home

boeknpl

trefwrdn

links

reageren?

engls/dts

aan studntn

oproepn

colum

Assepoester

Big Sisters

Catastrofe

Martha

Moeders Grafje

Anna 

 Ina Mijling

&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&

 

STERKE VROUWEN VERHALEN

 

DE CATASTROFE

Genietend van de vroege voorjaarszon in mijn auto, rijd ik richting Nijmegen naar mijn zus. Ik fluit met de radio mee: vioolconcert van Bach. Heerlijke muziek. Omdat ik maar beperkte longinhoud heb, heb ik mezelf aangeleerd om te fluiten op in- en uitademing. Zodoende kan ik hele concerten in een keer doorfluiten. Zo ook nu. Wat heb ik het weer goed! Ik voel me gelukkig en heb zin om naar iedereen die harder rijd dan ik even te zwaaien. Misschien dat die racemaniakken dan even wat meer menselijke aandacht voor medeweggebruikers kunnen opbrengen. Niets is zo goed voor mensen als echte aandacht, warmte, echte Liefde.

Ik zit nu vlak voor de afrit naar Tiel. Ineens voel ik iets bewegen in mijn lijf, alsof er een grote knop wordt omgedraaid, alsof er duizenden zandkorreltjes door mijn lichaam gejaagd worden, allemaal speldeprikjes, maar het is slechts iets van een seconde en alles voelt weer normaal.

Mijn auto sputtert echter, stopt definitief en Bach zakt weg in een zielig gejank. Nog net kan ik de vluchtstrook bereiken.

Op de weg voor en achter mij gaan ook allerlei dingen mis! Ik zie auto's en vrachtauto's proberen de vluchtstrook te bereiken. Velen lukt het, anderen staan midden op de weg stil. Het mag een wonder heten als er geen ongelukken gebeuren. En niet alleen aan mijn kant zie ik, maar ook de tegenliggers stoppen. In de verte zie ik een sneltrein midden in het mooie landschap vol bloeiende fruitbomen eveneens langzamer rijden en dan stilstaan.

Ik pak mijn telefoon en druk het knopje in: niets. Ik probeer het opnieuw door hem uit en aan te zetten: niets. Ik stap uit: misschien bereik ik de satelliet dan beter. Telefoon uit en aan: niets. Doodse stilte op de weg. Ik zie andere automobilisten uitstappen met hun telefoon: ze hebben duidelijk last van hetzelfde euvel als ik. Ik kijk achter mij: een jongeman met een gloednieuwe auto, nog een hoger nummerbord dan de mijne, staat ook te stuntelen.

Ik ga terug in mijn auto zitten en bedenk wat dit kan zijn en wat ik ermee aan moet. Alles staat stil en de telefoon doet het niet. Er komt een vliegtuig gevaarlijk laag geluidloos over mijn hoofd scheren en ik buk onwillekeurig. Hij maakt op zijn buik een noodlanding met een diep spoor in het drassige land, dreigt over de kop te slaan, maar komt gelukkig ongedeerd in het grote weiland terecht. Ook dat nog!

Ik schrik van de in mij opkomende gedachte: het zal toch niet waar zijn? Ik zal het toch niet hebben voelen aankomen? Vijf weken geleden kwam er een vraag in mij op en ik heb toen onmiddellijk aan de krant geschreven dat ze moesten zorgen ouderwets handbediende apparatuur voor zetten en drukken op de kop te tikken en bedrijfsklaar te houden, omdat alles in de gort zou lopen als ooit de aarde zou gaan ompolen. En dat kranten dan het enige medium zouden zijn om nieuwsberichten door te geven. Ik kreeg echter een beleefd briefje terug dat ze dit als een grapje beschouwden. Misschien een vervroegde 1 aprilgrap?

Ik krijg het benauwd en gooi mijn deur open. Probeer buiten nog eens mijn telefoontoestel: niets. Geen wonder dat mijn nieuwe auto, met wat elektronische snufjes stilstaat. Zou dan toch die meteoor, waarover ik een paar dagen geleden 'toevallig' in een krant las en die op een veilige afstand langs de aarde zou scheren er iets mee te maken hebben? Een aarde poolt toch niet zomaar om? Maar hadden de wetenschappers dat dan niet kunnen zien aankomen en in elk geval de vliegtuigen aan de grond kunnen houden?

Uit de auto achter mij komt een lange jongeman naar me toe met zijn telefoontoestel in de hand. Een zwarte, uit Afrika of Suriname. Hij is erg donker dus ik denk dat hij nog niet zo lang in Nederland is. Soepel zijn zijn bewegingen en zijn glimlach is breed, maar toch ook wat onzeker als hij mij aanspreekt. In het engels, dus hij is inderdaad nog niet lang in Nederland.

'Goede middag mevrouw,' zegt hij met een diepe stem.

'Nou, zo goed is onze middag niet,' lach ik hem ondanks alles toe. We lachen allebei.

'Wat zou er aan de hand zijn,' vraagt hij, 'maar dat kunt U ook niet weten! Wat gek dat alles ineens stilstaat, het lijkt wel doomday of zo! En dan dat vliegtuig!' wees hij naar de vleugellamme vogel, op zijn buik half opzijgezakt in de modder.

Net op dat moment rijdt een oud model auto ons voorbij, zonder snufjes blijknbaar, maar gewoon rechttoe rechtaan. Die zou rechttoe rechtan zijn doel nog wel bereiken, zolang hij benzine had... Ik kijk hem jaloers na, moet even op mijn lip bijten. Had ik nou maar geen nieuwe gekocht twee maanden terug, had ik die oude maar verder opgereden! Nu zit ik in de nesten! Ik spreek mezelf bestraffend toe: die oude was toch helemaal op? Hij was 17 jaar! Ik kon niet anders.

'Ik vrees dat ik wél weet wat er aan de hand is,' zeg ik de vragende donkere ogen toe, 'ik vrees dat de aarde omgepoold is.' Maar dat verstaat hij niet. Ik leg hem dus uit dat de noordpool magnetisch nu de zuidpool is en de zuidpool de noordpool als ik gelijk heb. Dat alles wat met computers te maken heeft, dus ook allerlei dingen in onze auto's en onze telefoons door die ompoling vernield zijn. Een computer bestond immers uit en werkte op zoiets als minieme magneetjes? Welnu: die zijn op tilt geslagen door de magnetische storm van omkerende krachten.

Wat nu te doen? Ik weet het al wel, maar verder duidelijk nog niemand op de snelweg. Ik zie andere automobilisten naar elkaar toegaan en ik voel hun toenemende wanhoop. Enkelen gaan naar een ANWB-praatpaal. Het zal nog wel erger worden, want er is geen hulp te verwachten! Ook niet van de ANWB!

Ik vraag hem waar hij vandaan komt: uit Den Haag en hij is op weg naar Bonn in Duitsland. Hij is sinds kort verbonden aan de diplomatieke dienst in Den Haag. Zijn thuisland is Peru in Zuid-Amerika. Nu zie ik het aan het nummerbord van zijn onbruikbaar geworden auto: een D en een mij onbekend vlaggetje. Jeetje: een ambassadeur!

Daar sta je dan aan de snelweg die ineens geen snelweg meer is en god weet hoe lang dat niet meer zal zijn! Ik stel voor dat we even in mijn auto gaan zitten, dan kunnen we overleggen wat ons te doen staat, maar dat weet ik al: lopen. LOPEN! Het hamert ineens door mij heen: ik zal naar huis moeten lopen! Ik zit halverwege thuis en mijn zus en dat betekent via de kortste weg een kilometer of 45 LOPEN! Bovendien is het 5 uur in de middag begin april, dus ik kan het vanavond niet meer halen. En verder ben ik niet in zo'n beste conditie, zit veel achter mijn computer. Ojee: MIJN COMPUTER! Alles naar de haaien natuurlijk! Al mijn boeken op diskette: allemaal weg! Ik heb wel wat uitgeprint, maar lang niet alles. De boeken in aanbouw nauwelijks en daar zit heel veel in!

Ik krijg het benauwd, moet hoesten. Liefderijk klopt de ambassadeur mij op de rug, maar dat helpt niet. Ik keer me naar hem om en hij ziet de wanhoop op mijn gezicht. We gaan even zitten in mijn auto. Ik stel me voor: Donna Viegen uit Utrecht. Hij heet Ivo Springer uit Den Haag. Makkelijk dat engels: geen gedoe met tutoyeren.

Hij vraagt me waarom ik zo geschrokken ben. Ik vertel hem dat nu al mijn boeken op mijn computer verdwenen zijn. En hoe moeten we nu thuiskomen? We zitten stil naast elkaar, verlegen en wanhopig wordend om de situatie.

'Peru,' stottert hij, 'Peru is nu ook voor mij onbereikbaar geworden! Mijn moeder en vader, mijn verdere familie: zal ik ze ooit terugzien? Mij vriendin waarmee ik ooit hoopte te trouwen...'

'Niet zo somber Ivo! Alles moet nu anders, maar dat wil niet zeggen dat alles onmogelijk wordt! Er zijn nog altijd schepen met gewone motoren en eventueel zeilen! Maar ik raad je wel aan om nu Nederlands te leren, want voorlopig blijf je wel in ons land!'

'Daar ben ik al mee begonnen in Peru, want je moet de taal spreken van het land waar je heengaat, vind ik.'

'Zullen we dan maar meteen overschakelen?' zeg ik voortvarend.

'Even nog niet,' smeekt hij, 'eerst een beetje uit deze situatie zijn. Ik vind dit al moeilijk genoeg, als ik dan ook nog mijn best moet doen om een vreemde taal te leren, dat is me teveel en nog niet nodig. Jij spreek goed engels, wil je dat voor me doen?'

Ik knik en we staren naar de stilte en de uitbundige bomen die bloesemend schateren om die stomme mensen die alles dachten op te lossen met machines die nu van nul en generlei waarde zijn.

'Mooi land he?' kan ik niet nalaten.

'Prachtig land en zo open! Maar wat moeten we nu?'

Ik draai me naar hem toe en zucht.

'We zullen moeten gaan lopen, vrees ik en wel zo spoedig mogelijk. Naar mijn huis is het zo'n kilometer of 45, het wordt tegen 8 uur donker en ik ben niet zo goed in lopen met mijn zit-leven. Als we 4,5 km per uur halen is het veel en dan doen we er 10 uur over. Het is waarschijnlijker dat we moeten zien ergens te overnachten!'

Het begon niet alleen bij hem in volle omvang door te dringen, maar ook bij mij! We zwegen opnieuw.

'We moeten nu beslissen, zei hij, 'want als je gelijk hebt, krijgen we in geen jaren hulp!'

'Wat heb je allemaal bij je? Ik heb een dikke plaid bij me, extra kleren, en extra schoenen. Ik ben blij dat ik zulke dingen altijd bij me heb. Ook heb ik een fles bronwater bij me en een rol volkorenkoekjes. Ze zijn al oud, maar vast nog wel goed. We zullen er zuinig op moeten zijn, want je weet niet hoe het zal gaan met de voedselvoorziening de komende tijd!'

'Ik heb ook een plaid en een extra pak en schoenen. Het is wel een smoking, maar het is toch extra. Ik hoefde maar één dag op en neer. Vanavond in Bonn en morgenvroeg weer terug. En ik heb een trui, want in dit land moet je met van alles rekening houden is mij gezegd.'

We stappen weer uit en Ivo gaat naar zijn auto terwijl ik mijn achterklep opengooi. Gelukkig heb ik zo'n grote boodschappentas met lange hengsels bij me: die kan ik als een rugzak dragen. Dat doe ik ook wel eens met de boodschappen als ze erg zwaar zijn. Mensen kijken me dan na, maar dat kan me niks schelen! Ik stop de plaid in die tas, probeer er de reservekleren bij in te krijgen, maar dat lukt niet. Die zal ik dus aan de hand moeten meevoeren. Ik voel echter dat de kleinere tas met kleren meer weegt dan de tas met de wollen plaid en ruil alles om. De fles water en de rol koekjes gaan nu bij de kleren en de plaid past precies in de andere. Ik kus de fles en de rol kostbaar voedsel voor ze in de rugtas verdwijnen. Ik kijk nog even bij het gereedschap. Ik kan niet alles meenemen: veel te zwaar! Ik kies voor een schaar en een eind stevig touw. En HET zakmes natuurlijk, waar zelfs een zaagje in zit. Je weet nooit waar je het voor nodig kan hebben! Het gaat allemaal in de rugtas. O, en iets uit de verbanddoos. Alleen maar iets tegen blaren: jodium en pleisters. Dan zwaai ik de tas op de rug, neem de andere tas in de hand, doe de auto zorgvuldig op slot en loop naar Ivo.

 

Hij heeft nog niets gedaan, hij zit verdwaasd op de vangrail de wijdte in te staren. Ik kijk om me heen, zie met mijn scherpe ogen verderop en op de weg terug andere automobilisten wanhopig met elkaar gesticuleren. Een jonge vrouw in een rood mantelpakje, donkerblond, wijduitgekamd halflang haar, behoorlijk opgemaakt en op naaldhakken lopend komt vanaf een praatpaal naar ons toe. Ze heeft een wolk van parfum om zich heen hangen, ik moet ervan hoesten. Haar auto staat een eindje achter die van Ivo. Ze stelt zich voor:

'Paula Ingels. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik kan de ANWB niet bereiken, mag ik Uw telefoon even?" vraagt ze aan Ivo.

Hij schijnt uit zijn verdwazing wakker te worden, maar is tot spreken absoluut niet in staat. Dat doe ik maar voor hem.

'Ik ben Donna Viegen en dit is Ivo Springer. Onze telefoons werken ook niet, alles is stuk.'

'Wat kan er gebeurd zijn? Wat voor natuurramp?' vraagt ze, 'want het moet een natuurramp zijn, anders kan alles niet zo massaal ineens getroffen zijn. Maar er was geen wind, geen onweer, niets!'

'Ik heb wel even iets gevoeld,' zei ik, 'maar dat was bijna meteen weer weg!' en poog haar zo voorzichtig mogelijk uit te leggen wat er gebeurd kan zijn, maar het komt hard aan. Wanhopig laat ze zich ook op de vangrail zakken en staart dof voor zich uit. Ik moet haast lachen om die twee hoopjes ellende voor mij, maar eigenlijk sta ik er net zo slecht voor als zij.

'Wat moeten we nu?' vraagt Paula met haast een snik, 'ik ben op weg naar een sollicitatiegesprek in Wijchen in een meubelfabriek. Ik moet er over drie kwartier zijn!'

'Ik ben bang dat je dat helemaal moet vergeten,' antwoord ik, je kunt beter proberen om thuis te komen.'

'Maar hoe? Als je gelijk hebt, rijden er geen bussen, het vliegtuig is geland en ginder staat een trein stil. Kijk: de mensen komen eruit en sommigen beginnen naar de weg te lopen.'

Ik keek de richting van haar vinger uit en inderdaad: de mensen beginnen alle kanten op te lopen. Sommigen in de richting van de trein, anderen juist terug. Een groepje loopt langs de spoorbaan op en een andere, grotere groep de weg terug. Er zijn er ook die zich van het talut laten glijden en zich zich rechtstreeks door weilanden en alles heen in de richting van hun doel begeven.

'We zullen moeten lopen! Er zit niets anders op. Als het waar is dat de aarde omgepoold is, ligt de hele gecomputeriseerde wereld in puin. Heb jij extra kleren bij je Paula?'

Ze schudt wat verbaasd van nee.

'Dit is de auto van mijn vader, ik mocht hem lenen voor de sollicitatie!'

'Ook geen andere schoenen? Want op die hoge hakken kun je niet ver komen. Waar woon je eigenlijk?'

'In Abcoude. Maar ik kan wel kijken wat er in de achterbak ligt: mijn vader is een praktisch mens.'

'Al ligt er maar een plaid, want het kan 's nachts behoorlijk koud zijn en we weten niet hoe ver we komen. Als je mee wilt tenminste, want wij moeten allebei die richting uit.'

'Ik wil graag mee. Maar zouden we niet even wachten? Misschien komt er toch nog hulp!'

'Waarvan?'

Ze schokschoudert en zwijgt verder.

Ik kijk naar het vliegtuig en zie dat de mensen langs glijbanen omlaag glijden en beneden opgevangen worden door in het sompige land wegzakkende stewardessen. Ook wat: ben je comfortabel op weg, krijg je een noodlanding en moet je door drassig land waden. Het heeft veel geregend de laatste tijd. Dit is eigenlijk de tweede voorjaarsdag. Alles bloeit zo uitbundig, omdat het niet koud is geweest. Raar weer dus voor een voorjaar! Aan de achterkant worden nu alle stukken bagage via een slurf naar buiten gegooid. De passagiers en de stewardessen gaan erop af en beginnen te graaien.

Dan zie ik de bemanning de glijbanen losgooien en de deuren sluiten, zodat de stewardessen niet meer terug kunnen en hulpeloos in het weiland staan. Er is aan boord ongetwijfeld voldoende eten en drinken voor een paar mensen om het een paar dagen uit te houden. En wat langer als alvast de stewardessen niet het voedsel meer mee op kunnen maken.

Ik kijk opnieuw naar Paula en probeer haar zover te krijgen dat we in haar kofferbak gaan zoeken. Gelukkig vinden we daar van alles! Een paar sportschoenen van haar vader. Ze zijn haar wel een maat te groot, maar het is beter dan die hoge hakken. Er ligt een plaid en een zaklantaarn, een flink eind dik touw, ook een fles water, hoera!, een joggingpak, en een rol vuilnisbakzakken! Daar haal ik er een stuk of 5 vanaf. Paula vraagt waarom ik dat doe en ik leg uit dat we dan iets hebben om om te slaan als het regent onderweg. Één vuilniszak doet dienst als koffer. Een touw eromheen en hij is draagbaar.

Er ligt nog een boek in het handschoenenkastje: 'Toeval? Hoe bedoelt U?' Paula stáát erop dat mee te nemen. Ik glimlach...

Intussen is Ivo ook aan het verzamelen geweest.

'Waar moeten we eigenlijk op rekenen?' vraagt hij.

'Dat weet ik niet. Kom voorlopig maar met mij mee, dan zien we later wel verder hoe je in Den Haag moet komen. Dat is nu nog zo'n eind weg! Het wordt een chaos in het land, in de wereld. We kunnen maar het beste proberen erop te rekenen dat we onszelf moeten bedruipen onderweg. Moet je zien wat daar gebeurt!' roep ik ontsteld uit.

Nare dingen in de verte. Omdat we op een viaduct gestrand zijn, kun je een eind de weg overzien. Ivo probeerde, toen ik met Paula bezig was, een passerende oud model auto aan te houden, maar dat lukte niet. Een eind verderop wel: de mensen staan gewoon midden op de weg. Er wordt gegesticuleerd tegen de bestuurder. De raampjes blijven kennelijk potdicht, de deuren ook. Wat moet die man of vrouw bang zijn met zoveel opdringerige mensen die tegen de auto duwen en eraan rukken, minstens 6. Uiteindelijk opent hij even een raampje, maar een schoft is zo brutaal om zijn arm naar binnen te steken en slaagt erin blijkbaar de deur te ontgrendelen. De chauffeur wordt eruit gesleurd en de brutale man kruipt zelf achter het stuur. Maar niet lang, want op zijn beurt wordt hij er uitgegooid. Het grote trek- en duwwerk heeft tot gevolg dat niemand ermee wegkomt. Één deur is al losgerukt en over straat gegooid. Er komen steeds meer automobilisten bij en ze vechten met elkaar. Er zullen ongetwijfeld gewonden vallen en hulp is er niet te krijgen. De auto wordt zowat gesloopt. Mensen leren het ook nooit! Ik keer me maar naar ons groepje, want ik kan niet tegen 10 kerels ginder op. En je hoeft in je leven niet meer aan te gaan dan je aankunt.

Ik snuffel nog even in de kofferbak van Ivo en vind daar een koevoet. Ik weeg hem op mijn hand: zwaar hoor, maar misschien hebben we hem nog eens nodig als we in een verlaten bus of trein willen overnachten. We overleggen, omdat dat ding zwaar is, maar Ivo biedt aan om hem toch mee te nemen: een touw aan beide uiteinden en hij kan hem schuin over zijn schouder dragen.

'Kunnen we niet hier overnachten, in onze auto's?' vraagt Paula klagerig, 'we hebben nu immers alle tijd van de wereld...'

'Ja tijd hebben we genoeg, maar we hebben niet veel eten en drinken bij ons en we weten helemaal niet of we onderweg onze voorraad aan kunnen vullen, want al die elektronisch gestuurde winkels...'

'Goeie God, je hebt gelijk! Betalen kan natuurlijk nergens meer! En hoe zit het met de banken? En o, het spaarpotje van mijn ouders!'

'Wij hebben gelukkig geen spaarpotje meer: wij hebben, na veel gezeur van mij, omdat mijn man het maar niks vond, met ons geld een voorraadje water en blikgroenten, rijst en muesli gekocht en de rest in ons huis gestoken: er is een maand geleden een zolder op gebouwd. Iedereen verklaarde ons voor gek, want we hebben die ruimte met z'n tweeën helemaal niet nodig, maar we kunnen onze kinderen opvangen als die hun huis uitmoeten om de een of andere reden, of we kunnen die drie kamers verhuren. Mijn vader verklaarden ze ook voor gek toen hij in '33 een huis bouwde met een grote kelder met een zwaar betonnen plafond, extra gestut door niet alleen zware pilaren, maar ook door dennenstammen om de 2 meter. Hij zag de tweede wereldoorlog toen al aankomen.'

We sluiten zorgvuldig onze deuren af en dan zie ik het: de wegenkaart in de deur! Die hebben we nu hard nodig. Ik ontgrendel de deur, pak de kaart, stop hem bij de plaid, dan heb ik hem bij de hand. Ik heb geen richtinggevoel en bij een bewolkte hemel loop ik vast alle kanten op.

'Ik stel voor dat we het weiland ingaan richting Tiel.'

'Waarom gaan we niet over de weg?'

'Ik dacht zo dat we dan veel kans lopen beroofd te worden. Het lijkt me veiliger om een ongebruikelijke weg te volgen.'

Ivo keek me bewonderend aan:

'Jij bent ook slim zeg!'

Vrank en vrij keek ik hem in de ogen en zei:

'Ja, ik ben slim en dat wil ik weten ook! Een mens moet zijn waarde kennen en er voor uit durven komen, dan weten anderen wat ze aan hem of haar hebben! Kom we gaan op stap.'

'Staan onze auto's hier wel veilig?' vraagt Paula benauwd.

'Daar is geen peil op te trekken, ze staan ver van de bewoonde wereld, geen huis in de verte te zien, dus inbrekers zouden een eind moeten lopen. En aan een niet rijdende auto hebben ze niets, al is die nog zo duur! Laten we hopen dat we onze wagens een keer op kunnen halen.'

We stappen naar de middenberm, over de twee vangrails, over de andere weg, het grasland in. Omdat we boven de spoorbaan zijn gestrand, moeten we eerst even naar links of rechts en dan naar beneden het steile talut af. We overleggen even. Ik stel voor: rechts, omdat we dan aan de kant van Tiel zitten. Maar eigenlijk doet het er niet zo toe: de spoorbaan is gemakkelijk over te steken. Het blijkt dat de spoorbaan ideaal is om langs te lopen! Prettiger dan het sompige land. niemand in dit stuk blijkt op hetzelfde idee gekomen te zijn: iedereen is netjes op de snelweg blijven lopen.

Na een half uurtje, het is inmiddels half zeven, komen we bij een spoorwegovergang. Er vlak bij ligt een boerderij en ik stel voor dat we er even heengaan. Die mensen weten natuurlijk nog van niks en zitten waarschijnlijk in grote problemen.

De bel doet het natuurlijk niet. Kloppen dan maar, er doet niemand open. Er is niemand thuis of ze horen het niet. We lopen om. Aan de achterkant zien we een stal. De koeien, we zien er vijf, staan in de rij voor de staldeur. Binnen horen we stemmen, een man jammert.

'Nou zitten we net een beetje in de lift na die gekke koeienziekte, de varkenspest en de droge zomer en nu dit weer!'

We gaan een kijkje nemen. Een koe staat in de loopgang voor de melkmachine, maar die doet niets. Het is de boer die helemaal door het lint is gegaan. Zijn vrouw gaat naar hem toe, legt een arm om hem heen, klopt hem zachtjes op de schouder. De boer is aan het proberen om de computer van de melkmachine aan de gang te krijgen, maar dat lukt natuurlijk niet. De boerin en vier kinderen staan hulpeloos op een afstandje toe te kijken. Ik zeg:

'Stil maar wij helpen wel even.'

De wanhoop is te groot om verbaas te zijn over die drie vreemdelingen in de deuropening. Al gauw zit Ivo op een knie met een emmer bij de tweede koe en probeert haar te melken. Maar de koe wil dat niet, ze stampt en zwaait met haar staart, kijkt ongedurig achterom. Ik zeg de boer dat hij maar beter kan proberen de koeien met de hand te melken, want daar zullen ze aan moeten wennen.

'Met de hánd,' zegt hij verbijsterd, 'dat heb ik lang niet meer gedaan en de koeien zullen het niet willen.'

'Er zit niets anders op. De komende tijd zal er niet eens behoorlijk elektriciteit zijn. Maar dat leg ik zo wel uit. Laten we eerst met z'n allen proberen die koeien te melken. Als er nou eens eentje bij haar kop gaat staan, haar zachtjes toespreekt en haar streelt. Misschien kun je haar een wortel geven om op te kauwen of zo. En een ander probeert haar te melken. Ze is dan afgeleid en kan er aan wennen. Wij helpen wel. Gelukkig hebben jullie er maar 8. Boeren met een stal van 50 of meer zijn beroerd af. Of liever gezegd: die koeien zijn beroerd af.'

'Hanny en Kees,' roept de boerin gealarmeerd uit, 'pak de brommer en ga naar tante Wil en ome Frans. Die weten nog van niets en zitten net zo te sukkelen als wij. Ze hebben 30 koeien en zijn maar met z'n tweeën! En zeg dat we komen helpen als we hier klaar zijn.'

'De brommer zal het nog wel doen, als er tenminste genoeg benzine inzit,' zeg ik.

'Ook dat nog! Zou de trekker het nog doen?'

'Eerst de koeien,' bromt de boer, 'dan kijken we wel verder.'

De twee verdwijnen gezwind. De boer haalt de koe uit de loopgang, gaat naar buiten met haar, pakt de tweede en laatste emmer, gaat ook op een knie zitten, want krukjes bestaan al lang niet meer natuurlijk en probeert de koe te melken. Ik ga naar het dier en aai haar over de kop, vertelt haar gewoon wat er aan de hand is: dieren begrijpen meer dan wij, domme mensen, beseffen. Ook de anderen beesten horen nu wat er gebeurd is. Ik pak een hand hooi en geef die aan het dier. Rustig sabbelend laat ze uiteindelijk toe dat de boer haar melkt.

De boerin echter en de twee overgebleven kinderen hebben het nog nooit gedaan en de boer doet ze voor hoe het moet. De boerin haalt nog twee emmers binnen en gaat even later met haar dochter naar de derde koe. Ze soebatten wat met het dier. Als het uiteindelijk wat rustiger is, probeert de vrouw haar te melken, maar de koe protesteert door te loeien alsof ze vermoord wordt. Na heel wat rustig gebabbel lukt het de boerin om een straaltje melk uit de uier te krijgen en warempel: een gejuich klinkt door de mooie avond.

Intussen is Ivo zover dat de koe toestaat dat hij haar melkt.

Er zijn niet genoeg emmers, dan maar de melk weg laten lopen. Er valt toch niets mee te doen. De boer begint het opnieuw te kwaad te krijgen.

'Waar moet dat heen, waar moet dat heen?' klaagt hij maar.

Ik ga naar de vierde koe die buiten staat. Het overgebleven kind gaat mee. Ik aai het dier en vertelt opnieuw wat er aan de hand is en probeer de overgebleven koeien ook te betrekken in het gesprek. De jongen gaat onder het dier zitten en het melken lukt vrijwel meteen.

Na een uurtje zijn alle koeien gemolken. We gaan naar binnen en zitten bijna gezellig om de tafel. Koffie zetten is er niet bij: geen gas, geen water.

'O god,' ook dat nog!'

Nu moet ook de boerin huilen, want ze overziet ineens de hele ellende. Haar man doet mee en ik stimuleer dat: spanningen móéten uit het lichaam, anders kun je niet goed kiezen en beslissingen nemen.

Ik ga naar de koelkast en daar staan behoorlijk wat frisdranken. Echter: die etenswaren moeten zo spoedig mogelijk op. Maar dat is allemaal van later zorg. Ik vraag om dekens en ze snappen niet waarvoor. Het meisje gaat er een paar halen en ik drapeer ze om de koelkast heen om zo lang mogelijk alles koud te houden. Nu moeten ze toch lachen.

Paula heeft wat glazen gevonden en schenkt voor ieder wat drank in.

'Hoe moet het nou verder?' vraagt de boer uiteindelijk.

'Gewoon doorgaan, zegt zijn dochter.

Hij kijkt haar aan:

'Zo gewoon is dat niet! En jij kunt niet eens meer naar school! Er rijden natuurlijk geen treinen!'

'Nou, dan maar niet. Dat stellen we dan maar even uit.' zegt ze geruststellend, 'dit gaat wel even voor hoor!'

'Nou, ik baal er behoorlijk van dat ik niet meer naar school kan,' zeurt de jongen, 'ik was net zo blij dat ik geen boer hoefde worden.'

'Hou je mond,' zegt de boer, 'het is zo al moeilijk genoeg!'

'Wat is er verkeerd aan boer worden?' vraag ik.

'Laat hem maar,' zegt de boerin, 'dat komt wel goed. Hij moet ook zijn ei kwijt. We hebben dus geen water en voorlopig zit dat er ook niet in. Hè wacht eens: de pomp in de wei die we zomers gebruiken om de koeien water te geven! Goddank! Dat probleem is opgelost! Dat wordt wel water sjouwen, maar er zit niks anders op.'

'Maar je moet het wel filtreren en koken. Je weet niet wat voor vervuiling er in kan zitten!'

'Nou, de koeien gedeien er anders goed op,' moppert de boer, 'en hoe moeten we filtreren?'

Dat weet ik ook niet.

'En alles waar water in kan buiten zetten als het regent, voor de was en de wc en zo!' zeg ik.

Ineens kijkt de boerin me aan. Ze ziet ons nu pas en staat wat verbaasd op, geeft ons een hand.

'Ik ben Marie en dat is Henk, mijn man en mijn dochter Cora en onze zoon Anton. Het lijkt wel of U uit de hemel bent komen vallen!'

'Nou, we moesten anders wel lopen hoor!' lach ik.

'Wat toevallig dat U nou juist hier aan kwam zetten. Er is ineens weer een beetje uitzicht voor ons!'

'Dat is niet toevallig Marie, jullie hadden er recht op, zo werkt dat wat ik Het Grote Gebeuren noem. Ik ben Donna, dat is Ivo en dat is Paula. We vonden elkaar op de snelweg. We moeten lopend naar huis en ontdekten dat we langs de spoorbaan de kortste weg zouden hebben.'

'Waar moet U heen?' vraagt Cora.

'Ik woon in Utrecht en de andere twee gaan met mij mee. Ivo is ambassadeur en zou naar Den Haag moeten, maar dat is van later zorg. Paula moet naar Abcoude, dus dat ligt in mijn richting.'

'Misschien kan ik ze wel een eind brengen met de auto, dat is een oud model, die doet het vast nog wel' zegt Anton gedienstig.

'O nee, doe dat niet, nog niet,' en ik vertel wat ik op de snelweg had gezien, 'probeer dat ding een paar dagen te verbergen en ook de trekker, want er kunnen gestrande automobilisten komen die met geweld zullen proberen de auto of de trekker te krijgen om thuis te komen of waarheen dan ook.'

'Dat geldt dan ook voor het paard en de wagen...' zucht de boer, 'waar zijn we in terecht gekomen in godsnaam?'

'Misschien moet je het zo zien: zoals de maatschappij in elkaar stak met als die vervuiling en die criminaliteit, die spanningen en zo, misschien is dit een kans voor de mensheid om opnieuw te beginnen,' zeg ik.

'Ojee! Dit is dus wereldwijd!' roept Marie uit, 'ook in New York en ook in de binnenlanden van Afrika!'

'Die Afrikanen zullen er niet zo veel van merken,' zeg ik, 'maar voor grote steden is het een regelrechte ramp. Reken erop dat op een gegeven moment stedelingen hier proberen melk en kaas en groenten en zo te krijgen. Neem geen geld aan, want dat is waarschijnlijk niets meer waard. De banken liggen ook op de schroothoop: ze hebben geen gegevens meer, niet van beleggingen en investringen, maar ook niet van schulden en spaartegoeden.'

'De banken, de banken!' schreeuwt de boer haast. 'Hoe moet dat met de hypotheek en onze kleine kapitaaltje, onze schulden?'

Ik glimlach hem toe, want dit zal hij leuk vinden. Eindelijk eens een zonnige boodschap.

'Alle bestanden zijn vernietigd, dus er bestaat geen hypotheek meer en streep je kapitaaltje maar tegen je hypotheek en je schulden weg. Jouw kapitaal is nu je boerderij, je beesten, je grond. Betaling gaat nu voorlopig allemaal in natura. Als mensen iets willen kopen, vraag dan dingen in natura: sieraden, schoenen, dekens, schilderijen, kleding, linnengoed of zo. Zo deden boeren dat in de oorlog. Toen werden ze erom verguisd, want ze vroegen teveel, maar nu zal het wereldwijd wel moeten!'

'Goh,' zegt Cora droog, 'ik kan wel een breifabriekje opzetten met de oude breimachine van jou, moeder! Die werkt vast nog wel en we hebben nog allerlei garen op zolder liggen! We nemen wat schapen en dan hebben we wol.'

We gieren het uit. En genieten ervan dat we weer ronduit kunnen lachen. Maar het is waar: ook dat soort dingen zal weer terugkomen.

'Alle oude ambachten komen weer terug,' zeg ik, 'thuis heb ik ook een breimachine, een goed idee! Boekenschrijven doe ik toch voorlopig niet meer, want met een kapotte computer zou ik weer op de oude typemachine moeten en dat zie ik niet zitten.

'Ik ging vroeger 's winters bij mijn opa helpen klompen maken. Ik denk dat ik dat nog wel kan, want schoenen zijn voorlopig onbereikbaar, dank ik,' zei Henk.

'Dat vind ik leuk, 'lachte Cora, 'dat wil ik wel van je leren! Veel leuker dan zo'n breimachine.'

'Ik zou graag, als we een koe geslacht hebben, willen leren leerlooien en dan schoenen maken,' opperde Anton.

'Dat kan alleen als het andere wrek op de boerderij gedaan is. End at geldt ook voor jou Cora!' zei Henk wat streng.

'Rustig nou maar, alles komt wel goed, je hoeft niet zo ver vooruit te kijken,' zei ik sussend, 'in elk geval hebben jullie allerlei soorten toekomst!'

'Ik heb honger,' zuchtte Marie opeens, 'maar hoe moet ik nou koken zonder gas?'

'Heb je een open haard,' vraag ik en als ze knikt, 'dan moet je het daarop doen. Misschien kan iemand iets verzinnen om een ketel boven het vuur te hangen. O wacht eens,' roep ik uit, 'de verbrande blokken kun je gebruiken om een waterfilter te maken!'

'Jij bent ook van alle markten thuis,' lacht de boerin mij toe.

'En we hebben nog een kachel op zolder staan. Wel helemaal verroest, maar hopelijk niet doorgeroest. Dat is zuiniger dan de open haard,' verklaart Henk, 'kom mee Anton, dan slepen we hem naar beneden.'

Binnen de 10 minuten zijn ze terug met een ouderwetse plattebuiskachel.

'Wat een mooie!' bewonder ik, 'hier werd vroeger op gekookt, ik herinner het me van op het laatst van de oorlog. Nu kan jullie toekomst haast niet meer stuk! Wij hebben thuis onlangs een oude salamander op de kop getikt, dat werkt veel moeilijker, maar beter dat dan niets! En we kunnen het campinggastoestel erbij gebruiken dat we onlangs gekocht hebben, dus dat zit wel snor.'

'We zullen wel erg hard moeten werken! En allemaal,' zegt Henk met een zucht. Ik ga staan, kijk ze ontroerd ieder één voor één aan:

'Jullie zijn rijk,' zeg ik en ik de tranen lopen me over de wangen, want ik weet dat er veel ellende over de mensheid was gekomen en nog zal komen: 'jullie zijn rijk. Om 5 uur, 3 april van het laatste jaar van de 20e eeuw is misschien wel 80% van de mensen zijn of haar baan kwijtgeraakt. Er is geen geld meer, alleen baar geld. De banken hebben geen bestanden meer. Toen alles nog met de hand ging zo'n jaar of 20 geleden, was er geen vuiltje aan de lucht, zouden ze hun hand niet omgedraaid hebben voor een ompoling van de aarde. De rijken hebben niets meer, alleen hun huis en wat goederen. Alles wat met televisie en radio en telefonie te maken heeft is stuk. Er komt grote armoe en hongersnood, vooral in de grote steden. Er zal voorlopig geen water, geen gas zijn.

Het beste af zijn de volken die nog een beetje in de natuur leven én de boeren! Vergeet dat nooit! Jullie hebben land, je hebt een paar beesten en een pomp. Je kunt bomen kweken om je kachel te stoken. Het is hard werken, maar je leeft en je kunt je veroorloven om eerlijk te leven, je hoeft niemand te bedriegen.

Wij: Ivo, Paula en ik moeten nog maar afwachten hoe onze toekomst eruit ziet. Om 5 uur waren er heel wat vliegtuigen in de lucht. Wij kregen massa's vliegtuigen over ons huis uit alle windstreken, zowel naar en van Schiphol als verkeer tussen andere landen. Vliegtuigen zijn wereldwijd als hulpeloze herfstbladeren naar beneden gedwarreld en ze zullen lang niet allemaal een goede noodlanding hebben kunnen maken. Met die kleine vleugels is het moeilijk zweven en omlaagzeilen.

Ik weet nog helemaal niet of ons huis er nog wel staat, of mijn man er nog is, of ik nog kinderen heb. Mijn kinderen zijn nu in elk geval allebei werkeloos. Mijn dochter zat in de computerwereld, mijn zoon werkte bij de posterijen,' de stem stokt me in de keel, ik moet huilen. De boerin komt naar me toe en slaat haar beide armen om me heen. De anderen volgen en zo staan we een tijdje in een omarmkringetje te wiegen.

Als ik een beetje bedaard ben gaan ze weer zitten en ik spreek verder:

'Misschien dat mijn zoon op korte termijn wel weer werk heeft, omdat de post een van de dingen zal zijn die snel hersteld zal worden, al moet ze op handbediening werken. Dus word jij nou maar boer Anton, dan ben je nu goed af!' glimlach ik hem toe door mijn tranen heen.

Iedereen zit stil, een hele tijd.

'Jammer dat jullie niet in de buurt wonen, dan konden we alles samen doen,' zegt Marie na een korte eeuwigheid met iets van brokjes in haar stem en tranen in haar ogen.

'We zien elkaar vast nog wel eens,' antwoord ik, 'ze zullen natuurlijk zo snel mogelijk de elektriciteit, de waterleverantie en de treinenloop herstellen en dan kom ik je opzoeken. Misschien kom ik uit nood nog wel eens bij jullie aankloppen.'

'Je bent altijd welkom, al zou je nú hier blijven!'

De anderen knikken heftig.

'Dank je, dank je. Maar nu gaan we weer verder. Ik wil proberen vannacht nog thuis te zijn. Het is volle maan, dus dat moet kunnen. Het loopt wel niet gemakkelijk op de spoorbaan, maar misschien went dat wel.'

Ik vind van mezelf stiekem dat ik wel erg optimistisch ben, want hou ik het vol? Dat zie ik dan wel weer. Aan de andere kant loopt de spoorbaan rechttoe rechtaan. Misschien kunnen we in een gestrande trein overnachten!

'Blijven jullie echt niet slapen?' vraagt Henk. De tweeling is naar mijn zus en zal daar wel blijven, dus die twee bedden...'

Maar Paula onderbreekt:

'Donna heeft gelijk, ik wil ook vannacht doorlopen. Dan blijf ik eventueel wel bij haar slapen.'

'Ivo,' vraag ik in het engels, 'jij hangt er maar zo'n beetje bij. Wat wil jij: doorlopen of hier overnachten?'

'Laten we maar doorlopen. Maar ben jij nu wat uitgerust, Donna?'

'Ik kan wel weer verder, bedankt voor je zorg!'

'Gaan jullie zó naar buiten, zo in die dunne kleren,' vraagt Marie zorgelijk.

Echte weer een moederfiguur die daaraan denkt. Ik plaag haar ermee en ze bloost warempel wat verlegen. In deze feministische tijd schijn je je te moeten schamen voor zorgend met mensen omgaan. We lachen echter al spoedig weer en gaan onze reservekleren aantrekken. Ik doe mijn extra broek en trui over mijn t-shirt en dunne broek. Paula trekt het pak van haar vader aan. Maar alles is aan de korte kant en ze trekt haar mooie mantelpakjasje over dat pak heen aan. Geen gezicht! We liggen dubbel: dat knalrode jasje op die paarse, te korte slobberbroek die onder haar knalrode strakke rok uitkomt. Cora sleept haar mee naar de gang voor de grote spiegel en nu giert ze het zelf uit.

'Als de maan er maar niet van schrikt,' lacht ze.

Ivo ziet er trouwens ook potsierlijk uit met zijn smoking jasje strak over een dikke trui en een spijkerbroek eronder met een paar sportschoenen.

Dan ziet Marie dat Paula te grote schoenen aan heeft en zegt dat Cora nog wel een paar schoenen voor haar uit de kast kan halen. Ze zullen wel dezelfde maat hebben. Een paar heerlijke sportschoenen schuiven aan Paula's voeten en de lachfilm is compleet.

Als we uitgelachen zijn, zegt Henk:

'Wij gaan zometeen met de auto naar mijn zuster, haar helpen met de koeien: die staan zowat op springen' zegt Henk, 'en morgenochtend zal dat weer moeten. Die beesten kunnen er niets aan doen en moeten geholpen worden.'

'Als je een binnenweggetje weet zal dat wel kunnen. Het is trouwens al bijna donker,' zeg ik. Dan kom ik op nog een idee: 'hebben jullie dubbele ramen?' Ze knikken nee, 'hebben jullie dan doorzichtig plastic, landbouwplastic of zo?' Hele lappen! En ik raad ze aan om dat van de winter voor de ramen te punaisen, dat scheelt enorm voor de kou. Maar dan moeten ze wel dagelijks goed ventileren! Daar zijn ze blij mee met die tip!

Dan zegt Henk nog:

'Weet je wat? Ik haal straks in het donker jouw auto op met de trekker! En als ik dan nog benzine over heb: die van Paula en die van Ivo. Geef mij je nummer en de sleuteltjes maar. Waar staan ze?'

'Op het viaduct van de spoorovergang. Zo zijn we ook hier gekomen!'

'Dat is niet zo ver. Ik zit hier zo bij de afrit van Tiel. Ik moet dan wel tegen de keer inrijden, maar dat merkt nu niemand!' lacht hij breed.

'Laat die van mij maar staan, die is van de ambassade en jij moet hele zuinig zijn met de benzine, want je weet niet wanneer die weer te krijgen is!'

'Ik zal wel zien,' zegt Henk, 'hoe ver ik kom. Geef me jullie adres maar. Als dan de post weer geregeld is, krijg je een berichtje.'

'Dan krijg ik jullie toch weer gauw te zien!' lach ik, 'om de auto op te halen als alles weer een beetje normaal is, of als ik iemand gevonden heb die de auto weer aan de praat kan krijgen.'

'Het mooie is: we hebben een neef die automonteur is. Die weet misschien raad om de auto aan de praat te krijgen zonder al die elektronische liflafjes!'

Nu is mijn geluk compleet en ik vlieg hem om de hals.

'Ik kom gauw weer hierheen gelopen, want dat zullen we allemaal snel leren: lopen. Maar nu moeten we gaan!'

En we beginnen meteen maar afscheid te nemen. Dat is een roerend gedoe, want in die korte tijd: twee uurtjes, is er een hechte band gegroeid, als van jaren... Er wordt omhelsd, geknuffeld en gezoend en 'bedáánkt,' 'succes' en 'goeie reis' en 'tot ziens' geroepen. Het begint al donker te worden als de hele familie ons uit staat te zwaaien.

 

Er zal een heel moeilijke tijd komen, maar het begin was zo goed! Dus vol vertrouwen gaan we op stap.

Het is half negen

op de eerste dag

van de nieuwe jaartelling.

*************************

home

boeknpl

trefwrdn

links

reageren?

engls/dts

aan studntn

oproepn

colum

Assepoester

Big Sisters

Catastrofe

Martha

Moeders Grafje

Anna 

 

Ina Mijling 

&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&