwenmantel hebben. Heb je daar wat van Suzanna?'
'Dat heb ik altijd bij de hand. Ik zal meteen wat thee trekken voor haar.'
'Er moet iets gebeurd zijn, ze moet iets ontdekt hebben of zo dat haar lichaam zo hevig reageerde!'
'Dat moet ze ons morgen maar eens vertellen!'
'En jij zit helemaal onder het bloed, Jezus. Trek je kleed uit, dan was ik het eruit. Dat moet meteen gebeuren, anders droogt het in en dan krijg je het er nooit meer uit, kun je het weggooien. Misschien heeft iemand even een ander kleed voor je te leen. En heb je wat zout Suzanna? Een klein beetje maar om op die vlekken te strooien!
Dat moest ik zien! Ik klapte met moeite mijn ogen open, keek zo van onderen af recht in Jezus' gezicht: hij stond daar met de armen wijd vol afschuw te staren naar de fanatieke rode vlek op zijn schoot. En die felle vlammen op de plooien van zijn pronkwitte mouwen...
Onze wetten waren echter: iemand die in aanraking kwam met een vrouw in haar stonden, was onrein en moest een heleboel rituelen "verrichten om weer rein te worden. Zo was hij opgevoed en nu dit... Hij jammerde er over, maar Maria wees hem terecht:
'Het is heel goed dat je er op deze harde manier eens met je neus opgedrukt wordt: dat moet veranderen! Vrouwen zijn niet onrein! Ik heb je dat al zo vaak geprobeerd duidelijk te maken! En je bènt er al anders mee aan het omgaan, maar nu je het zelf rechtstreeks ontvangt, schrik je je wezenloos!' en ze stond op, keerde zich helemaal naar hem toe: 'vies zijn zij die vrouwen veroordelen en haar isoleren en haar verdoemen tot allerlei rituelen en eenzaamheid! Wie vrouwen vies vindt, heeft zelf een onreine geest. Ik zal haar wassen, het bed verschonen en haar warmen en ik zeg jou met de woorden, die je zelf zo vaak gebruikt, en terecht: "doe gij ook zo!"' Maar Jezus keerde zich om en liep weg.
Ik glimlachte tevreden.
'Ben je wakker Martha?'
Maar ik kon mijn ogen alweer niet meer openhouden.
'Ze is helemaal verkleumd en verzwakt! Ze moet hete wijn drinken!'
Iemand zette een kom met hete wijn aan mijn mond en goot het voorzichtig naar binnen. Als een brandende rivier stroomde het vocht mijn lichaam binnen, naar alle kanten mij warmend.
Ik werd uitgekleed en met heet water gewassen. Daarna legden ze me op mijn zij, ik voelde hoe iemand, ongetwijfeld Maria, in mijn rug naakt tegen me aan kwam liggen, een arm om me heen sloeg, haar hand op mijn buik legde. Dat was lekker warm! Mijn buik tintelde... Iemand anders dekte ons beiden zorgvuldig toe, streelde mijn haar en kuste me lief op het voorhoofd.
'Slaap lekker, rust maar goed uit! Ik maak je kleed en je mantel wel schoon, zal ze drogen bij het vuur. Als jullie wat nodig hebben, Maria, dan roep je me maar!'
Ziek
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, was het reeds volop dag. Het was zelfs al in de middag!
'Zo, ben je daar?' klonk Maria's warme stem mij tegemoet. Een heerlijke geur hing in het vertrek: thee, ik moest ervan slikken. Dat lukte nauwelijks met mijn kurkdroge mond.
'Hier, drink maar,' zette ze een kom warme vrouwenmantelthee aan mijn mond. Ik dronk gretig en voelde me wakker worden, vroeg me af waar ik was. Tot, ineens wist ik het weer en vlóóg overeind. De kom viel aan gruzels en het restje thee spatte weg. Maar ik zakte verlamd terug op het bed.
'Waar is Jezus? Ik moet hem spreken!'
'Hij is weer weg,' zei Maria, 'ik kon hem niet tegenhouden. Hij wilde niet wachten tot jij wakker zou worden.'
'Ik moet achter hem aan!'
'Jij eet eerst wat en dan zien we wel verder. Je bent gisteren totaal verkleumd geraakt, hebt veel bloed verloren en bent helemaal òp! Ik heb een stuk lekker brood voor je met wat vlees erop. Eet dat eerst maar op.'
'Heb jij nog met Jezus gesproken?'
'Ja, maar hij trok zijn schouders op en vond dat hij geen tijd had...'
'Misschien moet er eerst nog iets met hem en met ons gebeuren voor die deur voor hem open kan!' opperde ik peinzend.
'Wat zeg je dat weer mooi, Martha. Maar je hebt gelijk. En daarom moeten we meegaan in de gebeurtenissen. Eet nou maar, je bent moe en je was gisteren half bevroren.'
Ik voelde me inderdaad alsof ik drie weken met koorts op bed had gelegen en at het brood op. Dronk nog wat thee, liet me door haar en Suzanna, de eigenares van het huis naar buiten helpen om mijn behoefte te doen. Maria maakte me schoon als bij een klein kind, deed me een schone linnen doek om. Gelukkig was mijn bloeding bijna over. Daarna plofte ik vermoeid weer terug op bed.
Ik moest er drie dagen blijven, voor ik weer genoeg op krachten was. Ik had het er heel moeilijk mee, maar als ik wakker was en weer weg wou, en dat nog niet kon, hield Maria mij steeds voor dat dingen moeten lopen zoals ze lopen en dat dit er dan ook bij hoorde.
'Zelfs als daardoor alles zo gaat lopen zoals ik gezien heb?'
'Zelfs als daardoor de dingen zo gaan lopen zoals jij gezien hebt!'
Dat was haast niet te verteren. Maar ik kòn niet anders en begon het tenslotte te aanvaarden. Zodoende leerde ik mij los te maken van mijn haastgevoel. En daardoor, door die rust in mijn lijf knapte ik des te sneller op. En ik werd verwend met theetjes, warme wijntjes, boullionnetjes en allerlei lekkere hapjes. En veel liefde... Wie dan nog niet opknapt...
Het grote voordeel van deze drie dagen rust was dat veel vrouwen uit de buurt nu mijn verhaal te horen kregen... Vooral Maria had het er maar druk mee.
Weer verder
Vroeg in de ochtend van de vierde dag na mijn in-elkaar-storten, vertrokken we met z'n vijven. Opnieuw achter Jezus aan. Ons groepje was uitgebreid, juist door die drie dagen gedwongen rust van mij! Een van de vrouwen was degene die Jezus op sabbat genezen had: ze had een vreselijk kromme rug gehad, door de zorgen denk ik. Nu liep ze mooi rechtop en straalde van geluk! We bedankten Suzanna voor haar goede zorgen. Ze glimlachte en wenste me overtuigd 'veel succes'.
Ze was erg geschrokken van mijn verhaal en stond helemaal achter ons. Ze kon nu niet weg, net als nogal wat andere moeders. Ze moest eerst zorgen dat de kinderen ergens onderdak kwamen, maar later zou ze ons beslist achterna komen.
'Want,' had ze gezegd, 'op je eentje sta je niet sterk, je moet laten merken dat er véél vrouwen zijn die er zo over denken.'
Dat deed me goed:
'Dan heb ik tòch gelijk?'
'Natuurlijk heb je gelijk!'
Het was nog koud, ik trok mijn mantel dicht om mij heen en we kwamen goed vooruit. Onze sandalen knerpten over het ruwe pad. Soms kwamen we een boer tegen die met groenten op weg naar de markt was. Er reed ons zelfs een handelsreiziger op zijn ezel achterop. Een tweede ezel, volgeladen met manden, sjokte aan een touw naast hem. De man kwam even naast ons lopen en vroeg naar het laatste nieuws uit de streek. Hij was op weg naar Jeruzalem: het zou daar druk zijn rond Pasen en dat verkocht goed... Ik zag hem wel vreemd kijken naar dat groepje van vijf vrouwen, zo: zonder man...
Toen de zon hoog aan de hemel stond, zochten we een boom op en rustten wat. Ik voelde dat ik nog niet helemaal op krachten was en viel in slaap.
Een paar uur later, de zon was een eind gezakt, gingen we weer verder. We: Maria en ik. De andere drie vrouwen waren ons vooruit gegaan. Die zouden we misschien in Jeruzalem pas weer zien. Jeruzalem: nog zo'n eind! Maar toen kwam het waarom weer in mij boven en het leek alsof ik daardoor gesterkt werd.
'Zou er ooit eerder zo'n groep vrouwen zo'n tocht gemaakt hebben?'
'Wie weet! Ik weet wel haast zeker dat er altijd wel vrouwen zijn geweest die probeerden dingen te veranderen...'
'Maar...'
'Ja precies: "maar"...'
Ik stond met een ruk stil. Ik liep in een klooster, hoorde de moeder overste, wijzend op een schriel meisje van vast nog geen vijftien, in een grauwe, slobberige jurk, die de vloer van de lange en brede gang op haar knieën aan het schrobben was, tegen haar bezoek zeggen:
'En dit is ons martje.'
'Dag Martje,' zei de jonge vrouw, die dit klooster had uitgezocht om in te treden en nu rondgeleid werd door de moeder overste.
'Ze héét geen Martje hoor,' zei de moeder overste, 'ze heet Corrie, maar de meisjes die voor ons werken noemen we zo, naar het voorbeeld van Martha, weet je wel, van Martha en Maria! Zoals iemand typiste is of onderwijzeres, zijn zij martjes...'
'Woont ze hier ook?'
'Haar vader is hier manusje van alles. Hij woont hier vlak bij in een huis van ons. Ze is de oudste van elf kinderen en we hebben haar aangenomen om die mensen financieel wat te helpen.'
De eerwaarde moeder en de jonge vrouw liepen verder.
Ik stond stil bij het 'martje' en vroeg haar hoe ze behandeld werd. Ze zag er zo slecht uit! Ze kreeg weinig te eten en moest hard werken. Hun huis was veel te klein voor zoveel mensen en ze zou blij zijn als ze hier weg kon. Iedereen keek haar met de nek aan, ze telde in het klooster helemaal niet mee. Ze durfde geen grote mond op te zetten, omdat ze thuis het geld zo hard nodig hadden. Nee: haar ouders wisten er niets van dat ze het hier zo slecht had. Haar vader moest hier trouwens ook erg hard werken. Thuis waren ze er niet veel op vooruit gegaan: het meeste geld ging op aan de huur aan diezelfde nonnen.
Ik schrok weer wakker en keek Maria hulpeloos aan. Vertelde haar wat ik gezien had. Zwijgend liepen we verder.
Twaalf... en méér
Tegen de avond bereikten we een huis van een nicht van Maria en overnachtten er. Ook daar kregen we vrouwen mee... Die liepen de volgende ochtend eveneens op ons vooruit, omdat Maria mij opnieuw uit had laten slapen. Alles bij elkaar waren we inmiddels met een vrouw of twaalf onderweg naar Jeruzalem. Ik begon ineens te schaterlachen. Onwillekeurig lachte Maria mee, blij ook dat ik een goed moment had. Goed moment? Maar al die nare dingen waren uitstekende momenten. Waarom werden nare dingen nooit gezien als hele goede dingen, waar je veel van leren kon? Ze vroeg echter:
'Waarom lach je zo?'
'Twaalf! We zijn met z'n twaalven! De twaalf apostelen van ons!'
'De elf apostinnen van jóú zul je bedoelen. Dan moeten we er nog één bij hebben!' Gierde ze het uit.
'O, dat worden er wel meer. Ik ben niet tevreden met twaalf, ik wil àlle vrouwen en ook alle mannen, want het is goed: deze missie!'
De dag verliep ongeveer hetzelfde als de vorige. Het werd nu drukker op de weg... Allemaal mensen die naar Jeruzalem optrokken. We hoorden van hen verhalen over Jezus en wat hij gezegd en gedaan had. Hij plaveide zijn weg met veranderde mensen, met genezen zieken en volgelingen. We begonnen door de verhalen te begrijpen dat Jezus ons nog één dag voor was. Misschien zouden we hem morgen in kunnen halen...
Meer vrouwen begonnen zich bij ons aan te sluiten, oudere en jongere en zelfs een enkel echtpaar. Dat was wat: mannen die deze boodschap aanvaarden! Er waren echter ook vrouwen bij die bij hun man wegliepen en met ons meetrokken. Een vrouw zonder man, een weggelopen vrouw, dat was een wel héél onzekere toekomst.
De sfeer werd gezellig. Er was een vrouw bij die een fluit van haar man meegepikt had. Hij was schaapherder en met een knipoog zei ze:
'Wat van hem is is van mij.'
Ze kon helemaal niet spelen, maar na wat oefenen lukte het al aardig. Een andere vrouw had een tamboerijn en we begonnen liedjes te zingen en psalmen.
Maar toen we over die psalmen begonnen te praten, gingen we inzien dat die allemaal over mannen gingen. In ieder geval op mannen gericht waren. Jahweh werd ook altijd bezongen als mannelijk! Jezus sprak over God als over 'de vader'. Wij begonnen het gevoel te krijgen dat God minstens ook een vrouw was, waagden het om eens de term 'moeder' te proberen in die psalmen en 'koningin' in plaats van koning, 'zij' in plaats van hij en 'haar' in plaats van hem. Dat was enerzijds een lekker gevoel, zo van: "zo hoort het", maar anderzijds dat verwarrende van: "teveel eer..." De psalmen kregen er in elk geval een heel andere kleur door, werden warmer, levendiger!
En later gingen we zelf liedjes maken. O, helemaal niet van die schoonheden als die liederen van David hoor! Maar we hadden er lol in en liepen zowat de hele dag te zingen. De kracht die ons begon te omringen noemden we 'Godin' en 'Moeder'. Eerst als grapje, later overtuigd... Maakten er onze eigen psalmen over.
We maakten ook liedjes naar de vrouwen van de twintigste eeuw toe: beloftes dat zij het anders zouden hebben, dat wij daar alvast een begin mee zouden maken.
Voor de rest praatten we veel met elkaar, gingen warm met elkaar om, omhelsden elkaar en kusten elkaar als er weer eens iemand iets goeds gezegd had, of als iemand verdriet had om het haar aangedane leed. Wat een warmte omgaf ons! Dit waren we helemaal niet gewend: elkaar aanraken was taboe, maar het voelde heerlijk aan!
En wat een wijsheid kwam er los, een wijsheid die volstrekt onbekend was in onze godsdienst. We vonden dat we heel wat gemist hadden juist door die godsdienst, dat de hele mensheid heel wat gemist had door de wijsheid van vrouwen te onderdrukken... Deze godsdienst, en mogelijk ook andere godsdiensten, (wat wisten we daar vanaf?) waren een misdaad voor vrouwen en dus ook voor mannen.
Er waren natuurlijk altijd vrouwen bij die hun stonden hadden. In het begin hadden die nog neiging om zich af te zonderen, maar daar hadden we geen oren naar. Ze hoorden er net zo bij als de andere vrouwen. We ervoeren dat ook dit door mannen bedacht was: die strenge afzondering van vrouwen die haar stonden hadden, omdat ze onrein zouden zijn. Niemand mocht haar dan aanraken. Deed men dat wel, dan was Men zelf ook onrein, moest zichzelf isoleren en allerlei reinigingsrituelen uitvoeren. Voor ons was geen enkele vrouw onrein!
Nu ik het toch over rein en onrein heb: we liepen voor het grootste gedeelte langs de Jordaan en dus gingen we elke avond baden en onze kleren en haren wassen als dat zo uitkwam. Hoezo: onrein?
Er kwam een vrouw bij die schrijven kon, dat had ze van haar man geleerd. Teresa heette ze en ze had een hele rol papyrus van haar man, die schrijver was, meegepikt. Ze begon dingen op te schrijven. Mijn verhalen, mijn 'gezichten', de dingen die over leven en dood bij ons opkwamen. Veel van wat Maria aandroeg, Maria de wijze... Was Jezus niet voornamelijk geworden die hij was door háár?
's Avonds werd het pas echt gezellig: we staken op de binnenplaats van het huis waar we de nacht zouden doorbrengen een vuur aan en zongen en dansten, speelde op de fluit.
Ineens bleef ik stokstijf staan, midden in een wervelende dans. Ik was een oudere vrouw nu, zat aan een tafel in een kring vrouwen. Daar heerste net zo'n sfeer als bij ons op dit moment. Het was een vrouwenpraatgroep, die door een vrouw begeleid werd. Ze heette Miriam.
Ze hadden het over godsdienst en hoe mannen die helemaal bepaald hadden, waardoor het leven voor vrouwen zo slecht werd gehouden! Ze hadden het over ene Paulus en over dat verhaal van Martha en Maria, dat de mannen alles op alles gezet hadden om de uitspraken van die Paulus en de uitleg van dat verhaal te gebruiken om vrouwen onderdrukt te houden, dat die man veel kwaad gesticht had met zijn geschrijf over mannen die boven vrouwen staan... Ook spraken ze over een paus, ene Joannes die zoveel had willen veranderen, maar...
Ik kwam bij met de tranen stromend over mijn wangen. De groep was verschrikt ook blijven staan. De vrouwen kwamen meteen naar me toe:
'Wat is er gebeurd? Waarom sta je ineens te huilen, terwijl je net nog zo vrolijk was?'
'Waarom moet míj dat overkomen? Waarom moet ìk die last dragen?' Ik schreeuwde het uit.
Maria snapte het meteen:
'Heb je weer wat gezien?'
En ik vertelde halvetijd snikkend, terwijl iemand me troostend een warme hand op mijn rug legde, mijn verhaal. Ze waren een hele tijd stil.
'Kent iemand ene Paulus?' vroeg een vrouw, de kring rondkijkend.
'Nee, het is ook een onbekende naam.'
'Misschien moet ie nog geboren worden!' lachte een ander. Maar ze lachte alleen, niemand deed mee.
We hadden geen zin meer in dansen. We praatten nog wat na, beslisten eens te meer dat we met Jezus praten móésten, dat hij naar ons luisteren móést en gingen slapen. Mij lukte het aanvankelijk nauwelijks om de slaap te vatten. Maria, die naast me sliep, merkte mijn onrust op. Halverwege de nacht kwam ze naast me zitten, legde een hand op mijn voorhoofd, de ander op mijn buik. Heerlijk rustig werd ik ervan.
'Lekker warme handen heb je. Zou jij ook kunnen genezen? Mijn vloeiing was de volgende dag bijna over. Ik word er helemaal soezig van!'
'Ga maar lekker slapen, dan kun je er morgen beter tegen.'
Natuurlijk was ik weer te laat wakker: de hele groep vrouwen was al vooruit gegaan. Slechts twee waren er op mij blijven wachten. Teresa en Maria.
Na mijn ontbijt gingen we weer op stap. Het was nu echt druk op de weg. Ook veel mensen die op ezels naar Jeruzalem reden: dat waren de bofkonten, díé waren rijk!
Wij liepen met z'n drieën onze nieuwe liedjes en psalmen te zingen en dat viel op. Vooral vrouwen trokken we ermee aan, die dan natuurlijk weer het hele verhaal te horen kregen, waarna ze zich bij ons aansloten. Het waren bijna allemaal Joodse vrouwen, enkele ervan waren volgelingen van Jezus. Maar de naam van Jezus was inmiddels bij zowat iedereen
bekend.
Het werd weer net zo gezellig als de vorige dag en ons zingen en onze blijdschap, onze onderlinge warmte leek ons vleugels te geven.
Hadden mannen dat nou ook: zo'n band en zo'n warmte onder elkaar? vroeg ik me af. Ik zei het maar niet om de sfeer niet te bederven, maar ik kon het me niet voorstellen. Mannen kenden dit vàst niet! Het verbaasde me overigens wel dat je in een groep lang zo moe niet wordt.
Opnieuw: HIJ
Gedurende de tocht voelde ik me onrustig worden. Ik probeerde dat weg te lachen en te zingen, maar dat lukte nauwelijks. Ik begon me af te vragen of we die avond Jezus zouden zien, we moesten nog zo'n eind! Maria stelde me gerust:
'Laat dat nou eens los, geef het nou eens over. Ook al zou je hem niet zien: wat jij wil is goed en dat is voldoende. Méér hoeft niet als alles tegenloopt.'
Dat luchtte me op: ik wóú nog teveel... Het loslaten was een pak van mijn hart.
Die avond logeerden we bij een broer van mij. Wat was ik blij hem weer eens te zien! Hij was verbaasd mij, zo ver van huis, hier aan te treffen. We hadden heel wat bij te praten. Hij wist dat er vrouwen aankwamen, want er waren er al heel wat geweest en die hadden verteld dat er nog meer kwamen. Maar hij wist niet dat ik erbij was. Ja, Jezus was in de buurt, maar wáár wist hij niet... En waar Maria, onze zuster was wist hij ook niet: hij had haar nog niet gezien.
'Kom!' zei een vrouw, 'we gaan naar de marktplaats, onze liedjes zingen! Komen er vast nog meer vrouwen bij... '
Dat vonden we een goed idee en we gingen op weg, fris en monter alsof we niet al een hele dag gelopen hadden, namen wat hout mee voor een kampvuur en oefenden onze liedjes onderweg.
Op de marktplaats waren veel mensen, vrouwen en mannen. Ook veel vrouwen die ons vooruit gegaan waren. Nee, ze hadden nog niet met Jezus kunnen spreken, hij had gepreekt in de synagoge en was nu aan het bidden.
Ik besefte dat zij dan ook hier moest zijn en zocht en vond eindelijk mijn zuster Maria die me wat schuldbewust aankeek. Maar ik omhelsde haar.
'Ben je niet boos op me?'
'Helemaal niet, ik ben er zelfs gelukkig mee (Maria keek me ongelovig aan), want als dat niet gebeurd was, had ik dingen niet zo goed dóórgekregen! Had ik zoveel vrouwen niet bereikt...'
Daar snapte ze niets van. Ik zei dat ze nog wel het een en ander zou horen en sleurde haar mee in de kring. We dansten en zongen alsof we geen vermoeiende dag achter de rug hadden.
Ineens: daar stond hij, met een wat scheef hoofd en een donker gezicht luisterend, vroeg hij aan een vrouw vlak bij hem:
'Wat voor rare liedjes worden hier gezongen? Waar hebben jullie het over als je zingt over "Godin" en "vrouwen van de twintigste eeuw?"'
'Vraag háár maar,' gaf de vrouw zonder enige gebruikelijke gêne ten antwoord en wees op mij.
Toen zag hij mij en ineens zat ik opnieuw in de twintigste eeuw. Nu tegenover een priester. Ik werkte met hem samen. Hij was genezer en deed en zei dezelfde soort dingen als Jezus. Niet omdat Jezus die dingen gezegd had en deed, maar vanuit zijn eigen menszijn.
Deze man echter ging altijd heel kleinerend met mij om, omdat hij niets van mijn ervaringen en van vrouwen wilde weten. En ik liet me dat aandoen, omdat: 1. ik veel van hem leerde, ook door zijn vijandigheid; 2. hij het recht had om de dingen die ik hem te zeggen had, te weten te komen. En hoe kon hij dat als ik me weg liet sturen? Want dat zou hij doen als ik mijn mond open deed; 3. ik ging nooit bij iemand weg, tenzij ik weggestuurd werd.
Deze ochtend echter was de sfeer heel anders, ik voelde me gelijkwaardig aan hem, dat kwam niet van mij, maar van hem. Hij viel meteen met de deur in huis toen ik binnenkwam en zei:
'Ik heb vannacht van jou gedroomd.'
Ik dacht nog: 'wat een eer en hoe is het mogelijk, dat jij van mij droomt!' maar ik zei weer eens niets en wachtte af.
'Ik moest een examen doen waar werkelijk àlles, maar dan ook AL-LES vanaf hing, een kwestie van leven of dood! Ik moest vier klokken kunnen noemen en wist er maar drie: een torenklok, een horloge en een wekker. Ik was radeloos! Toen kwam jij binnen en ik vroeg het jou. Jij zei: "o, dat is een pendule!" Ik noemde de pendule en slaagde voor dat examen.'
Ik wist wat die pendule betekende en ook die droom, maar hield mijn mond omdat, als ik dingen zei die hem niet bevielen, ik gewoon weggestuurd werd, zoals twee keer eerder gebeurd was. Bovendien zaten er over een kwartier weer zieke mensen uit het hele land te wachten op behandeling: ik mocht hem niet kwaad maken.
Ik kwam weer bij en zag in zijn ogen dat Jezus hetzelfde gezien had! Ze stonden groot en donker, verbijsterd en ook bang. Ja: bang. Hij kwam op me toe:
'Wat is er aan de hand? Waarom zag ik dat en wat betekende dat?'
Ik bleef hem aanstaren, opnieuw woordeloos, hijgend van verbijstering, moest zelf nog verwerken wat ik net gezien had.
'Ik mag mijn mond niet meer houden, want dat kan vreselijke gevolgen hebben, dàt betekent het! En dat gebeurt wel in die verre toekomst als jij dingen nú niet wil horen.'
De vrouwen waren gestopt met zingen en kwamen allemaal om ons heen staan. Iemand legde een stevige, warme hand op mijn schouder. Ik keek wat opzij en zag vanuit mijn ooghoek dat het Teresa was. Ik legde mijn hand even op de hare.
Met een bevreemde blik keek Jezus om zich heen. Zag diverse vrouwen die hij ergens van genezen had, andere die hij kende van zijn verblijven her en der. Het was een grote groep. Dit had hij nog nooit meegemaakt. Hij keek lichtelijk bevreesd: voelde hij zich bedreigd?
Ik pakte hem bij zijn arm en nam hem en Joannes, die bij hem was, buiten de kring mee naar een rustige plek. Iemand riep nog zoiets van:
'We kennen allemaal jouw verhaal, blijf maar rustig hier hoor!'
Ik ging even naar de vrouw toe en zei haar dat ik dat conflict van een paar dagen terug in Magdala met Jezus persoonlijk uit wilde praten, dat hij daar recht op had. Ze knikte. Ik keerde me om, liep naar de twee wachtende mannen. Riep haar nog even toe:
'We zijn zó terug!'
Maria en Teresa kwamen ons achterna, maar bemoeiden zich verder niet met het gesprek, gingen op een kleine afstand achter mij zitten. Toen begon ik te praten...
Ik vroeg hem waarom hij gedacht had dat Maria beter gekozen had dan ik? Omdat hij de zorg voor de ziel belangrijker vond dan de huishoudelijke zorg? Maar er moest toch gegeten worden, en waarom liet hij mij daar alleen voor opdraaien? Waarom kwam hij zelf mij niet helpen? En hoe wist hij zo zeker dat Maria echt voor haar zieltje aan zijn voeten zat? Wist hij dan precies waaròm ze daar gezeten had? Of je iets goed of niet goed doet gebeurt toch door het waaròm!" zei ik met nadruk
Wist hij wat ik gevóéld had toen hij me terug verwezen had, de keuken in?
'Ik heb jou niet terug verwezen Martha. Ik heb alleen gezegd dat Maria het beste verkozen had.'
'Maar je wou toch ook eten en daar moest ik voor zorgen!'
'Wat zit je nou te zeuren! Was er dan bij komen zitten!'
Ik raakte weer in de war: dat had ik willen doen immers: erbij gaan zitten.
'Maar het eten dan?'
Toen voelde ik weerzin en irritatie in mijn lijf opkomen en uitte, gebruikte dat:
'Als mannen geen raad weten met dingen die vrouwen zeggen of vragen, noemen ze dat altijd zeuren! Meen je dat nou dat ik erbij had moeten komen zitten? Je kunt een berg eten voor vijftien man toch niet laten bederven... En iedereen heeft er wel goed van gegeten toen het alweer door een vrouw, jouw moeder klaargemaakt was... En wat heeft jouw boodschap voor zin als huishoudelijk werk en zorgen voor anderen, als vrouwen die dat doen niet in jouw boodschap passen? Er zullen altijd kinderen geboren worden die verzorging en opvoeding en kleertjes nodig hebben… Is dat minderwaardig?
Kun je je niet voorstellen dat het veel beter was geweest als een paar van jou sterke vissers de maaltijd hadden klaargemaakt? Zouden die er zoveel minder van geworden zijn?
Ik heb het gevoel dat je alles weer naar mij zit terug te schuiven. Lazarus en mijn vader waren daar ook altijd zo handig in... En datzelfde hoor ik van al die andere vrouwen... Mannen zijn handig in het dingen terugschuiven naar de vrouw, in het haar alle schuld op de nek leggen.
Wanneer gaan mannen eens over zichzelf nadenken en over hoe ze met vrouwen omgaan? Wanneer ga JIJ eens nadenken over hoe JIJ met vrouwen omgaat? Vráág je haar wel eens iets? Wat weet je van vrouwen? Horen ze er wel ècht bij? Wanneer ga jij daarover eens preken: dat mannen anders met vrouwen om moeten gaan? Naar haar moeten luisteren, haar dingen vragen… Waarom heb je twaalf mannelijke apostelen en wordt een vent als Petrus, die zijn eigen gezin in de steek liet, net als Boeddha, het hoofd van jouw kerk? Welke plaats krijgen vrouwen in jouw kerk? Weet je wat ik gezien heb, hoe jouw kerk er in de twintigste eeuw uit gaat zien?'
Alles kwam eruit, met verbijstering, woede, verdriet en teleurstelling, met angst voor die verre toekomst, met overtuiging van dat het ànders moest, dat vrouwen belangrijke dingen te zeggen hadden, dat er naar haar geluisterd zou moeten worden! Dat vrouwen kostbaar waren!
Dat godsdiensten altijd vrouwen onderdrukt hadden, dat deze nieuwe kerk dat niet mocht doen! Deze kerk, begonnen door hèm en die zó invloedrijk zou worden dat zelfs de jaartelling eraan aangepast zou worden!
Toen ik uitgepraat was, bleef Jezus een hele tijd stil. Ik zag van alles op zijn gezicht zich afspelen. Ten slotte stond hij op, nam me bij de hand en trok me omhoog. Hij omhelsde me en bromde in mijn oor:
'Je hebt gelijk Martha, er moet van alles veranderen. Het spijt me dat ik niet eerder naar vrouwen als jij en mijn moeder geluisterd heb! Maar misschien is het nog niet te laat. Kom,' en hij nam me bij de hand en we gingen terug naar de anderen. Die stonden zwijgend aaneengerijd te wachten tot we weer in het midden van de kring terug waren.
'Ik weet niet wat ik zeggen moet,' zei Jezus, de kring rondkijkend, 'er moeten dingen veranderen. Allereerst moet ik nu ook vrouwen hebben die mijn apostelen zullen zijn, mijn apostinnen. Willen jullie zelf die twaalf aanstellen? Jullie kennen elkaar het beste. Ik helaas nog niet voldoende. Dat zit als een plank voor mijn kop. Ik hoop nog voldoende tijd van leven te krijgen om jullie beter te leren kennen en veel van je te leren. Eigenlijk hebben jullie zelf al een kerk, eentje die veel sterker is dan die van mij! Jullie hebben mij niet nodig!'
'Wij hebben jou wèl nodig!' riep iemand hartstochtelijk uit, 'jij hebt de apostelen, mànnen, die alles verder uit zullen dragen. Mannen hebben het overal voor het zeggen, dus móéten we mannen hebben, want vrouwen alléén, ook al zijn ze met z'n honderdduizenden, worden gewoon van het toneel weggevaagd!'
Bezeerd keek Jezus haar aan. Keek dan haastig om zich heen:
'Ik moet de apostelen spreken. Helaas zijn de meeste al ver vooruit om ons verblijf in Jeruzalem te regelen. Maar in Jeruzalem zal ik met hen praten. Ze moeten ook naar jullie leren luisteren, jullie dingen leren vrágen, want,' de kring rondkijkend, 'jullie blijken méér volgeling van mij te zijn dan al die mannen die me totnutoe achterna gelopen zijn! Dat ik zó blind ben geweest!'
Die nacht werd er nog heel wat gepraat en weinig geslapen. Dat deerde me niet, ik werd niet moe. De vrouwen kozen naast Maria en mij elf vrouwen uit ons midden. Er waren er van allerhande soorten: een paar ongetrouwde zoals ik, een paar weduwen, een paar vrouwen van wie de kinderen het huis uit waren en die zich nu vrij genoeg voelden om dit bevrijdende werk te gaan doen en ja: ook een paar jonge moeders. Die hadden zelf veel moeite met dat gekozen-worden. Ze wilden naar haar kinderen terug, zoals vrouwen altijd de zorg voor de kinderen voorop gesteld hebben. Wij vonden dat geen probleem: in haar eigen omgeving konden ze nog meer dan genoeg doen. Ze zouden zoveel mogelijk contact met elkaar en met ons houden. Ik zou iedereen zo dikwijls mogelijk opzoeken.
Met Teresa sprak ik af dat ze me schrijven en lezen zou leren, zodat ik dingen ook zelf op kon schrijven. En ik maakte al het plan om een boek te schrijven over wat nu allemaal gebeurd was met de voorgeschiedenis ervan.
Tegen dat de maan onder ging, gingen we pas slapen.
Naar Jeruzalem
Toen ik wakker werd, stond de zon hoog aan de hemel. Iedereen was al vroeg weg. Men had mij opnieuw uit laten slapen. Alleen Teresa en Maria waren hier gebleven. Zelfs de vrouw van mijn broer was mee naar Jeruzalem gegaan. Ze zouden er inmiddels al wel zijn: het was ongeveer 'n halve dag lopen van hier.
Ik was graag meegegaan, maar dat was nou eenmaal niet gebeurd.
Na mijn ontbijt vertrokken wij. We konden nog ruim vóór het begin van de sabbat in Jeruzalem zijn. Ik nam hartelijk afscheid van mijn broer en stapte het zonlicht tegemoet, vol verwachting van wat we in Jeruzalem zouden aantreffen, vol hoop dat we de apostelen óók zouden kunnen doen begrijpen dat...
De lange mars leek een klein wandelingetje. We zongen en praatten de hele weg vol. Ruim voor de avond viel, liepen we de stad binnen en gingen meteen naar de tempel, want het kon niet anders of Jezus zou daar zijn gaan preken. En dat was ook zo.
Jeruzalem
Wat een drukte daar zeg! Het leek wel of de hele stad uitgelopen was. Maar de stemming was zeer verward. Dat kwam zeker door de farizeeën, die zaten altijd te zoeken of ze Jezus niet ergens op konden vastpinnen. Dan schreeuwden ze hun kritiek of hun rottige vragen overal doorheen. Dat waren echte sfeerbedervers.
Maar toen ik rondkeek zag ik méér mannen zo afwijzend kijken. Ojee! Jezus had het over vrouwen en dat die waardevol waren, dat er naar haar geluisterd moest worden, dat haar dingen gevráágd zou moeten worden.
Ik zag mijn zuster Maria. Die was jaloers, ja die was jaloers! Ze keek me giftig aan, maar ik knikte haar vriendelijk toe, alsof ik dat gif niet opgemerkt had.
Toen viel mijn blik op Petrus. Wat keek die vies zeg! Voelde die zich bedreigd of zo? Was hij bang voor zijn baantje als voorman van de nieuwe kerk? Kennelijk had Jezus zijn apostelen nog niet kunnen voorbereiden op deze nieuwe richting. Voor hen kwam dit als een donderslag bij heldere hemel. Later hoorde ik dat Jezus zijn prediking met het hele verhaal vanaf die weigering was begonnen. Daar waren ze zelf bij geweest, bij de scene in ons huis in Magdala...
Ineens zat ik in mijn auto, ja, zo heette dat: auto. En ik had de radio aan. Dat vond ik heel gewoon, maar nu vind ik het krankzinnig: een ding op vier wielen dat vanzelf rijdt en een kastje waar geluid uit komt, muziek, stemmen. Er was iemand aan het spreken met een vrouw en ja hoor: ze hadden het weer over mijn verhaal.
Die vrouw was een feministische theologe. Zoiets als een schriftgeleerde, maar dan een die de geschriften naar vrouwen toe uitlegt. Die vrouw beweerde dat Jezus aan mij geweigerd had om de hulp van Maria te vragen, omdat hij het huishoudelijk werk niet wilde idealiseren! Want dat was in allerlei godsdiensten en culturen altijd al gedaan om vrouwen te kunnen onderdrukken en het zou opnieuw misbruikt worden om vrouwen erop vast te pinnen...
Ik was weer helemaal in de war toen ik terug was. Was het in die eeuw zo dat Jezus koste wat kost vlekkeloos, zonder fouten afgebeeld moest worden? Ook door vrouwen? Was het zó erg geworden?
Ik zakte verlamd in elkaar en kreeg een nieuw visioen: ik zat in een bijbel te bladeren en vond er niet wat ik zocht: het juiste verhaal over mij en 'mijn' vrouwen. Laat staan dat er ook maar één woord van het evangelie volgens Martha in stond, alsof verder mijn bestaan en dat van al die honderden vrouwen hier was uitgewist, alsof er verder niets gebeurd was...
Ook mijn brieven stonden er geen van allen in en ik had er heel wat geschreven aan allerlei gemeenten en personen!
En Tomas dan? Die ongelovige was van een ander soort gebleken dan de andere schrijvers, net als Joannes! Tomas had eveneens een heel boek geschreven. Waar was dat gebleven? Ik had veel met hem samen gereisd en we hadden grote groepen bekeerlingen gemaakt... En Joannes? In zijn boeken, brieven en openbaringen stond ook niets over vrouwen. Zelfs 'mijn' verhaal niet... En ik wist zeker dat hij daar wèl over geschreven had! Was dit allemaal zorgvuldig uitgedund en uitgepoetst door latere 'theologen'?
Toen ik de grond raakte was ik weer bij. Maria en Teresa stonden over me heen gebogen.
'Gaat het meisje? Heb je weer wat gezien?'
Ik begon te huilen:
'Ik kan dit niet verdragen, ik kan het niet áán!' Ik poogde op te staan, maar ik leek wel verlamd.
Ineens stond Jezus over me heen gebogen. Hij nam me bij de hand, hielp me opstaan. Nam me mee naar het altaar voorin, waar het heiligschennis was als daar een vrouw kwam, zette me rechts naast zich en zei:
'Ik heb je over Martha van Magdala verteld. Welnu, dit is Martha van Magdala. Deze vrouw moet geëerd worden in die zin, dat ze gerespecteerd wordt omdat ze een eer-lijk mens is en dat er naar haar geluisterd moet worden, dat haar en andere wijze vrouwen zelfs dingen gevraagd moeten worden. Naast Petrus zal zij de eerste zijn van mijn kerk!'
Ik keek naar Petrus en ging haast onderuit van ellende: die wilde dat niet! Een vrouw naast zich, dat kòn niet! Hoe moest ik met zo'n vijand samenwerken? En als hij niet wilde, dan zou alles zo lopen zoals in mijn gezichten! Ik stootte midden in een zin Jezus aan:
'Kijk eens naar het gezicht van Petrus! Hoe kan ik met zo iemand samenwerken? De andere apostelen zien er ook niet zo enthousiast uit. Hoe moet dat verder als jij er niet meer bent?'
Toen schrok ik: "als jij er niet meer bent" had ik gezegd. Wat betekende dat?
Jezus keek me met grote ogen aan alsof hij met me mee gedacht had. Hij knikte eventjes om mij duidelijk te maken dat het klopte wat ik dacht,: hij zou niet lang meer leven. Maar hij zei toch:
'Ik zal vannacht nog met hen apart spreken, het móét anders! Ik zet hier nu een punt achter. Willen jij en een paar andere vrouwen mij helpen met handopleggen, want ik weet dat jullie ook kunnen genezen. De apostelen moeten het via mij hebben, maar jullie kunnen het zelf.'
Ik keek hem verrast aan, keek naar mijn handen: dieproze en warm. Ik legde ze even rond mijn gezicht: het leken wel kooltjesvuur!
'Ik wil je graag helpen, Jezus! En verder moeten dingen maar lopen zoals ze lopen!'
Hij glimlachte slechts als antwoord.
Veel mensen werden genezen of voelden zich al een stuk beter.
Discussie
Toen iedereen weg was, gingen wij, Maria, Teresa, Jezus en de apostelen naar het huis waar Jezus logeerde. Daar werd het een heftig debat tussen Jezus, Joannes en vrouwen aan de ene kant en de apostelen als tegenstanders. Ze voelden zich van hun plaats verdrongen. Vroegen zelfs aan hem wie er na de dood naast hem zou zitten in de hemel... Nou vráág ik je! Ik snapte niet waar dat op sloeg, want het gaat er niet over hoe het er na dit leven uitziet, het gaat erom of je nu eerlijk bent en dan maakt het immers niet uit hoe het is als je dood bent!
Op een gegeven moment zei Jezus:
'Ik heb je over de gezichten van Martha verteld. Als het zo gaat gebeuren, als er niets verandert, worden vrouwen nòg twintig eeuwen onderdrukt, twintig maal honderd jaar, twintig maal vijf, zes generaties! Willen jullie dat? Willen jullie vrouwen dat aandoen? Nou, ik zeg je (met nadruk): ik wil dat niet op mijn nek hebben als ik straks aan het kruis hang.'
Ik schrok en zag het toen: hij zou gekruisigd worden! Maar dat kon toch niet: heel het volk stond achter hem! Ze hadden hem vanochtend ingehaald als een vorst! Het was een uitbundig feest geweest! Alhoewel: toen Jezus in de tempel zo waarderend over vrouwen sprak, begonnen er nogal wat mannen weg te lopen die hun vrouwen en dochters meesleurden... En in de ogen van de farizeeën, die altijd om Jezus heen hingen om hem ergens op te kunnen vangen, blonk regelrechte moordlust.
Nu voelde ik een huivering door de groep gaan: mannen zowel als vrouwen. Iedereen keek verschrikt en benauwd.
'Ik zal niet lang meer bij jullie zijn en dan wil ik dit rechtgezet hebben.'
Er ontstond tumult. Verscheidene apostelen sprongen op en begonnen druk gesticulerend door elkaar heen te schreeuwen. Dat duurde eventjes, tot Petrus stoer tegenover Jezus ging staan, al zijn spieren breeduit opgespannen, en hem luid zei:
'Maar dat sta ik niet toe, ik zal je hoogstpersoonlijk verdedigen tot de laatste druppel bloed!'
Jezus zei:
'Je spreekt gemakshalve over mijn dood, maar dat is niet het belangrijkste. Ik sprak je over vrouwen. Dàt is belangrijk!'
De opgeblazen plumpudding van Petrus zakte terstond in elkaar tot een bordje dunne pap.
Ik keek eens naar de vrouwen: opvallend hoe ànders die reageerden dan de mannen: ze zaten verslagen, wit weggetrokken. En de machteloosheid en het verdriet in haar ogen spraken boekdelen.
Jezus zag Petrus somber en medelijdend aan en zei:
'Nee, Petrus. Als de haan kraait, zul je drie keer gezegd hebben dat je mij niet kent.'
Als het al mogelijk was, werd Petrus nu nog kleiner. Maar hij blies zich weer op en zei:
'Dat zal nooit gebeuren!'
Toen viel mijn oog op Judas. Díé keek gemeen! Hij verwijderde zich in de chaos onopvallend uit de groep, schoof zachtjes de deur uit. Ik keek naar Jezus, die mij een bijna onmerkbaar hoofdknikje toestuurde: hij had Judas ook zien verdwijnen. Ik stond op en liep weg, achter Judas aan. Buiten moest ik hollen om hem met zijn lange passen in te halen. Snakkend naar adem hield ik hem staande, greep hem sprakeloos bij de schouders, maar hij begon me uit te schelden, nog vóór ik een woord gezegd had, rukte zich los.
'We hadden het zó goed met Jezus en nu is alles door jullie gezeur en gedram kapot gemaakt. Maar ik zal zorgen dat dat niet verder gaat!'
En hij gaf me een stomp, zodat ik viel en holde hard weg.
Terneergeslagen ging ik terug naar het huis. Dat zag er niet goed uit. Wat is 'niet goed'? Wie bepaalt wat niet goed is? Zijn slechte, nare dingen vanzelf ook 'niet goed'? Ik had het toch zelf meegemaakt toen Jezus mijn verzoek afwees. En wat was er niet uit voortgekomen! Een omwenteling, een revolutie! Ik rechtte mijn rug. Het gaat erom hoe je met slechte dingen omgaat, als je maar eerlijk blijft, worden die nare dingen iets goeds! Dat luchtte me op en er kwam een diepe rust over mij. Lichtvoetig sloeg ik het pad in naar de voordeur.
Toen ik in de warme, lichte ruimte terug kwam, was er iets veranderd. Iedereen keek op en ik zag in de gezichten een ander licht doorbreken. Jezus had hen kennelijk kunnen raken! Dingen-goed-zeggen was blijkbaar ook een vorm van genezen. Maar dan moeten mensen het wel willen horen! Dat was hier gebeurd, tot mijn grote opluchting.
Niet lang daarna gingen we slapen.
Een goede week!
De rest van de week preekte Jezus dagelijks in de tempel en genas veel mensen. Wij hielpen hem bij de handoplegging. Veel mensen begonnen te wennen aan zijn manier van spreken over vrouwen! Dat was vast nieuw in de geschiedenis.
Ook liet hij telkens een van ons aan het woord. In het begin zag je in de gezichten argwaan, afkeer, afwijzen, vooral in die van mannen. Maar dat begon zoetjesaan te veranderen. Vrouwen waren er vlot in, ze straalden warmte en interesse uit. Natuurlijk waren mannen daar het laatste in. Er bleven er vele argwanend en afwijzend.
's Avonds maakte hij het niet zo laat, om nog lang met ons en de apostelen te kunnen spreken. De apostelen bleven het er moeilijk mee hebben dat vrouwen gelijkwaardig naast hen kwamen staan. Als je zo van kleinsaf beïnvloed bent, ben je al die gewone afwijzende en minachtende reakties niet in één dag kwijt. In feite hadden ze het nòg niet goed in de gaten, bleven ze dat gevoel houden van: vrouwen zijn minderwaardig.
We kwamen dan ook moeilijk aan het woord: zij voerden steeds de boventoon, zelfs als ze het over ons hadden. Het bleek slecht te verteren voor hen dat wij ook dingen te zeggen hadden. Telkens moest Jezus hen tot de orde roepen, als een apostin weer eens het woord afgepakt werd. Ze wilden dan wel anders, maar we waren er nog lang niet!
En de apostinnen lieten zich te gemakkelijk afbekken, ze moesten nog helemaal leren durven haar mond open te doen in het bijzijn van mannen. En vooral leren durven hen tegen te spreken...
Alleen Joannes was uit ander hout gesneden. Dat was net een vrouw, zo gevoelig en eerlijk! Ook Tomas kwam snel bij.
Jezus bleef hameren op hun gevoel voor eerlijkheid. Hij leerde hen dat ze zich best rot mochten voelen, maar liet hen zien dat hun houding en hun gevoel tegenover vrouwen hen zo aangeleerd was. Niet alleen door de ouders, maar door de hele maatschappij en de godsdienst.
'Volwassen mensen,' zei hij, 'horen altijd en overal de waarheid boven te halen. Dat probeer ik jullie al zo lang duidelijk te maken. Totnutoe lukte het je al aardig. Maar zie het waarderen van vrouwen als een soort laatste stap. En je moet nu niet braaf mee gaan zitten praten omdat ik erbij ben... Als ik er niet meer ben, moet je dóórgaan met het afbreken van je eigen ideeën en verkeerd gegroeide gevoel. En dan moet je dóórgaan met het waarderen van vrouwen, het haar dingen vragen! Als je het doet òm mij, houdt alles op als ik dood ben.'
Al met al begon er gedurende die week toch een warmere sfeer te groeien en we keken hoopvol uit naar het paasmaal! Jezus had een paar jongens een zaaltje laten regelen en we hadden allemaal het gevoel dat het iets heel bijzonders zou worden! Alleen had ik er een onprettig voorgevoel bij, wat ik echter steevast wegredeneerde met: 'niet zo somber, wat kan er nou helemaal gebeuren als we met zo veel zijn?'
Judas echter keek vreemd uit zijn ogen, ik vertrouwde hem niet. Jezus echter ging gewoon met hem om, alsof hij niet in de gaten had dat Judas een of ander vies plan aan het uitbroeden was.
Het paasmaal
Dat was een feestelijke bijeenkomst, dat paasmaal! Er viel geen onvertogen woord. Iedereen was vriendelijk en hartelijk. We zaten met z'n vijfentwintigen aan tafel: Jezus, twaalf mannen en twaalf vrouwen. Mooi toch! We zaten ook door elkaar, niet de mannen op een kluitje en de vrouwen op een ander kluitje. Dat had Jezus ook zo laten regelen. Eventjes leken de mannen te willen protesteren, maar dat werd al gauw vergeten. Nee, we waren er nog niet, maar de wil was er al wel.
We hadden veel plezier en de wijn was lekker.
Op een ogenblik viel iedereen stil. Zomaar ineens. We keken gezamenlijk naar Jezus, alsof hij iets gezegd had, maar dat was niet zo. Hij zat heel rustig en keek naar het brood, de wijn voor hem. Er hing een intense stilte vol verwachting van wat er komen ging.
Toen keek hij de kring rond met een warme glimlach. Jezus nam het brood, dankte God (we hadden nog geen ander woord voor de god/godin gevonden) brak het brood en zei:
'Neem hiervan, dit is mijn lichaam, mijn kracht, mijn leven,' en hij deelde het uit. Iedereen at zwijgend zijn stuk op. Het voelde heel warm aan, het tintelde door heel mijn lichaam, het zat echt vol met zijn kracht.
Toen nam hij de beker met wijn en zei:
'Drink hiervan, dit is mijn bloed, mijn kracht, mijn leven dat spoedig vergoten zal worden, om voor jullie de toekomst open te maken.'
We dronken elk een slok en opnieuw tintelde het door mijn hele lichaam heen.
'Dit moeten jullie ook doen, precies zo.'
Ik vond dat zó logisch: als hij het kon, konden wij het ook, dat klopte als een bus. Het gold voor iedereen die eerlijk leefde.
Toen zei hij met een glimlach:
'Dan denk je nog eens aan mij!' Iedereen moest lachen, ondanks het plechtige ogenblik. Toch zei Petrus nog iets van dat hij zich niet moest laten vangen, dat hij dan moest vluchten. Maar Jezus zei hem:
'Je begrijpt er nog niets van! Dingen moeten lopen zoals ze lopen, zelfs als het je de kop kost! Het is niet erg om dood te gaan. Want wie eerlijk leeft, leeft gewoon door. Ik zal altijd bij jullie zijn als je me nodig hebt.'
Ik vond dat alweer zo logisch: dood is niet dood, het is
alleen maar anders...
Toen zei hij dat er één bij was die op het punt stond hem te verraden aan de farizeeën. De mannen schrokken allemaal. Hadden ze geen van allen dan een zuiver geweten? Ze begonnen te vragen, allemaal hetzelfde, alsof ze het afgesproken hadden:
'Ben ik het? Ben ik het?'
Judas echter zei niets. Jezus keek hem aan, gaf hem een stuk brood wat hij in de wijn gedoopt had en zei:
'Ga heen Judas, ga doen wat je doen moet!'
Judas nam het brood en verdween.
De warme sfeer was weg en Jezus zou gewoontegetrouw naar de Hof van Olijven gaan om te bidden. Hij wilde dat wij, Maria en ik en de andere apostinnen naar het huis gingen, omdat we een lange, zware dag achter de rug hadden. Alleen Petrus, Joannes en Jacobus nam hij mee.
Hij nam afscheid van ons. Zijn moeder Maria omhelsde hij, mij nam hij bij beide handen en keek me woordeloos, hulpeloos lang in de ogen. Ik moest ervan huilen, voelde dat dit voorgoed voorbij was, was bang om wat komen moest... Mijn zuster Maria omhelsde hij ook, als een geliefde vriendin. Zonder verder nog iets te zeggen keerde hij zich van ons af en verliet het vertrek.
Ik vond het lichtelijk vreemd dat hij toch weer alleen mannen meenam. Later begreep ik dat hij ons de gebeurtenissen had willen besparen die in de Hof en daarna zouden plaats grijpen...
Zwijgend gingen we naar het huis waar we logeerden. Het was er zo leeg zonder hem. Het voelde voor mij net of hij al dood was, maar die verschrikking moest nog komen.
Zwarte vrijdag
We sliepen niet die nacht, zaten sprakeloos, verkleumend bij elkaar. Ten slotte gingen we tegen de ochtend naar buiten, wat lopen. Waarheen wisten we niet. We kwamen als vanzelf bij het paleis van Pilatus. Een woedende menigte stond voor het verhoogde terras, opgezweept door hitsende mannen die zich her en der verspreid hadden onder het volk.
Toen werd Jezus buiten gebracht. Wat zag hij eruit! Hij zat onder het bloed en droeg een bos doorntakken op het hoofd. Pilatus zei de menigte dat hij hem had laten geselen en vond dat dat genoeg was. Maar de mensen brulden dat hij gekruisigd moest worden!
De vrouw van Pilatus kwam het terras op en zei haar man dat hij Jezus vrij moest laten, omdat ze in een droom die nacht veel om hem geleden had. Ik kende haar wel: ze kwam nogal eens luisteren naar Jezus, stiekem, een beetje vermomd. Een vrouw van een landvoogd mocht zich toch zeker niet aansluiten bij een opstandige sekte! Maar haar smeken hielp niet.
Ten einde raad liet Pilatus een ter dood veroordeelde moordenaar brengen en vroeg de mensen te kiezen tussen hem en Jezus. Maar ze schreeuwden dat hij Barnabas vrij moest laten.
Toen liet Pilatus een kom water brengen, waste zijn handen en zei dat hij onschuldig was aan het bloed van deze man. De menigte schreeuwde als één man:
'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!'
Pilatus kon niet anders meer dan Jezus door soldaten laten wegvoeren.
Jezus kreeg een kruis op zijn schouders. Dat zware kruis moest hij zelf dragen, op zijn met bloed doorweekte, zwaar verwonde schouders. De menigte trok joelend achter hem aan. Het kruis bonkte over de bollende kasseien: sleep bonk, sleep bonk. In het begin ging het nog redelijk vlug, maar dat begon al spoedig af te zwakken: sleeep bonk, sleeep bonk. Een vreselijk gehoor. Ik voelde me machteloos en verdrietig en ook woedend. Maar wat konden wij, verguisde en zwakke vrouwen uitrichten tegen zo'n soldatenovermacht? Ik hoopte alleen maar dat Jezus nog vóór Calvarië zou sterven onder deze loden last, dat hem die kruisdood bespaard zou blijven.
We liepen allemaal te schreien, konden het niet aanzien. Daarbij hadden we het gevoel dat al onze hoop vervlogen was, de hoop, die we op hem gevestigd hadden. Wij poogden telkens dicht bij hem te komen, om misschien iets voor hem te kunnen doen, maar we werden door de soldaten keihard van hem weggeslagen.
Drie keer viel hij, het zware kruis bovenop zijn zere rug, werd met de zweep geranseld tot hij weer opstond... Sleeeep bonk, sleeeeeep bonk. Een van ons, Veronica, zag toch kans tussen de soldaten door te glippen en bij hem te komen, droogde zijn bebloede en bezwete gezicht af met een doek. Toen ze de doek openvouwde, stond er duidelijk het gezicht van Jezus op afgedrukt!
'Wees niet bedroefd, schrei niet over mij,' zei hij ineens, onverwacht luid en duidelijk toen we halverwege de stad en de Calvarieberg waren, 'schrei over jezelf en je kinderen!'... En er ging een grote kracht van hem uit. Dat troostte ons en we schreiden niet meer. Niemand had er trouwens wat aan. Voor hem kon het zelfs een belasting zijn: dat verdriet van ons. We droogden onze tranen.
Schuin voor mij liep Joannes, hij ondersteunde Maria, Jezus' moeder. Voor haar moest dit ook een hel zijn. Eens moeder, altijd moeder... Haar haren waren ineens spierwit geworden, verbijsterde het mij.
Joannes... maar waar waren de andere apostelen? De andere tien, rekende ik vlug uit: Judas had zich opgehangen hoorden we. Ik keek rond, maar zag ze nergens.
Ik zat ineens in een auto, naast een paus, ene Joannes de vierentwintigste. Eindelijk een paus die het voor vrouwen opnam. Hij had mij naar Rome gehaald om hem te helpen de kerk om te gooien en er een genezende, verlossende, bevrijdende kerk van te maken. Een grote kracht zinderde door mij heen: óók een gevolg, al was het twintig eeuwen verderop: alles zou niet verloren zijn... Ik keek op, zag Jezus mij aankijken en hij glimlachte. Ondanks de pijn en de dodelijke vermoeidheid op zijn gezicht, glimlachte hij!
Ik zat weer naast die Joannes en zei:
'Toen Jezus gevangen genomen was, was hij ineens voor de apostelen een verliezer! Er was er geeneen te zien toen hij zijn 'vrienden' zo bitter hard nodig had! Alleen vrouwen liepen schreiend achter hem aan! Mannen noemden zich zijn vrienden, maar het waren mannen die hem ter dood voerden. Nergens vrienden...'
En er kwamen méér beelden. Oorlogen van mensen die zich volgelingen van Jezus noemden tegen andere volgelingen. Mensen? Nee: mànnen! Altijd weer mànnen! En in alle godsdiensten zou het zo gaan.
Dit was ondraaglijk. Ik keek opnieuw naar Jezus, maar hij viel weer, als onder die loden last. Een man uit het volk werd gedwongen het kruis mee te dragen. Dat was een schande: een kruis mee dragen van een veroordeelde was bijna net zo erg als zelf veroordeeld zijn.
Uren duurde de tocht die normaal maar een korte wandeling was. Nog één keer keek Jezus mij aan en zond mij de woorden:
'Die twintig eeuwen zijn jouw verantwoording niet, ook de mijne niet. Alleen jouw leven is jouw verantwoording. Maar aan het eind van de twintigste eeuw zal alles eindelijk recht getrokken worden!'
Op de Calvarieberg aangekomen werden wij teruggehouden door de soldaten. Er waren al drie kuilen gegraven voor de kruisen van de drie veroordeelden. Twee moordenaars die tegelijk met hem opgehangen zouden worden, waren op hem vooruit gelopen, omdat ze niet gegeseld waren en dus nog krachtig en gezond. Die waren inmiddels al opgehangen. Hun gebrul was van veraf te horen. Af en toe hing er een bewusteloos, tot hij weer bijkwam en opnieuw van pijn begon te brullen.
Het kruis werd op de grond gelegd en Jezus werd erop vastgehamerd. Vreselijk die hamerslagen, Jezus raakte bijtijden bewusteloos. Bij het oprichten van het kruis vloog Maria naar voren. Joannes poogde haar terug te halen, maar dat lukte niet. Ze rukte zich van hem los en viel het kruis om de voeten. Een soldaat trok haar er vanaf. Ze werd echter niet weggestuurd. Zodoende stonden Joannes en Maria aan Jezus' voeten toen hij tot hen sprak:
'Vriend zorg voor moeder, moeder leer Joannes alles wat hij weten moet! Alsof hij je zoon is!' Toen hief hij moeizaam zijn hoofd in mijn richting, glimlachte opnieuw en zond mij sprakeloos de woorden toe:
'Bedankt voor je bloed, het heeft veel schoon gewassen!' Toen knikte zijn hoofd voorover in een nieuwe bewusteloosheid.
Even later riep hij uit:
'Moeder-god, vergeef hen want ze weten niet wat ze doen!'
Tegen een uur of drie werd het donker. Het begon te onweren en te bliksemen. Op die tijd scheurde het voorhang van de tempel, terwijl Jezus met zijn laatste krachten uitriep:
'Moeder-god, in Uw handen beveel ik mijn geest!' En hij stierf.
Hoe vreselijk ik het ook vond, ik was toch blij dat hij eindelijk uit zijn pijn verlost was. Nu zou alles van òns afhangen. Hoe moest dat met zulke apostelen die al zó spoedig, nog vóór Jezus' dood het bijltje erbij neergegooid hadden? Ik besloot dat Jezus gelijk had met: dat is jouw verantwoording niet. Als ik de volle verantwoording voor mijn leven maar op me nam...
Droefenis
Jezus' lichaam werd afgenomen. Even lag het op Maria's schoot... Ze had geen tranen, maar mijn hart brak bij het zien van haar intense droefenis. En ik dacht: 'daar krijg je een kind toch niet voor, daar laat je toch geen kind voor geboren worden, om het te laten ombrengen omdat het zo'n goed mens is...!'
Het lichaam werd begraven in een nieuw graf van Jozef, een volgeling van hem. De zware steen werd ervoor gerold. Toen pas gingen we naar huis...
Daar vonden we de tien. Ze keken ons vragend aan, maar ze zagen wel aan ons dat alles voorbij was. Ze hadden flink gezopen en waren half dronken. Er werd verder niet gesproken. Ik had geen zin om hen de mantel uit te vegen, ik had genoeg aan mezelf... Wat zij deden was hun zaak.
Die nacht sliep ik wat, droomde angstig en werd meer dan eens huilend wakker. We waren allemaal uitgeput en waren dicht tegen elkaar aangekropen om wat warmte bij elkaar te vinden. De apostelen niet natuurlijk. Af en toe hoorde je iemand zuchten of schreien.
Zaligheid
Toen de sabbat voorbij was, gingen we naar het graf om het lichaam te balsemen. Maar de steen was weggerold en er zaten twee mannen op die ons zeiden dat Jezus verrezen was. Dat had hij ooit voorspeld: dat hij verrijzen zou op de derde dag.
We zagen een tuinman en vroegen hem ernaar. Hij antwoordde zó, dat we hem herkenden als Jezus zelf. Toen verdween hij. Wij gingen opgewonden naar huis met de mededeling dat we Jezus hadden gezien, maar niemand geloofde ons.
'Hoe lang duurt het nog vóór jullie vrouwen geloven?' vroeg ik woedend.
'Ik geloof het niet voor ik hem met eigen ogen gezien heb!' zei Petrus wat smalend. Wat een belediging. Dit had ik niet verwacht na deze week. Dat zei ik, maar hij haalde zijn schouders op.
'Nu moeten wij het roer overnemen,' zei ik, 'we moeten gaan preken en genezen.'
Maar de mannen waren zo onzeker dat het er niet van kwam. Ze zaten daar maar en dronken weer.
'Straks zijn jullie weer dronken,' verweet Maria hen.
En daar stond hij ineens tussen ons in. Zomaar, alsof hij nooit was weggeweest! Wat waren we blij! Hij at en dronk met ons en we spraken uren. Hij ging gewoon verder, alsof er dat vreselijke niet tussen gezeten had.
Hij bleef komen gedurende weken en de sfeer tussen de mannen en de vrouwen werd steeds beter.
Op een dag zei hij dat hij voorgoed van ons wegging:
'Jullie zijn er klaar voor, je moet het nu allemaal zelf doen!' zei hij, 'als ik bij jullie blijf, blijf je op mij leunen en dat moet niet. Je moet op eigen benen staan, zelf je beslissingen nemen en niet mij alles op laten knappen.'
De volgende dag nam hij ons mee een berg op. Daar nam hij afscheid en verdween uit onze ogen.
We keerden in stilte terug naar huis.
De mannen waren toch weer bang, ze wisten niet hoe verder. Het leken wel angstige kinderen. Ze durfden niet naar buiten omdat ze bang waren net als Jezus gepakt te worden en ze wilden dat we in het huis zouden blijven. Met z'n allen deden we dat dus.
Nú zou ik dat niet meer doen: ik zou nu de straat op zijn gegaan en begonnen zijn met preken en genezen. Toen echter paste ik me nog aan aan vooral Petrus. We moesten immers samen die kerk besturen? Dan kon ik toch niet alléén... Ik voelde me er onzeker over.
Ze zakten weer helemaal terug en wij moesten praten als Brugman om ze weer op te porren. Brugman? Hoe kwam ik aan dat woord? Ik schudde mijn hoofd.
Wel spraken we veel en groeiden in wijsheid en kracht. Er werd ook ruzie gemaakt, maar we probeerden zo eerlijk mogelijk te zijn. Toch bleven de mannen dingen niet begrijpen, niet aanvoelen. Op momenten dat het erop aankwam hielden ze zich gesloten.
Toen, die zondag brak bij hen de geest door: ze vatten wat Jezus en wat wij, de vrouwen, steeds bedoelden! Toen gooiden ze eindelijk de ramen open en we begonnen vanuit het huis te preken. Het was alsof een stormwind duizenden mensen naar het huis gebracht had. Het gekke was dat er veel vreemdelingen in de stad waren en die hoorden onze woorden in hun eigen taal! Ik vond dat niet zo gek: ik had Jezus immers ook 'gehoord' terwijl hij niet sprak. Dan maakt het ook niets uit welke taal je spreekt... En ik had dat ook met andere mensen en zelfs met mijn konijntjes... Konijntjes? Wat had ik met konijntjes van doen?
Veel mensen raakten we diep in hun wezen, duizenden bekeerden zich tot deze nieuwe kerk. Eensgezind gingen we daarna op weg door steden en dorpen, predikten er en genazen veel zieken.
Er begon een vervolging op gang te komen tegen volgelingen van Jezus. Aanvankelijk bleef het bij gevangen zetten, uitschelden, bedreigen en weer vrijlaten. Maar al spoedig werden de eerste christenen gemarteld en gedood. Maar een vervolging deerde ons niet.
Saulus
Een zekere Saulus, een fanatieke jood, werd berucht om zijn vervolgingsmethoden. De eerste die hij liet oppakken, werd in zijn nabijheid met pijlen gemarteld en gedood: Stephanus, een jonge veelbelovende leerling. En er volgden er veel meer. Maar de nieuwe christenen lieten zich er niet door afschrikken. Ze voelden dat ze niet anders meer kònden. Zó moest een mens leven: eerlijk, ten dode toe.
Op een dag echter werd Saulus hulpeloos in Damascus bij christenen binnengebracht: hij was blind. Hij vertelde wat er gebeurd was: hij zat op zijn paard en werd door een bliksemstraal blind geslagen en van zijn paard geworpen. Een stem klonk die hem ter verantwoording riep en dat gaf hem inzicht in dit nieuwe geloof. Hij vroeg de christenen van Damascus hem te onderrichten en te genezen, opdat hij mee kon helpen met preken en genezen. Anastasia genas hem in naam van Jezus, door hem de handen op te leggen.
Hij werd ondervraagd. Omdat hij veel discussies had gehad met gevangen christenen, wist hij zowat alles af van ons geloof.
Alhoewel aanvankelijk argwanend, waren de christenen blij met deze man, vanwege zijn inzet en enthousiasme. Hij kon goed preken en genas velen.
Na een tijdje in Damascus gepredikt te hebben, kwam hij naar Jeruzalem. Ook wij waren in het begin argwanend, maar hij kwam zo eerlijk, enthousiast en betrouwbaar over, dat het gesprek een steeds warmere uitstraling en opening kreeg.
Hij werd in plaats van Judas de nieuwe twaalfde apostel besliste de vergadering na een urenlang gesprek. Ze waren het er allemaal over eens dat dit de wil van God was en van Jezus.
<