|
Een waarschuwing tegen Big Brother... home | boekenplank
| links | reageren?| aan studenten | ikzoek
| colum
| copyright
| mijn boek Ina
Mijling &@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%& |
||||||
|
BIG SISTERS Augustus 2019 Een
waarschuwing tegen Big Brother... Water Ze
zeulde met haar dagelijkse twee emmers water: sinds dat ongeluk in Frankrijk
met die kernreaktor, werd jou per persoon twee
liter per dag toegewezen, voor kinderen onder de zes jaar mocht je vier liter
per kind hebben. Je kreeg het ook niet zomaar: je moest eerst je pols in een
klem aan de tankwagen duwen. Daarmee werd de op je pols onderhuids
geïnjecteerde chip afgelezen en nieuwe gegevens werden erin opgeslagen. Als
alles klopte werd jou daarna je portie water afgemeten in je emmers. Dat
ongeluk in Frankrijk had de hele waterwinning van onder andere de Maas stopgelegd. Het dagelijkse, met tankauto's aangevoerde
water kwam nu van gesmolten ijs van de Noordpool... Dus was het kostbaar,
vandaar dat iedereen maar zo weinig kreeg. De
aanvoer een half jaar geleden moest snel geregeld worden: omdat het grootste
deel van alle auto's op zonnecellen reed, was er veel minder benzine en olie
nodig. Daardoor konden gelukkig in vliegende haast veel oude, bijna niet meer
gebruikte olie- en benzinetankauto's onmiddellijk na dat reaktorongeluk
opgeknapt en omgebouwd worden tot ijs/watertankauto's. Dat gebeurde ook bij
veel overbodig geraakte olietankschepen. Een
klein eindje van de waterauto af zette ze even de emmers neer en keek de kant
op van het bejaardencomplex ginder in de straat, die haaks lag op de hare.
Maar het flatje van oma lag net achter de hoek van de voorste vleugel. Als ze
twaalf stappen naar rechts zou doen, tot midden op de straat, zou ze net het
venster van de woon/slaapkamer kunnen zien. Dat deed ze maar niet. Je kon je
emmers water niet zomaar even laten staan. En oma zou echt niet de hele dag
voor het raam zitten om te kijken of ze iemand zag. Toch fijn dat ze zo
dichtbij woonde. Het gaf haar een veilig gevoel. Ze
keek achter zich, naar het gedrang rond de tankauto, die elke dag om deze
tijd bij de hoek van de straat stond: allemaal vermoeide, verkrampte
gezichten, allemaal wachtend op water zoals zij had gedaan. Sommigen ook
zeulend met twee emmers, anderen met een kannetje. Zij had nog geluk dat ze vier kinderen had, dat ze door de
strenge voortplantingskeuring heen gekomen was, dat ze dus twintig liter
kreeg! Vandaag twintig, omdat morgen Jozef weer thuis kwam, zodra zij zelf
naar het ziekenhuis was geweest om... Gisteren nog was het slechts achttien
liter en ze had bovendien per ongeluk een pan water van het aanrecht
gestoten, toen ze in een reflex haar dochtertje wilde grijpen, dat struikelde
over een gelukkig lege emmer. Als die emmer vol was geweest, was er niet
minder dan een ramp gebeurd... Ze
pakte de emmers op en schommelde een eindje. Ze had gisteren alles wel
opgedweild en de dweil goed uit laten draaien in de centrifuge, maar het
opgevangen water was niet meer bruikbaar voor het koken. Nadat ze het door
een waterfilter gegoten had, was het nog net goed genoeg voor de was. Het
water was erg vuil geweest: zo vaak kon ze de keukenvloer niet dweilen... Maar:
na de dweilmarathon stond ze van buitenaf toch voldaan naar haar vloer te
kijken: in tijden niet zo'n schone vloer gezien! Alle modderprentjes van de
kinderen van de tegeltjes af. Ze blonken haar vrolijk tegemoet. Die tegeltjes
natuurlijk, niet de modderprentjes. Ze had gezucht van plezier. Ze glimlachte
opnieuw. Gelukkig
had ze nog een beetje ander water voor het koken over gehad. Het was een
kwestie van goed uitmeten, maar het lukte haar om alles klaar te krijgen,
zonder dat er iets hoefde aan te branden. Pff het was
heet en ze voelde zich opgeblazen. Zat er onweer in de lucht? Ze zette de
emmers opnieuw even neer, trok de witte band van haar hoofd en wiste zich met
haar blote arm het zweet uit het gezicht. De haren schudde ze even los om er
wat lucht door te waaien en trok de elastische badstof band weer om haar
voorhoofd heen. Toen
ze naar beneden keek om haar emmers op te pakken, zag ze hoe zwaar haar
borsten waren, alsof ze in verwachting was. Voortplanting Veel
vrouwen waren gesteriliseerd omdat ze niet geschikt(!) bevonden waren
voor de voortzetting van het menselijk ras. Iedere vrouw werd gekeurd, haar
hele familie doorgelicht en alle oude gegevens over haar ouders en
grootouders uit ziekenhuizen gescreend. Ook moest je een IQ hebben van boven
de 130 om kweekmoeder te kunnen worden. Iedere vrouw die niet voldeed aan
deze hoge eisen werd gesteriliseerd. Wie per ongeluk toch in verwachting
raakte, werd geaborteerd. Dit proces was halverwege de jaren negentig
begonnen in China. Er was niet tegen geprotesteerd door de toenmalige VN... Ook
mannen werden gescreend. Jozef, haar man, was van Friese komaf: een grote man
met blonde krullen, stevig gebouwd en sterk. Hij had eveneens een hoog IQ en
ze gingen geen wetenschappelijk onderwerp uit de weg. Ze genoten beiden van
hun wetenschappelijke, soms felle debatten. Vrouwen
en mannen konden wel goedgekeurd worden voor een implantaatkind, als hun IQ
hoog genoeg was. Je kon toch geen begaafd kind zetten bij domme ouders... Bij
wat voor mènsen kinderen geplaatst werden, was van minder belang.
Integendeel: mènsen waren niet gewenst, wel degenen die voldoende aangepast
waren aan het systeem en dus de kinderen in die richting zouden opvoeden:
robotten die robotjes schiepen... Ze
herinnerde zich een verhaal van haar moeder Liesbeth over vroeger, begin
jaren negentig, toen de wereld nog op zijn kop stond over de eerste zwarte
vrouw die een geheel blank kind, met blauwe ogen en blonde haren ter wereld
had gebracht: ingeplant. Ze had het een eigen zwarte kind niet aan willen
doen om in een zo zwart-vijandige wereld te moeten
leven... Ze bleef niet lang alleen... Nú
kregen zwarte vrouwen allang geen zwarte kinderen meer. Enkel in de niet bij
de Wereldunie aangesloten, geheel zwarte landen in Afrika werden nog zwarte
kinderen geboren. Alles wat op de rest van de wereld geboren werd was wit.
Donkere haren mocht dan nog wel, maar de huidskleur mocht niet bruiner zijn
dan voorgeschreven was. Nu echter was de wereld niet alleen zwart-vijandig, maar vooral ook kweekouder-vijandig. Men
werd in het begin niet echt gedwongen hoor om in dit systeem mee te doen!
Maar als je een kind kreeg en je was niet goedgekeurd, werd je gewoon nergens
voor verzekerd, of je moest gigantische premies betalen. En als je niet
verzekerd kon worden, kreeg je geen baan en dat betekende: geen inkomen, geen
huis... Een onverzekerd kind kon ook niet naar school of zo... Dus kozen de
mensen 'vrijwillig' zèlf. Handig! De
kinderen die ingeplant werden, waren voor het overgrote deel jongens: die
waren lichamelijk sterker, zouden meer uithoudingsvermogen hebben en dus
langer meegaan. Dat was makkelijk in allerlei bedrijfstakken en gaf minder
risico in verband met ziektes. En ze zouden niet vóór de pensioenleeftijd
opgebrand zijn. Als het zo uitkwam, zouden ze zelfs langer dan hun 70ste
kunnen werken. Ook
heerste nog steeds het sprookje dat mannen meer gericht waren op intelligentie
dan vrouwen, dat was handig in de zakenwereld en de wetenschappen, in de
economie en allerlei bestuursorganen... Zij en
Jozef echter had één jongen en drie meiden mogen baren, vanwege de
broodnodige kweekmoeders en kweekvaders later, de 'voortplantingsfabriek'
zoals ze het zelf spottend noemde. Deze verdeling was wetenschappelijk
uitgekiend: er waren meer kweekmoeders nodig dan kweekvaders: één man kon
immers een heleboel vrouwen bevruchten. Handig! Ze
vond het moeilijk om op deze manier naar haar kinderen te kijken: als
kweekfabrieken, maar op dit moment was er nog steeds geen ander uitzicht... Ze
wist dat ook al haar andere kinderen later kweekmoeders en -vaders zouden
worden, bij wie ze ook ingeplant werden. Omdat
zij en Jozef kweekouders waren, hadden ze van rijkswege gelukkig ook zeven
dagen in de week hulp in de huishouding, al waren die hulpen tegelijkertijd controleuses. En ze kregen korting op eten en kleding.
Maar dat eten werd wel streng gecontroleerd: ze mochten bijvoorbeeld geen
koffie, snoep of vet. En ze mochten maar twee keer in de week vlees. Voor de
rest moesten ze vegetarisch eten. Door de onderhuids geïmplanteerde chip werden
via de winkels hun boodschappen gecontroleerd en als er iets in zat wat de
controleurs niet beviel, moesten ze dat verantwoorden. Als de reden dan niet
deugde, kregen ze hoge boetes. Dit allemaal omdat ze zo gezond mogelijk
moesten zijn voor de voortplanting. Veel
mensen konden het niet uitstaan dat kweekouders het zo 'goed' hadden en door
velen werden ze gemeden als de pest. Ze voelde vaak die hatende blikken,
zoals zojuist bij de waterauto, omdat zij meteen geholpen werd, niet op haar
beurt hoefde wachten. Niemand besefte dat zij het vreselijk vond, dit
'voordringen', maar ze kon er niet onderuit. Zodra ze bij de auto was, werd
ze naar voren geroepen. Als er een lange rij stond waar ze langs moest, leek
elke stap haar een eeuwigheid te duren. Huwelijk
of zo... Iedereen
was vrij om te trouwen of samen te wonen met wie men wilde, maar kweekmoeders
en kweekvaders niet: die kregen een kweekvader of kweekmoeder toegewezen. En
dan moesten die maar zien dat ze het met elkaar konden rooien. Zo was
Jozef aan haar toegewezen door de Voortplantingscommissie en alhoewel ze dus
niet zelf gekozen hadden, niet verliefd waren geweest en zo, konden ze het op
den duur goed met elkaar vinden. Zij
was zestien toentertijd en hij negentien. Zo jong nog, en geen ervaring, nog
helemaal zulke pubers en midden in hun studietijd. Ze hadden van
regeringswege veel hulp gekregen om hun studie te kunnen afmaken, ondanks
zwangerschap en kinderen. Maar ze hadden in de eerste stormachtige jaren
vooral veel 'geestelijke' steun gehad aan haar moeder Liesbeth, waar ze bij
in woonden en aan haar oma: Mia. En ze waren allebei eerlijk... Dat is immers
de enige basis waar je een relatie op kunt bouwen: op eerlijkheid... Ze
hadden zorg voor elkaar, wat wil je dan nog meer? Hij
was vijfentwintig uur per week hoogleraar in de weg- en waterbouwkunde in Blesward en had veel te maken met waterwerken zoals
dijken, dammen en dergelijke. Zat nogal eens in het buitenland voor adviezen
aan landen die leden onder bijna jaarlijkse overstromingen, met dikwijls
gigantische vloedgolven op de kust: tsunamies. Hij
adviseerde de regeringen bij het bouwen van dijken en elders bij stuwdammen,
al was Men daar uit oogpunt van milieubelangen erg voorzichtig mee geworden. Zijzelf
gaf halve dagen wiskundeles aan een gymnasium. Alweer een privilege, want de
meeste vrouwen waren naar het aanrecht terugverwezen wegens de grote
werkeloosheid. Ze
keek wel eens naar zo'n romantische serie op tv. Ze werden de hele dag door
uitgezonden. Oma zei vaak dat ze dat expres deden om vrouwen klein te houden,
afhankelijk en vol minderwaardigheidscomplexen en schuldgevoelens. Maar wat
men in die soaps met liefde bedoelde, was haar een raadsel. Ze kreeg steevast
de indruk dat verliefdheid een soort ziekte was, het maakte mensen op de een
of andere manier gèk: ze deden alles om bij het
voorwerp van hun verliefdheid in het gevlei te komen; ze waren ronduit wreed
en moordend naar mensen toe die hen ook maar een strobreed in de weg dreigden
te leggen... En het gekke was dat Men dat liefde noemde... 'Romantiek,'
zei oma vaak, 'is ronduit vergif!' Verliefdheid? Volgens die soaps houdt dat
ook ooit op! En daarna... Nee, ze was best tevreden met Jozef. Ellendig
bleef wel, dat zij altijd weer naar buiten moesten als ze iets met elkaar uit
wilden praten, voor het geval er microfoons in huis waren verborgen... En ze
waakten er zorgvuldig voor dat het naar buiten gaan niet opviel... De
kinderen van Jozef en haar waren hùn bloedeigen
kinderen: een luxe tegenwoordig. Ze zorgden samen voor hen, tenminste: als
Jozef thuis was en niet dagen weg voor vergaderingen, besprekingen met
regeringsfunctionarissen of seminars. Hormonen
en zo... Dit
alles flitste in een paar seconden door haar heen en ze werd er treurig van.
Als antwoord voelde ze haar borsten steken. Ze bolden hard en zwaar onder
haar katoenen truitje, haar buik voelde opgezwollen aan. Ze had een
hormoonkuur gehad, meteen nadat de jongste van de borst af was. Morgen moest
ze naar het ziekenhuis om eitjes weg te laten halen. Ze voelde zich een
machine, een voortplantingsmachine. Het was nog slechter dan bij de konijnen
af. Als privilege had ze dan wel zelf vier kinderen mogen houden. Maar
hoeveel er verder van haar rondliepen was geheim. Jozef
was deze twee weken weg. Hij was dus een kweekvader en in de weken dat zij
een hormoonkuur kreeg, werd hij bij haar weggehaald. Men mocht nu niet het
risico lopen dat haar eieren door hem bevrucht werden. Daarom kreeg ook hij
een hormoonkuur en werd hij drie keer per dag afgetrokken. Zo
werd hij meteen bij haar weggehouden en niet alleen om zijn sperma te
oogsten, dat wisten ze allebei bèst. Met zo'n
hormoonkuur waren ze beiden erg hitsig en kon wel verscheidene keren per dag
vrijen. Daarom ook hadden ze Jozef weggehaald. Cæcilia loste
'haar' 'sexueel probleem' zelf op... Ze ervoer het
telkens weer als een inbreuk op haar privacy: dit gedwongen vrijen met
zichzelf. Ze had hier niet voor gekozen. Het wàs
niet haar probleem... Het was ook geen sexueel
probleem, maar een maatschappelijk opgedrongen probleem. Oma had dat haar zo
goed bewust gemaakt. Wat een mèns: oma. Ze wist alles zo goed te scheiden van
echt of vals, van eigen of opgedrongen. Er was aan mensen niet veel eigens
meer aan... Ze
zette de emmers neer, schudde de donkerblonde haren opnieuw uit haar nek. Ze
plakten rond haar hals en aan haar wangen, ondanks de witte badstof band die
zij als kweekmoeder moest dragen, opdat ze duidelijk herkenbaar zou zijn en
altijd overal bescherming kon opeisen. Bescherming of controle? Of allebei... Het
was geen onderscheidingsteken, maar een stigma. Zo ervoer ze het. Alhoewel
die band haar veiligheid garandeerde, voelde ze de hatende blikken van veel
mensen als bedreigend. En die lange haren, dat was ook een voorschrift. Het
was voortgekomen uit de schoonheidseisen die elke werkgever kon stellen aan
zijn werkneemsters. Kort haar was verdacht. Big Brother bleek allerminst een broer te zijn, tenzij een
etterige broer, die zijn zusjes en andere broertjes voortdurend bestookte met
controles en uitgekiend getreiter, en met zijn andere broertjes vocht om de
macht. Ze
voelde woede uit haar wezen zich een uitweg banen, maar dat onderdrukte ze,
zij het met de grootste inspanning. Ze voelde hoe ze rood aanliep en begon te
hijgen. 'Diep doorzuchten, diep doorzuchten!' zei ze tegen zichzelf. Dat
hielp wat. Maar ze moest íéts doen: ze boog zich
voorover, liet haar haren naar voren vallen, wrong ze resoluut in een staart,
gooide haar hoofd weer naar achter, draaide met de andere hand op haar
achterhoofd een slag in de witte band en trok de staart van onderaf naar
boven door die lus. Dat was heel wat comfortabeler! Haar lange haar hing nu
in een staart opgebonden ver van haar hoofd, en ze besloot meteen om het
voortaan zo te blijven dragen. Je moest toch ooit wel eens tegen het regime
in kunnen gaan! Ze kreeg er een trots en sterk gevoel door, zo van: wie doet
me wat! Ze zag vanuit een ooghoek de mensen naar haar gluren, maar ze keek
glimlachend terug en groette hen vriendelijk. Kreeg echter enkel zure gezichten
terug. Ze
greep de twee emmers en zette schommelend het tochtje naar huis voort. Water Met al
die moderne technieken zaten ze wat water-halen
betreft weer helemaal op terug bij af, zoals vrouwen vroeger, en nu
waarschijnlijk nog wel in de binnenlanden van Afrika, in Zuid-Amerika, Azië
en zo hun water moesten sjouwen, soms kilometers ver. Altijd vrouwen
die zo zwaar sjouwen moesten, nooit mannen... Met
dit water moest ze koken, drinken maken, wassen en afwassen en het huis
schoon houden. Douchen was er niet bij: je kon je hooguit een beetje wassen
met een klein kleddertje in een bakje. Heel zuinigjes met twee washandjes,
anders moest je extra water nemen om je washandje uit te spoelen. Nu
gebruikte je het ene met zeep, en dat legde je telkens opzij en met het
schone kon je je dan afspoelen. De zeepwashandjes droogde je, spaarde ze op
en deed ze op een gegeven moment in de was. Toch
was je al gauw twee liter kwijt aan je eigen wasbeurt! Mensen wasten zich zo
vaak mogelijk, maar dat was dus weinig. Ze roken dan ook niet al te fris om
het maar eens zachtjes te zeggen. Vooral met dit al wekenlang aanhoudende
hete weer. De chemische deodorants waren allang uitgebannen, net als allerlei
andere chemische was- en schoonheidsmiddelen. Men was er eindelijk achter
gekomen dat al die middelen uiteindelijk in het milieu terecht kwamen. Het
vestigen van het ene record na het andere door het weer, records die met het
jaar ingehaald werden, had uiteindelijk de regeerders de ogen geopend voor
het grote gevaar wat de mensheid liep en er waren rigoureuze maatregelen
genomen. En de
was? Haar wasmachine kon alleen een beetje werken als ze regenwater had
opgevangen. Verder stond ie stil. Ze bofte dat het een bovenlader was: nu kon
ze zelf het watergebruik regelen. Mensen met voorladers moesten alles met de
hand wassen, want zo'n ding was niet met de hand te regelen en zo. Zonder
regen echter moest ook zij alles heel zuinig met de hand wassen. Vandaar dat
mensen die een tuin hadden, zoals zij, bij elke regenbui zoveel mogelijk
emmers en teilen en pannen buiten zetten. Dat opgevangen water werd gebruikt
voor de was. Al die bodempjes bij elkaar waren soms genoeg om de wasmachine
met wat sop te laten draaien. Alles wat gewassen moest worden, deed je steeds
in datzelfde sop. Regende het lang, dan kon je ook nog meer dan één keer
spoelen. Al het
water wat je gebruikte, ving je weer op in emmers, voor het doorspoelen van
de wc en zo. Cæcilia had dan ook twee extra emmers
naast de waterhaalemmers: de ene met meer afgewerkt
water en de ander met water wat nog goed genoeg was om bijvoorbeeld je handen
te wassen. Op een gegeven moment kwam die tweede emmer toch in die eerste
terecht... Regen
was een bof, al moest je vóór het opvangen van regenwater, eerst opbellen of
het water wel veilig was. Als de regen radio-aktief
was, mocht je het niet gebruiken en dan moest iedereen ook binnen blijven.
Maar gelukkig was dat nog niet voorgekomen: de wind was, vóór het
hogedrukgebied dit windloze, warme weer veroorzaakt had, zuidwest tot
noordwest geweest. Zuidenwind, van over België dus, kon gevaarlijk zijn... Ze
hadden de puinhopen van de reactor nog niet op kunnen ruimen... En het
water uit de Rijn dan? Kon dat niet tot drinkwater gemaakt worden? Ze waren
al een paar jaar bezig met de Rijn uit te baggeren: ze haalden het vuile slib
er uit. Dat betekende dat er veel vergif opgewoeld werd en dat maakte het
water onbruikbaar. Ook
het grondwater was inmiddels niet meer te gebruiken, omdat de bodemvervuiling
gedurende zo'n halve eeuw, op veel plaatsen tot op grote diepte in de bodem
weggezakt was, vaak vèr voorbij het
grondwaterniveau. Het
klinkt raar, maar als het weinig geregend had, gingen Jozef en zij een paar
keer per week 's avonds water halen uit het kanaal, wat zo'n vijf
minuten fietsen bij hen vandaan was. Dat water kwam oorspronkelijk van de
Rijn. Omdat ze vier kleine kinderen hadden, hadden ze elk achter hun fiets
een karretje gekoppeld zitten, waar telkens twee kinderen in konden. In die
karretjes zetten ze dan vier emmers en deden die vol in het Kanaal. Thuis
werd het water door waterfilters gehaald. Die leken een beetje op
koffiefilters, maar waren veel groter. Ze ware inderhaast op de markt
gebracht. Dat water gebruikte Cæcilia dan voor de
was en de laatste spoeling deed ze met opgespaard schoon water. Al
spoedig begonnen buren hun voorbeeld na te volgen. Sommigen leenden hun fietsen-met-karretjes, anderen zetten een emmer achterop,
of in een kinderwagen. Vliegverkeer Ze
hoorde een geronk boven haar hoofd: een vliegtuig! Dat zag je maar zelden de
laatste tijd en ze zette opnieuw haar emmers neer en keek met een hand boven
haar ogen de zilveren stip met de breed uitlopende streep nieuwsgierig na.
Vliegen was streng verboden. Je kreeg alleen toestemming als de voortplanting
of andere economische belangen, of regeringsdoeleinden dat eisten. Toch wel
goed dat ze dat zo rigoureus hadden aangepakt: die hemel zag immers niet helder-, maar grijzig-blauw. Halverwege
de jaren negentig veranderde eindelijk de mentaliteit. Men ging iemand erop
aanspreken als hij of zij met een vliegtuig ergens heen ging. Maar dat
gebeurde pas toen er een wereldwijde milieuconferentie was geweest, die zich
op de eerste plaats met de luchtvervuiling door vliegtuigen had bezig
gehouden. Dat probleem was erg lang tegengehouden: er hing zoveel met het
luchtverkeer samen, dat was een economische topper. Maar tijdens de
conferentie werd alles in de pers breeduit uitgemeten. De mensen begonnen in
te zien hoe die catastrofe boven hun hoofd voorkomen had kunnen worden door
onder andere het vliegverkeer al vroeg aan strenge banden te leggen. Dat
moest dus alsnog gebeuren. Hopelijk niet te laat... Luchtverkeer
geschiedde nu veelal door luchtballons, die halverwege de jaren negentig
explosief ontwikkeld en in gebruik genomen waren. Ze dreven statig door de
lucht en werden aangedreven door met zonne-energie aangedreven motoren. Haar
grootmoeder vertelde wel eens hoe de lucht er vroeger uit had gezien: diep
blauw overdag en 's nachts fluweelzwart. Moest je nu zien: overdag dat
grijzige blauw, waarin geen witte, maar geel-lijkende
wolken schoven. En de zonsopgangen en -ondergangen waren prachtig! Oma zei
vaak: 'hoe mooier de zonsondergang, hoe vuiler de lucht!' 's Nachts was
de lucht donker, oranjeachtig grijs, in plaats van zwart. Oma zei dat de maan
vroeger een zilveren schijf was in zwart fluweel, met duizenden lichtende
sterren. Nu lichtte de hele hemel, van noord naar zuid, van oost naar west
lichtgrijzig op als de maan scheen en sterren zag je nog nauwelijks. Bij
oostenwind was die lucht overwegend oranje en de maan ook. Buren Daar
kwam de buurvrouw uit de flat waar ze net langs zou lopen, op haar toe. Ze
had een klein emmertje in haar hand. Ze woonde schuin bij Cæcilia
aan de overkant. Ze was niet alleen haar buurvrouw, maar ook haar beste
vriendin. Sinds hun schooljaren al. Het
beroerde was dat ze, als ze wat uit wilden praten en elkaar wilden opvangen
in hun problemen, ook altijd naar buiten moesten, wandelen om het blok of in
het park. En dat mocht niet teveel opvallen, dus gingen ze vaak samen
boodschappen doen, met de kinderen ergens heen of zo. Of spraken af in het
park. Tot
haar grote verdriet was Lenie, meteen toen ze ging menstrueren,
gesteriliseerd: haar moeder was reuma-patiënte en
haar grootvader was aan een hartinfarct gestorven. Oma vertelde vaak dat noch
reuma, noch hartinfarcten in de genen zaten, maar maatschappelijk
veroorzaakte ziektes waren. Daar had ze indertijd ook uitgebreid over
geschreven, maar er was vanuit de medische wereld natuurlijk totaal niet op
gereageerd: wat kon een domme huisvrouw over zulke dingen nou te zeggen
hebben... In
feite was Lenie dus onterecht afgekeurd, want verder waren zij en haar man
kerngezond. Lenie
had veel verdriet van haar kinderloosheid en benijdde in zekere zin de ander
vanwege de vier kinderen die zij mocht hebben. Al besefte ze heel goed dat
alles wat er verder mee samenhing een groot brok verdriet was voor Cæcilia. En soms dacht ze dat ze zelf beter af was:
zonder kinderen, maar ook zonder die rest... Maar
deze keer kwam ze stralend op Cæcilia toe: 'Raad
eens wat: we komen in aanmerking voor een kind. Het is dan wel geen eigen,
maar beter dan niks. Volgende maand is het zo ver!' 'Gefeliciteerd
Lenie! Dat vind ik nog eens fijn voor je! Hoe vindt Piet het?' Ze zette de
beide emmers neer, sloeg haar armen om de ander heen en kuste haar warm. 'Hij
is er reuze blij mee. We zijn al zo lang bezig!' 'Misschien
krijg je er wel een van mij,' lachte Cæcilia plagerig,
'want ik moet morgen naar het ziekenhuis om eieren weg te laten halen.'
Meteen schrok ze dat ze er zo de draak mee stak, ze voelde zich er schuldig
over en zei dat ook. 'Trek
het je niet aan: het is toch bekend dat mensen in stress-situaties
moppen beginnen te vertellen over en grapjes gaan maken met hun onnatuurlijke
leven! Het is een kwestie van óverleven.' 'Maar
wanneer houdt het op?' jammerde Cæcilia, 'dit kan
toch niet altijd zo doorgaan? Dat ze allerlei milieumaatregelen genomen
hebben is prima en dat had al 'n halve eeuw eerder moeten gebeuren, maar met
deze fabricage van mensen moeten ze zo spoedig mogelijk ophouden!' 'Sst! Die agent staat te kijken!' fluisterde de ander
dringend, zich naar haar over buigend, 'als ze je met dergelijk gepraat snappen,
is het afgelopen met jouw kinderen, want dan deugt je mentaliteit niet
voldoende om ze in de geest van deze tijd op te voeden!' Cæcilia keek
quasi achteloos naar de andere hoek van de straat, maar de agent knikte haar
vriendelijk toe. Gelukkig: hij had niets gehoord. Ze knikte vriendelijk
terug: die man deed ook maar zijn werk. Hij kon óók geen kant op. Ze
wist wel dat ze goed in de gaten gehouden werd. En dat zou erger worden
naarmate de kinderen groter werden: ze moesten goed in het systeem passen en
daar hadden zij en Jozef maar voor te zorgen. Voor de rest deden school en tv
een duit in het zakje. 'Wat
heb je je haar leuk zitten! Dat zal wel een stuk luchtiger zijn dan alles in
je nek! Het staat je goed hoor. Ik vind het knap van je dat je dit durft!' 'Doe
jij het ook dan, met een andere kleur band kan dat best immers. Of met een
elastiekje... Maar we moesten maar weer eens verder gaan,' zei ze met een
knipoog, 'morgen zie ik je hier wel weer, ik zal wel op tijd terug zijn uit
het ziekenhuis... Houdoe!' en ze nam haar twee
emmers op en waggelde de straat over naar haar voordeur. Eenmaal
binnen liet ze zich met een zucht op de bank vallen. Ze was eventjes alleen
thuis, want de hulp was de kinderen uit de zomerschool halen: alweer zoiets
die zomerschool. Het was maar halve dagen, maar toch... Ze liet haar gedachtentol verder draaien. De
kinderen waren nog klein: de jongste was net 'n half jaar en de oudste was
ruim vijf. Dat was zo gepland door de Voortplantingscommissie. Men vond
anderhalf jaar tussen kinderen het beste leeftijdsverschil. Zij en Jozef
hadden daar geen enkele zeggenschap in gehad. En of Cæcilia
er wel tegen kon: zowat aan een stuk door zwanger of net bevallen en/of een
kind te voeden, was geen punt. Ondanks
de dagelijkse hulp, had ze nu op haar eentje de handen vol, al scheelde het
dat ze nu wegens de vakantie geen school had en dus geen huiswerk of
proefwerk na hoefde kijken en geen lessen moest voorbereiden. Ze
glimlachte bij de gedachte aan haar kleintjes: het waren schatten. Ze hield
ervan hen te knuffelen en met ze te spelen als ze op schoot zaten. Ze
probeerde daar altijd tijd voor te maken. De
oudste begon al aardig te praten: ze was pienter en dat was ook de bedoeling
geweest van het systeem. Maar je kon haar dan ook niet voor de gek houden:
dat werd af en toe al moeilijk. Ze stelde zo heerlijk argeloos bepaalde
vragen en die moesten zij en Jozef dan maar goed zien te beantwoorden. De
enige keer dat ze het kind een eerlijk antwoord konden geven was als ze
buiten wandelden. Vanwege die verborgen microfoons in huis. Buiten waren geen
microfoons. Hoopte je dan maar... Hoe
het zo gekomen was De
wereldwijde mentaliteit onder mensen werd in de jaren 90 per jaar slechter:
kritische mensen werden steeds meer uitgebannen. Dit ging onder druk van de
adverteerders: die kregen het overal voor het zeggen. En die adverteerders
waren: de (groot)industrilen, de multinationals, de
grote vreetketens en kranten en andere media die door hen opgekocht waren.
Kritische tijdschriften en vooral feministische, gingen over de kop, omdat ze
geen inkomsten meer kregen uit reclames: die werden niet meer geplaatst zodra
een blad niet mee wilde gaan in de vervlakking van de publiciteit. Kritische
programma's waren vrij snel van het tv-scherm verdwenen, politieke partijen
sloegen meer en meer door naar de rechtse kant. Uitgeverijen en boekhandels
van kritische tijdschriften en boeken gingen daardoor ook over de kop,
vanwege dat gebrek aan reclameadvertenties. Waar
oma in haar eerste boek al voor gewaarschuwd had begin negentiger jaren, en
wat toen al wijd en breed aan de gang was in de VS, vrat zich als een gulzig
roofdier nu met grote snelheid door Europa en de rest van de wereld heen. Zo
verloor Liesbeth haar baan in de kritische uitgeverij waar ze jaren gewerkt
had en kwam terecht in het onderwijs. Ze ging bij haar ouders wonen met Cæcilia en dat beviel iedereen goed. Haar moeder en vader
vingen de kleine op als Liesbeth naar school was of stapels huiswerk moest
nakijken. Nog
niet zo lang geleden werd Liesbeth benoemd tot onderwijs-inspectrice
in het zuiden van het land, vandaar dat ze een auto mocht hebben. Vanwege het
milieu en de terugval van de krachtbronnen, mocht je alleen een auto bezitten
en ermee rijden als je een vergunning had. En die kreeg je niet zomaar... Oma
was al lang in het bejaardentehuis geplaatst en Cæcilia
woonde al een tijd samen met Jozef bij Liesbeth in en was in verwachting van
de jongste. Het huis werd wel een beetje krap, en daarom was het goed dat
Liesbeth wegging, maar Cæcilia vond het erg dat ze
haar moeder nu nog maar weinig kon zien. Politiek... Hoe de
maatschappij zo be-klem-mend en controlerend
geworden was? De politiek werd gedurende de jaren negentig meer en meer
gestuurd door verzekeraars, industriëlen, groothandelaren, wapenhandelaren,
fundamentalistische religieleiders en drugsbaronnen. De wapenhandelaren
echter kregen steeds minder voeten aan de grond en ook de drugsbestrijding
werd zo sterk dat de drugsbaronnen de een na de ander bakzeil haalde. Dat
kwam mede door de alsmaar verfijnder technieken van onderzoek en de sociale
controle die voortdurend toenam. Daar staken in eerste instantie de
verzekeraars achter, gesteund door de multinationals, de religies en de
politieke partijen. De
ontwikkeling van het fijnveraderde controlesysteem
had een lange geschiedenis. Het allereerste begin lag bij de postduiven: die
werden geringd en konden na terugkeer via die ringen geklokt worden, zodat
Men precies wist hoe lang ze over een vlucht gedaan hadden. In de jaren '70,
'80 en '90 werden wilde dieren voorzien van steeds kleiner wordende
zendertjes, zodat men hen kon volgen op hun trektochten. Ook dieren in zee:
vissen, orka's, zeeleeuwen, haaien enzovoorts. Maar
het diepst invretende van het systeem begon schijnbaar heel onschuldig met
koeien: die kregen een zendertje om de nek, waardoor ze alleen uit hun eigen
bak konden eten en alleen aan hun eigen machine gemolken konden worden. Haar
gezondheid werd dagin daguit
door dat zendertje doorgegeven. Haar voer was precies op haar afgestemd en
eventueel voorzien van vitamines en versterkende middelen die die koe persoonlijk
nodig had. Soms met geneesmiddelen door voer en drinken heen. Alles direct
geregeld door de zender. Handig! Al in
de 80er jaren begonnen waarschuwingen te komen van mensen, die in
die controle de gevaren voor mènsen, voor hun privacy in zagen opdoemen, maar
daar werd nauwelijks naar geluisterd. De controle-mogelijkheden
bleef Men echter verder ontwikkelen en stukje bij beetje, onder allerlei
mooipraterij werden ze ingevoerd. Chips
1 Eén
van de volgende stappen na die koeienzendertjes was: op een gegeven moment
kregen mensen in diverse bedrijven een chipkaart die ze gebruiken moesten om
dat bedrijf binnen te komen: je moest die kaart, die alleen voor jou gold,
met jouw gegevens erop, door een gleuf bij de deur halen en dan schoof of
draaide de deur open. Op een andere manier kon je er niet in. Vrij kort
daarna kon je alleen met die chipkaart ook de andere deuren openen en/of naar
een andere afdeling gaan. Zelfs naar de wc of de cantine
kon je alleen met zo'n plastic kaartje. Handig! Bezoekers
kregen zo'n chipkaart, als ze aan konden tonen dat ze in het gebouw moesten
zijn. Dat werd altijd goed nagelopen. Al
spoedig kon je er ook de bestellingen in kantines en restauraties mee
betalen. Handig! Op die
manier was altijd bekend hoe laat iemand kwam en ging, naar welke afdelingen
hij/zij geweest was en hoe lang, wat hij/zij gegeten had, hoe vaak en hoe
lang hij/zij naar de wc was geweest, of hij/zij rookte, alcohol gebruikte
enzovoorts... Handig! Het
betalen met een betaalpas met pincode door iedereen voerde tot het verdwijnen
van het contante geld. Handig. Al
spoedig daarna ging Men misdadigers die huisarrest hadden, voorzien van
zendertjes aan hun pols, zodat ze gecontroleerd konden worden, opdat ze het
huis niet zouden verlaten. Handig! Nooit vroeg iemand zich af hoe de andere
huisgenoten en vooral hoe de moeders/echtgenotes het vonden met zo'n etter in
huis te moeten zitten. Want misdadigers zijn vaak geen lieverdjes en vooral
niet als ze gedwongen stil moeten zitten. Ze zijn handig in het afreageren
van hun onlustgevoelens op anderen. Hun vriendjes zijn ook al geen lekkertjes
om in je huis op bezoek te krijgen. Deze
zendertjes ging Men bijna tegelijkertijd gebruiken voor jonge crimineeltjes,
zodat men zeker wist dat ze na school meteen naar huis gingen en niet meer in
aanraking kwamen met voor hen slechte vriendjes. Via satellieten kon de hele
weg die ze aflegden gecontroleerd worden. Handig! Daarna
kwam er een chipkaart voor medicijnen. Die werd ingevoerd met het smoesje: 'Als
de doktoren en de apotheker wisten wat je voor medicijnen gebruikte, liep je
minder gevaar van elkaar bestrijdende medicijnen te gebruiken.' Want het
contact tussen huisartsen, specialisten en apothekers was in die pionierstijd
nog slecht, ook op het gebied van medicijngebruik. Nadat
er veel mensen aan medicijnvergiftiging en vooral aan elkaar bestrijdende
medicijnen gestorven waren, gebeurde het namelijk steeds vaker dat een
apotheker een specialist waarschuwde dat de patiënt deze medicijnen niet
hebben mocht en dat hij overleg moest plegen met een andere specialist die
andere medicijnen voorgeschreven had. Dat duurde echter niet lang. De
ontwikkeling ging zó snel dat binnen een paar jaar elke arts, specialist en
apotheker, elk ziekenhuis aangesloten was op het computersysteem van de
medicijnchipkaarten. Handig! Toen
werd er halverwege de jaren '90 voorgeschreven dat iedereen permanent een
identiteitsbewijs bij zich moest hebben met een chipstrip vol gegevens over
onder andere de gezondheid, medicijngebruik, sofinummer enzovoorts. Hele
computernetwerken ontsponnen zich. Ten slotte werd alles er op aangesloten:
de gezondheidszorg, de belastingen, alle soorten verzekeraars, de bedrijven,
de banken, de pensioenfondsen, de winkeliers... Belastingformulieren
invullen was totdantoe een jaarlijks terugkerende,
frustrerende klus voor bijna iedereen geweest, behalve voor de huisvrouwen:
haar werk was geen werk en bleef nog steeds onbetaald, dus betaalden ze ook
geen belasting... In het jaar '99 was belastingformulieren invullen niet meer
nodig. Handig! In die
tijd bestond de pas met pincode al lang niet meer: iedereen betaalde met dat
identiteitsbewijs. Handig! Intussen
hadden de koeien chips ingeplant gekregen, dat was handiger dan de zendertjes
om haar nek! Wereldunie Begin
2001 werd de Wereldunie opgericht: bijna alle landen regeerden vanuit Brussel
tezamen de hele wereld. Handig! Uitzonderingen
waren de geheel zwarte landen in Afrika. Daar waren eind jaren '90 alle
niet-zwarten met geweld en bloedbaden door zwarte mannen verdreven. Vrouwen
deden er niet aan mee, die wilden dit niet, zoals vrouwen eigenlijk
nooit oorlog gewild hadden. Nu en
dan druppelden er berichten binnen over de toestanden daar. Die waren gelijk
aan vóór de kolonisatie: mannen van allerlei stammen bestreden elkaar,
vermoorden elkaar en elkaars vrouwen en kinderen. Vrouwen werden door mannen
van de vijand verkracht en omgebracht. Andere vrouwen, en ook gevangen
gemaakte mannen, werden als slaven gebruikt. De economie was geheel
verdwenen. Er was niets over van de westerse 'beschaving'... Eeuwenlange
civilisatie en economische, maatschappelijke, religieuze en wetenschappelijke
ontwikkeling waren in het niets verdwenen. Er
werden vanaf het moment van oprichting van de Wereldunie nergens meer verkiezingen
gehouden. Want dat was maar lastig en niet nodig: de wereld werd nu geregeerd
door deskundige mensen. Daar werd voor gezorgd. Vreemd bleef dat die
deskundigen allemaal toch weer mannen waren... En de enkele vrouw die mee
mocht doen, was ook een 'man' door haar uitmuntende aanpassing aan die
machowereld. Handig! Al
spoedig begonnen via de Wereldunie de ziektekostenverzekeraars wereldwijd
door te drukken dat de mensen een chip ingeplant zouden krijgen in plaats van
die chipkaart, alweer met de smoes dat medicijngebruik dan nog beter te
controleren was op verkeerd gebruik en zo'n implantaat kon je niet per
ongeluk vergeten... En het was gemakkelijker met betalingen en zo... Dat kwam
met glans door de Grote Vergadering van de Wereldunie. Handig! Daar
begon het implanteren van chips mee: mensen die medicijnen gebruikten, kregen
automatisch zo'n ding geïnjecteerd. Daarmee begonnen ook de klemmen, die in
eerste instantie nog geen echte klemmen waren, maar een soort gleuf waar je
je pols in moest steken. Die klemmen waren er in het begin alleen bij de
apothekers, artsen en specialisten. Al spoedig ook op allerlei afdelingen van
ziekenhuizen. Bij een ongeluk bijvoorbeeld kon Men daardoor onmiddellijk de
bloedgroep opvragen en de kwalen kennen waar het slachtoffer aan leed, welke
medicijnen hij moest hebben, welke hij of zij niet mocht hebben... Handig en
levensreddend voor velen. Een
ander groot voordeel van deze aanpak was: de allopatische
medicijnen gingen zeer kritisch bekeken worden: door de intensievere
samenwerking tussen medici en andere gezondheidswerkers en de onbarmhartige
computercontrole, bleek onomstotelijk duidelijk dat zeer veel mensen in het
ziekenhuis terecht kwamen, enerzijds door 'bijwerkingen' van 'geneesmiddelen'
en anderzijds door te veel medicijngebruik. Er stierven zelfs veel mensen
door medicijnvergiftigingen, die Men totdantoe
'bijwerkingen' had genoemd. Mede door boeken van schrijvers en schrijfsters
als oma was Men gaan inzien dat die 'bijwerkingen'
vergiftigingsverschijnselen waren, afstotingsverschijnselen. Dat had
tot het ingrijpende en zegenrijke gevolg dat Men natuurgeneeswijzen ging
stimuleren. Ook al omdat dat goedkoper was en minder kans gaf op terugval in
de ziekte. En al helemaal nooit de ontwikkeling van andere ziektes
veroorzaakte, zoals bij de allopatische medicijnen
schering en inslag was door die vergiftigingsverschijnselen. De
landelijke regeringen echter zagen de voordelen van die medicijnchips en
begonnen één voor één te ijveren voor een onderhuidse chip voor niet alleen
medicijngebruikers, maar voor iedereen, met méér persoonlijke gegevens, om
zodoende bijvoorbeeld de misdaad in de kiem te kunnen smoren! Dat werd
wereldwijd een succes en inderdaad werd de misdaad, het drugsprobleem,
verkrachtingen en dergelijke, onvoorstelbaar snel teruggedrongen. Handig! Op die
ingeplante chip werd onder andere de code van ieders DNA vermeld. Daardoor
kon bijvoorbeeld een verkrachter van een vrouw binnen de kortste keren
opgespoord worden. Er was altijd wel ergens een deur waar hij met zijn chip
door wilde. Dan hield de klem hem in de houdgreep. Ook
andere misdadigers werden sneller gevonden: verfijnde technieken wisten uit
het geringste spoortje het DNA-patroon te halen van
de dader. Zo werden die chips ook een zaak van de politie... Handig! Ook
stond op die chip de noodzakelijke gegevens over weefsels en zo die nodig
waren bij transplantaties. Als iemand verongelukte of door een andere oorzaak
stierf dan aan een ziekte aan het gewenste orgaan, had Men onmiddellijk een
kandidaat gevonden voor dat orgaan. De overledene of de familie had hier geen
zeggenschap in. Er werd veel getransplanteerd. Maar niet bij 'nuttelozen': vrouwen boven de kinderleeftijd,
gepensioneerden, invaliden en zo... Zo
werd dat computersysteem van de ziektekostenverzekeraars en de politie
gebruikt door de belastingen, het bevolkingsregister en de banken. Het
onderwijs, alle bedrijven en winkels en andere instanties konden niet
achterblijven. En het kwalijke cirkeltje was helemaal rond. Nu was
alles, maar dan ook àlles controleerbaar. En van
iedereen: hoeveel postzegels je gekocht had, waar je buitenshuis gegeten had
en met wie en hoe lang, waar je geslapen had en met wie, welke hobby's je
had, of je rookte, of je alcohol gebruikte, of je lang haar had, hoeveel cd's
je in huis had, wat je op je computer geschreven had, waar je met het
openbaar vervoer heen geweest was, welke sport je beoefende, of je genoeg en
niet teveel aan sport deed, wat je zoal kocht aan etenswaren, of je wel
gezond at, hoe vaak je je douchte, hoeveel en waarheen je je auto reed
enzovoorts. Als je
in een glazen huisje gewoond had, had Men jou niet zó scherp kunnen
controleren. Dit controlesysteem ging binnenshuis, binnenshuids
door! Ergens iets stelen, eens extra een lekker biefstukje eten, teveel
alcohol drinken, stiekem iets bijverdienen, iemand mishandelen of
verkrachten, drugs verhandelen, moord: alles werd snel opgelost en gestraft.
Handig! Niemand
bekommerde zich om die enkeling die nog steeds bleef waarschuwen voor de
gevaren die met de deur wijdopen en juichend
binnengehaald werden. De
verzekeraars, die nu alles konden controleren, begonnen de mensen onder druk
te zetten: wie bijvoorbeeld koffie dronk, of meer dan twee keer per week
vlees at, kon zich nergens meer voor verzekeren, niet bij de
ziektekostenverzekeraars, maar daarom ook niet bij all-risk
verzekeringen, bij inbraakverzekeringen, bij brand- en glasverzekeringen en
hij/zij kon niet in een pensioenfonds komen, en/of werd overal uitgeschreven. Wie
alcohol dronk of in huis had: idem dito. Hetzelfde gold voor kalmerende
middelen en allerlei soorten oppeppende middelen. Wie
door een agressieve sport een min of meer zware blessure opliep, werd uit
alle verzekeringen gestoten. Zodoende bleven er alleen 'vrijwillig gekozen'
sporten over die nauwelijks blessures konden veroorzaken. Wedstrijdsporten
raakten al spoedig van de baan, omdat de trainingen ervoor en de wedstrijden
zelf agressief waren en agressie opriepen van toeschouwers, en vaak
levenslange blessures veroorzaakten: rugletsels, te groot hart en dergelijke. Daar
was niets aan verloren: aan wedstrijdsporten. Integendeel: jonge mensen
konden voortaan hun aandacht en energie aan betere dingen besteden. In
plaats van de gigantische oppervlakten aan voetbalvelden, tennisbanen,
enzovoorts kwamen er meer parken en zwembaden, zodat iedereen binnen
loopafstand vrijuit kon wandelen en een zwembad in de buurt had. Milieu Nu
alles gecontroleerd kon worden, ook de boodschappen en het eet- en drink-gedrag, kon men gemakkelijk de link leggen naar
ziektes en chemische stoffen. De verzekeraars gingen ook ijveren voor een
beter milieu en een verbod op milieugevaarlijke stoffen, omdat die de
gezondheid belaagden van de mensen. Daarmee
verdwenen agressieve schoonmaak- en was-middelen.
Die bleken mede de oorzaak te zijn van exceem,
astma ed. Ook allerlei lijmsoorten en kunststoffen werden verboden. Omdat
bijvoorbeeld vooral chemische parfums voor longpatiënten agressief bleken,
werden die al spoedig verboden. Daarmee verdween veel overbodige franje in de
huidverzorging. Alleen
de mensen die dat echt nodig hadden, kregen een auto. En de meeste auto's
reden op zonnecellen. De
houtkap in de oerbossen en de regenwouden was hardhandig teruggedrongen. Grote
honden werden verboden, behalve als blinde-geleidehond
en als hulp voor invaliden. De straten waren vrij van de bergen hondepoep van voorheen. Het aantal katten was sterk
teruggebracht, ten voordele van de zangvogelstand en tegen de vervuiling door
hun uitwerpselen. Ze mochten ook niet meer vrij rondlopen. Ze moesten net zo
aan de lijn als honden. Per huis was slechts één kleine hond of kat
toegestaan. Omdat
skiën de bergen naar de verdommenis hielp en bovendien veel ongevallen tot
gevolg had, vaak met dure, langdurige of blijvende letsels, werd deze sport
verboden. Fabrieken
moesten schone lucht en schoon water terugleveren aan het milieu. En zo
waren er wereldwijd nog veel meer wetten en controles daarop ingevoerd. En
dat was goed. Voortplanting Ten
slotte begonnen verzekeraars te eisen dat mensen gezond verklaard moesten
zijn, eer ze een kind mochten maken! Anders werd het kind nergens voor
verzekerd. De keuringen werden met het jaar scherper en begonnen terug te
gaan tot het screnen van de ouders en grootouders
van de aanstaande ouders. Ook
moesten al spoedig de aanstaande ouders zoals gezegd, een IQ van minstens 130
hebben... Er werd in het jaar 2003 een Ministerie van Voortplanting
opgericht, die steunde op regionale en plaatselijke Voortplantingscommissies,
waarin artsen, verzekeraars en politici zitting hadden. Aan vrouwen werd
niets gevraagd. Integendeel: naast de kinderen waren zij de grootste
slachtoffers. Al
spoedig konden de ouders van ondermaatse kinderen niet alleen de kinderen
niet, maar ook zichzelf niet meer verzekeren. Het
kon dan ook niet anders meer of Men ging ongeschikte mensen steriliseren,
vrouwen en mannen. Andere wel geschikt verklaarde mensen mochten vier eigen
kinderen grootbrengen. Later
werden die gedwongen zich één keer in de drie maanden te laten opkrikken met
een hormoonkuur, waarna de vrouwen vanaf de tweede menstruatie de rijpe
eieren afgezogen werden en de mannen drie keer per dag gedurende twee weken
afgetrokken werden. De aldus zo 'gunstig' mogelijk gekweekte kinderen werden
ingeplant in vrouwen die niet geschikt waren voor eigen kinderen, maar wel
goed gekeurd werden voor een zwangerschap en de opvoeding van een paar
kinderen. Vanzelfsprekend
werden er geen donkere kinderen geboren. Zwarte vrouwen, die vaak zeer gezond
en sterk waren, omdat het witte ras eigenlijk al erg gedegenereerd was,
kregen witte kinderen ingeplant, met liefst blauwe ogen en natuurlijk een
hoog IQ. In eerste aanzet wilden de vrouwen het zèlf
na die ene eerste. Dat escaleerde tot een trend en al spoedig werd een zwarte
vrouw die een zwart kind kreeg, daarop aangekeken. Tot de verzekeraars en het
Ministerie het over namen... Toen werd alles goed geregeld... Mannen Er
werden weinig meiden geboren. Men was inmiddels in staat te bepalen of een ei
een jongen of meisje zou worden. Bij mislukking, lees: als het toch een
meisjesfoetus werd, ging dat gewoon door de gootsteen. Door het Ministerie
van Voortplanting van de Wereldunie was namelijk bepaald dat er vooral
jongens geboren moesten worden, omdat mannen nou eenmaal lichamelijk sterker
zijn als werknemer en werkgever en omdat nog steeds het sprookje bestond dat
mannen slimmer zijn dan vrouwen, ondanks twee feministische golven. De derde
was in de kiem gesmoord. Precies op tijd. Maar
er begon zich inmiddels iets te roeren. Er gingen zoetjesaan steeds meer
stemmen op dat er meer meiden geboren moesten gaan worden. Landen als China
en India, waar een gigantisch mannenoverschot was, waren alarmerende
voorbeelden. Er braken dagin daguit
grote rellen uit en de problemen begònnen daar pas.
In de jaren zeventig, tachtig en negentig waren daar in toenemende mate
massaal jongens geboren en meiden-foetussen en meiden-baby's gewoon vermoord. Meisjes die toch geboren
werden, kregen weinig aandacht, werden verwaarloosd en kregen niet of
nauwelijks medische verzorging als ze die nodig hadden: dat was gemakkelijker
dan rechtstreekse moord. Het gevolg was nu dus dat al die inmiddels volwassen
geworden jongens geen vrouw konden vinden en dus geen gezin konden stichten. Bovendien
bedacht men slim dat gebrek aan meiden ook gebrek aan moeders later
betekende, dus genocide. Werd
in India vroeger een vrouw met bruidsschat bijna altijd uitsluitend òm die bruidsschat getrouwd, en later dikwijls door een
'ongeluk' vermoord, opdat de man zich een nieuwe bruidsschat met vrouw kon
verwerven, op een gegeven moment keerde die cultuur zich tegen zichzelf en
toen begon de gewoonte zich òm te keren: mannen
moesten duur gaan betalen voor een vrouw. Daar werden die vrouwen niet
gelukkiger op: mannen koeieneerden haar, omdat ze
zoveel voor haar betaald hadden. Ze moest bovendien zorgen voor de ouders en
grootouders van haar man, als ze tenminste een oudste zoon getrouwd had. De
regering greep in en gaf vrouwen de macht om te gaan scheiden waarbij ze de
bruidsschat niet hoefde terug betalen. Dat maakte het leven voor haar
draaglijker, maar leuk werd het niet. Werden vroeger meidenbaby's en meiden-foetussen vermoord, niemand kwam op de gedachte
dat nu met jongensfoetussen en -baby's te doen... Daarvoor waren jongens en
mannen nog steeds te belangrijk... In
China lag het een beetje anders. Daar had je tientallen jaren lang bijna
niets dan oudste zonen, omdat iedereen maar één kind mocht hebben. Daar
konden jonge mannen ook geen vrouw vinden. Mannen werden ontevreden en
begonnen te klagen, gingen vechten om vrouwen. En vooral moesten ze naast hun
lange werkdagen, nu ook nog voor hun eigen kostje, hun huishouden en hun
schone kleren zorgen, en daar bovenop voor hun bejaarde ouders, plus hun vier
grootouders, want iedereen werd veel ouder dan vroeger. En vroeger was dat de
taak was van de vrouw van de oudste zoon. En mannen waren van oudsher,
wereldwijd helemaal niet gewend om te zorgen. Die
alleenstaande mannen kregen bovendien natuurlijk geen kinderen... En een man
zonder kinderen, zonder zoon was niets in hun cultuur... En: als ze zelf oud
waren zou niemand voor hen zorgen... Eindelijk
begon de Wereldunie in te zien dat de overdadige geboorte van jongens overal
tot grote problemen leidde. Overschotten aan mannen betekenden agressie en
maar al te vaak oorlog: mannen kunnen niet alleen zijn... Mannen hebben
vrouwen nodig om hen in toom te houden... Die mannen moesten iemand hebben om
op terug te vallen, om voor hen te koken en hun huishouden te doen:
ontevreden werknemers waren slecht voor bedrijven en allerlei instanties. Na
twee feministische golven was er wat dat betreft nog bitter weinig veranderd. Ten
slotte besloot Men begin 2019 dat er meer meisjes in de reageerbuis gemaakt
zouden worden, desnoods gecloond, dan jongens. De
balans moest in evenwicht gemaakt worden. Het mannenoverschot in de rest van
de wereld was geëscaleerd en er zouden toch voldoende meiden moeten zijn. Ze
zouden zo jong mogelijk uitgehuwelijkt worden... Geheim
1 Eens
per maand was er een grote bijeenkomst van kweekmoeders en kweekvaders in een
voormalig kerkgebouw. Dan kon je vragen stellen. Maar je werd ook en plein
public op het matje geroepen als je iets in de opvoeding verkeerd gedaan had.
Omdat iedere ouder als de dood was om de kinderen kwijt te raken, deed
iedereen zo goed mogelijk zijn of haar best om de kinderen in het systeem
groot te brengen. 'Hierin
verschilt dit systeem niet veel van het oude communisme van achter het
IJzeren Gordijn en in China indertijd. Daar was de controle ook zo ijzersterk
en haast onontkoombaar,' zei oma wel eens de enkele keer dat ze
ongecontroleerd konden praten. Dat kon met haar ook alleen maar als ze gingen
wandelen. Cæcilia probeerde daar zoveel mogelijk
tijd voor vrij te maken: oma had haar nog zoveel te zeggen... Oma:
dat was een hoofdstuk apart! En ze glimlachte bij de gedachte aan haar.
Morgenmiddag zou ze haar weer op gaan zoeken. Ze kon goed met haar overweg,
leerde veel van haar: haar antwoorden waren altijd onverwacht, andersom dan
je zou verwachten, ze waren bevrijdend, ondanks het machtssysteem. En ze
hadden samen een geheim... Ze stond op, liep naar de kast, schoof onderin
haar naaispullen opzij, duwde tegen een plank en uit de ontstane holte haalde
ze een map vol wc-papiertjes. Volgeschreven velletjes, volgeschreven met
houtskool. Ze moest ze maar eens gaan overschrijven, dat houtskool was zo
kwetsbaar. Maar ze wist niet hoe ze daar tijd voor moest vinden. Met haar
gezin, haar werk, haar sport (zwemmen, ook verplicht) en allerlei
vergaderingen, bleef er geen seconde over. Zuchtend borg ze de map weer weg.
Waar moest dat heen met deze krankzinnige wereld? Bejaardenprobleem... De
huisvesting van bejaarden was eind jaren negentig rigoreus
ter hand genomen: wie met pensioen ging, moest op een kamer gaan wonen in
speciale bejaardencomplexen. Echtparen kregen een tweekamerflat. Dat pensioen
begon tussen de vijfenzestig en de zeventig jaar. Nu je je huis uit moest als
je met pensioen ging, bleven mensen zo lang mogelijk doorwerken... Ook al
omdat je na je werktijd in de armoe kwam. Mensen die niet meer werkten,
kregen namelijk allemaal evenveel, of liever gezegd: even weinig: net genoeg
om niet dood te gaan. Pensioenen bestonden niet. Of je er nou veertig/vijftig
jaar hard voor gewerkt en betaald had, deed niet ter zake. In de
jaren tachtig en negentig waren grote en kleine steden volgebouwd met
reusachtige kantoorgebouwen die moeilijk verhuurbaar bleken. Vele stonden
jarenlang leeg. Welnu: toen het bejaardenprobleem te groot werd, werden de
leegstaande giganten gevorderd en zo goed en zo kwaad als dat ging ingericht
voor bejaarden. De grote kantoorruimtes werden voorzien van chambrettes: kleine hokjes van hardboard en spaanplaat,
waar net één bed kon staan, een smalle kast en een stoel. Mensen
van boven de vijfenzeventig, behalve zij die nog iets betekenden op de een of
andere manier, kunstenaars niet meegerekend, werden opgeruimd in die
bejaardentehuizen op die grote zalen. Dat was goedkoper en ze hadden toch
geen nut meer. Ze hadden er geen privacy en de sfeer was er vaak om te
snijden. De verzorging was minimaal en vaak zorgden bejaarden, die nog
redelijk uit de voeten konden, voor hun zieke en minder valide medebewoon(st)ers. En dat nadat ze al een leven van hard werken achter
de rug hadden... De
gezondheidszorg besteedde verder nauwelijks aandacht aan hen. Velen overleden
aan onnozele dingen, omdat dokters niet meer naar tachtig-plussers
kwamen kijken, laat staan hen behandelden of naar het ziekenhuis verwezen. Invaliden,
psychisch gestoorden en zwakzinnigen waren even slecht af: eveneens opgepakt
in grote zalen in vroegere kantoorgebouwen en nauwelijks of geen medische
verzorging. Allemaal: moord op termijn... Maar
tegenwoordig werden zelfs die chambrettes niet meer
geplaatst. Gewoon: zalen vol bedden met iedereen een kastje en een stoel... Oma Oma
echter, de moeder van Liesbeth, had gedurende een jaar of vijfendertig een
stevige praktijk opgebouwd als natuurgenezeres en
verdiende, tot Big Brother overal het heft in
handen nam, veel geld aan haar boeken die bijna allemaal bestsellers bleken.
Ze kocht in '97 met dat geld een op te heffen kerkgebouw en zette haar
praktijk voort in dat gebouw. Dat moest wel, want enkelingen behandelen
kostte haar hele dagen hard werken. Nu behandelde ze in het begin kleine,
later grote groepen zieken tegelijk met veel succes. Ze had
halverwege de jaren negentig een opzienbarend boek geschreven over een paus
die gekozen zou worden en die in een crisis kwam door een eerder boek van
haar. En het liep ongeveer zoals in dat boek! Die paus riep haar naar Rome en
na een paar weken van emotionele crises, gooide hij het roer om. Door de hele
wereld ging een warme wind waaien, een van bevrijding, verlossing, genezing. Op een
kwade dag echter werd de auto, waarin Mia en Joannes XXIV
zaten, beschoten. De paus was op slag dood en zij werd zwaar gewond. Ze redde
het echter met behulp van de genezende warmte van haar man, zoon, dochter en
vriendin en na een paar weken ziekenhuis in Rome, kwam ze terug naar
Nederland. Verdrietig om het verlies van Joannes, die een dierbare vriend
geworden was; gedesillusioneerd, want het bewind in Rome was weer omgeslagen
naar de oude religie... Het duurde nog een half jaar voor ze weer helemaal op
de been was. Mia
was een van de mensen die indertijd al meteen hadden gewaarschuwd voor de
gevaren van dit ver doorgevoerde controlesysteem, waardoor ze nu als een
staatsgevaarlijke vrouw zo ongeveer gevangen gehouden werd, al was het op een
redelijk comfortabele tweekamerflat, in een goed gecontroleerd
bejaardencomplex. Ze had
op de flat mogen blijven wonen, omdat ze zo belangrijk was voor de
gezondheidszorg. Al die
waarschuwingen en die massale protesten hadden echter niets geholpen:
iedereen die tégen was, werd gewoon van van alles
uitgeschakeld. Maar omdat oma zo'n grote geneespraktijk had, werd de
organisatie daarvan overgenomen en ze was drie maal in de week in de
kathedraal bezig met genezen. Dat werd rechtstreeks uitgezonden op radio en
tv en de volgende dag herhaald, zodat haar geneesuitzendingen elke dag op tv
en radio waren. Voor veel mensen die wegens invaliditeit of ouderdom
verstoken bleven van medische zorg, betekende het verbetering en genezing van
hun pijnen, ziektes en kwalen, verlenging van hun leven. Er
werd wel verschrikkelijk gelet op wat Mia zei en als er iets bij was wat niet
door de systeem-beugel kon, werd ze op het matje
geroepen. Maar ze liet zich niet veel zeggen, omdat ze wist dat de
machthebbers afhankelijk van haar waren: haar manier van genezen was goedkoop
en lag tegen de 95% succes... Opvoeding? Kinderen
hoorden in het systeem opgevoed te worden. Omdat er alleen nog maar kinderen
geboren werden met een hoog IQ, moesten de kleintjes al vanaf drie jaar naar
school. Ze konden met vier jaar lezen en schrijven. Spelen was er nauwelijks
bij. Zitten-blijven was ondenkbaar. Ouders hadden
maar te zorgen dat hun kinderen goed hun best deden op school. Of het kind
dat emotioneel wel aankon was geen vraag. Dat de ouders nooit alles van hun
kind in de hand hebben, en zeker niet als het onder hun ogen vandaan is, was
eveneens geen vraag, zoals het dat ook nooit geweest was... Ze moesten maar
zorgen dat hun gezag tot ver buitenshuis reikte en een urenlange werking had. 'Ze
willen robotjes van onze kinderen maken,' klaagde Cæcilia
meer dan eens tegen haar grootmoeder. 'Dat kàn niet Cæcilia! Je kinderen
zullen altijd gevoel houden, omdat ze een maag hebben om ergens misselijk van
te worden, omdat ze longen hebben om het ergens benauwd van te krijgen, omdat
ze nieren hebben om pissig te worden, omdat ze altijd hun buik ergens vol van
kunnen krijgen... Men
poogt, mànnen pogen al net zo lang als de mensheid
bestaat dat gevoel uit te schakelen, maar dat kàn
niet... Op een gegeven moment pìkken de mensen het
niet meer. Ik heb zo vaak meegemaakt dat in een land, een half werelddeel,
waarvan de mensen drie, vijf, zes en meer generaties lang tot systeemrobotjes
'opgevoed' waren, juist de jongere generatie in opstand kwam en in een paar
dagen dat hele systeem omver gooide. En dan bleek dat de oude waarden van
vrijheid en zèlfbeslissingsrecht en eerlijkheid
weer boven kwamen. Al was het vaak voor eventjes... De
mens is niet klein te krijgen, dan zouden ze hem/haar de prikkende
haarwortels af moeten pakken; de tanden, opdat ze zich dan niet bewust zouden
worden dat ze zich liepen te verbijten. Dan zouden ze de mensen hun nek
moeten afpakken, opdat ze niet in de gaten zouden krijgen dat ze teveel op
hun nek gekregen hadden; de longen omdat die anders door benauwdheid aan
zouden geven dat er dingen niet kloppen. Ze zouden mensen zonder hart geboren
moeten laten worden, zonder maag, darmen, heupen, rug... Er blijft dan geen
lichaam over en dat kan niet! En dus kun je hoop hebben dat alles nog eens
goed komt, als de mensen het maar voldoende zàt
zijn! Maar kennelijk is het nog niet zo ver!' Dan
keek Cæcilia haar wat gerustgesteld aan. 'Blijf
jij nou maar zo eerlijk mogelijk met je kinderen en alles en iedereen in je
leven omgaan. Wat ik doe: dat genezen, daarvan hebben de machthebbers niet in
de gaten dat ik daarmee voor een groot deel genees wat die machthebbers
emotioneel/lichamelijk aan de mensen hebben beschadigd via allerlei strukturen, zoals werk en gezin. En dat ik daarbij de
mensen teruggeef wat ze door dwang en controle hen willen afpakken: hun
gevoel voor waarheid, hun waardigheid en hun recht op zelfbeslissing. Ze dènken dat ze door mijn uitspraken te controleren hun
systeem veilig houden, maar dat is niet zo! Laten we hopen dat ze niet ècht
ontdekken waar ik mee bezig ben...' Het
ziekenhuis De
volgende ochtend ging Cæcilia met de tram naar het
ziekenhuis, oostelijk ver buiten de stad. Stom om zo'n belangrijk ziekenhuis
zó ver weg te leggen. Dat was in de jaren 1970, '80 zo de gewoonte en daar
zaten de mensen nu nog mee. Daarentegen was de stad ver naar de westkant
uitgebreid... Je zal daar maar wonen en een kind in dat ziekenhuis hebben!
Dan ben je dagelijks uren kwijt aan reizen, want je kunt je kind toch niet
zonder bezoek laten! Het is in zo'n ziekenhuis toch al zo'n verschrikking
voor een kind: ze helemaal alleen en al die nare dingen die ze met je
doen...! In de
tram al had ze bekijks vanwege die paardestaart. Op
de stoep van de tram naar de ziekenhuisingang zag ze, zoals gewoonlijk
verscheidene vrouwen lopen met een witte band om het haar. Ze keken verbaasd
naar haar, vanwege die staart natuurlijk. Ze knikte ze vriendelijk toe. Binnen
kreeg ze meteen commentaar op haar haardracht: ze hoorde het haar los te
dragen. Kort en opgestoken haar waren verdacht, dat deed denken aan
opstandigheid. Cæcilia kookte inwendig, maar kon
zich goedhouden. Omwille van de kinderen kon ze
zich goedhouden. Ze antwoordde dat ze met die hitte
die lange haren niet hebben kon, dat ze er zenuwachtig van werd, geïrriteerd,
dat ze er jeuk van kreeg en zo en dat met zo'n drukke baan en een druk
huishouden van een groot gezin... Ze werd toen alleen even wat achterdochtig
aangekeken en er werd niets meer van gezegd. De
kleine operatie en het wegzuigen van de eitjes waren gauw gebeurd en ze kon
weer weg. Dit zou Men blijven doen tot ze vijfendertig was of tot bleek dat
haar kinderen van mindere kwaliteit werden, of tot de eitjes op waren...
Voorlopig bleek dat nog niet zover. Háár
kinderen... Ingeplant bij andere vrouwen. Hoe ging het met haar kinderen?
Hoeveel waren het er? Waren ze gelukkig? Ze moest nu niet verder denken, ze
raakte daar altijd depressief van. En ze wist eigenlijk nooit precies waarvan
ze zich dan zo beroerd voelde, of het om de kinderen ging of om de hele
toestand, om de machteloosheid en de bezorgdheid, om de woede, om het je-gebruikt-voelen, om het hele machtssysteem... om...
om... Ze
voelde hoe haar voorhoofd weer diep gerimpeld was! Daar moest ze mee
uitkijken: ze zag vanochtend in de spiegel dat die rimpel zich ook zonder
piekeren begon af te tekenen. Dat was verdacht! Men kon daar onvrede achter
zoeken en vandaaruit ongeschiktheid om de kinderen op te voeden... Haar
kinderen, de enige vier van de tien? Dertig? Honderd? die ze zelf mocht
grootbrengen, als ze tenminste binnen de opvoedingsgrenzen bleef die
voorgeschreven waren. En de controle was streng. Ze
liep maar gauw de afdeling af, stak haar pols in zo'n deurklem. Die dingen
waren automatisch aan de dikte van je pols aangepast. Elke klem was daartoe
uitgevoerd met een licht verend systeem. Ze voelde de druk ervan, in een
bijna teder gebaar als van iemand die je zacht bij je pols pakt om je te
ondersteunen bij een machteloos verdriet. Maar onverbiddelijk wreed werd die
tederheid zodra er iets niet klopte... En je wist nooit of er misschien
ergens iets niet in orde was... Elke
keer als ze haar pols in zo'n ding stak, was ze bang. Dan stokte haar adem
even, haar hart bonsde, haar knieën werden wat slap. Ze voelde de lichte
spanning om haar pols. Het was maar een ogenblik, maar wel een ogenblik vol
vijandigheid. En dan
de opluchting als ze weer vrijgelaten werd. Zo ervoer ze dat: vrijgelaten. Ze
zou er nooit aan wennen. Ze had het er eens met oma over gehad tijdens een
van haar gezamenlijke wandelingetjes en die antwoordde: 'Wees
maar blij dat je er nooit aan wennen zult, dat je er om huilen moet. Wie er
aan went, stompt af. Die wordt er ziek van en gaat ver voor zijn tijd dood.
De redding moet komen van mensen die er nooit aan wennen...' De
volgende deur ging open naar de hal, waar ook de afdeling op uitkwam waar
Jozef nu uit vrij gelaten werd. Ze wandelde erheen, stak haar pols opnieuw in
een klem en ook die deur ging voor haar open. Terwijl
ze verder de hal in liep, keek ze eens naar dat kleine puistje, net boven
haar pols: zo'n klein ding en het bracht zoveel ellende teweeg! En die
klemmen waren pestdingen: als er iets fout zat, bleef je vastgeklemd tot er
iemand kwam om jou te screnen... Ergens in het
betreffende gebouw, het ziekenhuis in dit geval, ging dan een alarm af... Als
je 'misdaad' erg was, ging je meteen achter slot en grendel. In winkels kwam
je niet eens binnen als jouw bankrekening niet van voldoende geld voorzien
was... Hoe
kon ze zich afvragen of al haar andere kinderen gelukkig zouden zijn? Hoe kon
iemand gelukkig zijn in deze door verzekeraars en industriëlen geoliede
maatschappij, vol computers en controles? Wat bleef er over aan vrijheid?
Nee: wereldoorlogen waren er niet meer, maar dit was erger dan een oorlog,
dit was letterlijk een onderhuidse oorlog, een oorlog die mensen massaal,
ieder persoonlijk en als gehele mensheid totaal verwoestte als mèns... Het
enige vrije wat je had waren je gedachten en ook die nog niet eens, want,
zoals gezegd: ze kreeg een denkrimpel tussen haar ogen, maar ook iets
verdrietigs rond haar mondhoeken en dat was verdacht. Ze moest haar gezicht
eens wat gaan masseren. Misschien wilde Jozef dat doen. Ze moesten er meteen
onderweg maar over praten. Binnenshuis was nogal link, want het was wel haast
zeker dat er afluister-microfoons verstopt waren.
Soms als ze binnenshuis elkaar iets ontoelaatbaars wilden zeggen, grepen ze
naar papier en pen. Dat papiertje moest dan wel grondig vernietigd worden,
nadat het geschrevene zorgvuldig doorgekrast was... Zorgelijk... Door
het glas van de andere deur zag ze Jozef al aankomen. Hij droeg ook een witte
band om zijn voorhoofd, zoals alle kweekvaders. Ze kon het niet helpen, maar
ze vond het hem mooi staan... Zo dubbel hè! Ze zwaaide naar hem. Jozef
zwaaide terug. Hij keek nog even om, de afdeling in: wat háátte
hij dit hele gedoe hier! Drie keer per dag moest hij naar een
behandelkamertje. Daar hing een groen gordijn met een gat erin. Hij moest
zijn penis door dat gat steken. Aan de andere kant voelde hij hoe dat ding,
alsof het niet van hem was, gewassen werd met warm water en hoe het zich al
oprichtte bij die warme aanraking... Dan werd het opgewreven tot het orgasme
in golven door zijn hele lijf ging. Alhoewel dat een moment van genot was,
bleef er een enorme kater achter. O ja, hij had wel eens geprobeerd om het
allemaal tegen te houden, maar dat merkten ze natuurlijk. Hij kreeg een
uitbrander en het lukte ook niet. Als je zo vol hormonen zit... Hij
drukte zijn pols in de klem aan zijn kant en daar ging zijn deur open. Hij
keek wat verbaasd naar Cæcilia zag ze en ze begreep
even niet goed waarom, keek vragend terug. O ja, die staart, die had hij nog
niet gezien! 'Staat
je goed en zo fris!' zei Jozef. Ze
omhelsden elkaar, ze waren goeie maatjes en vonden steun bij elkaar. Dat was
maar goed ook. Gearmd gingen ze naar de uitgang. Eén voor één werden ze naar
buiten gelaten na hun polscontrole. Cæcilia haalde
diep adem en rook de frisse geur die vanuit de polder door de wind
aangedragen werd. 'Ik
haat het daar zo,' zuchtte Jozef echter meteen toen ze buiten stonden, 'ik
meen me telkens een beetje in te kunnen voelen in verkrachte vrouwen. Ik voel
me gebruikt, verkracht. Elke keer weer, drie keer per dag.' Ze
zwegen beiden. Cæcilia had daar geen antwoord op.
Ze keek hem hulpeloos aan. Hij vroeg haar: 'Hoe
gaat het met jou, je ziet er zorgelijk uit!' 'Ik
voel me beroerd, ik kan er eigenlijk niet meer tegen. Vraag jij je nooit af
hoe het met jouw kinderen gaat? En hoeveel er van jou rondlopen?' 'Ik
vraag me dat wel eens af, maar ik ben wat beter dan jij in het dingen van me
afzetten, zoals mannen opgefokt zijn. Dat zijn nog steeds de gevolgen van de
voorprogrammering van jongetjes. Jongetjes leerden en leren nog, al vroeg
dingen die gevoelsmatig voor hen van belang zijn van zich af te zetten. En ik
kom bovendien uit een streng christelijk gezin en een streng christelijke
school. Dat gaat er in generaties niet uit. Zo is jouw bezorgdheid voor een
deel ook nog voorprogrammering. Vrouwen kunnen dingen moeilijker loslaten.
Nog steeds. Maar
eigenlijk kan ik er niet over oordelen: ik heb nooit negen maanden een kind
gedragen, met alle lasten en vreugden vandien en
het geboren laten worden. Ook al leefde ik mee met je zwangerschap en was ik
telkens bij de bevalling van onze kinderen: voor mannen is het totaal anders.
Ik voelde elke keer heel goed dat ik er buiten stond, dat het eigenlijk
alleen jouw zaak was. Ik vond dat wel jammer, maar gelukkig heb ik toch een
goede band met de kinderen op kunnen kweken. We
moeten maar eens wat doen aan je denkrimpel. Ik zag van de week dat je een
zorgelijk gezicht krijgt en dat is verdacht. We kunnen de kinderen
kwijtraken, maar ook elkaar. En ik wil je toch niet missen. Ik heb veel van
je geleerd en je bent voor mij een krachtbron. Vertel eens.' 'Ik
zag dat zorgelijke gezicht van mij vanochtend ook in de spiegel. Ik ben zo
moe en ik ben het zo zat. Hoe vaak hebben ze me nu al niet eieren afgenomen?
Ik ben nu bijna vierentwintig en vanaf mijn veertiende hebben ze me elke drie
maanden, als ik niet zwanger was tenminste en geen kind voedde, uitgemolken.
En nu ik verder geen eigen kinderen mag krijgen, blijven ze dat elke drie
maanden doen.... Hoeveel dochters en zonen heb ik rondlopen? De oudsten ervan
zijn inmiddels ongeveer tien... En zijn het er drie of dertig? En hoe
moeten die gelukkig zijn in deze wereld? Met andere ouders. Ze zullen ons
nooit kennen. Moeder
vertelt er zo vaak van hoezeer zij en haar broer en al die andere
adoptiefkinderen er zo'n moeite mee gehad hadden dat ze door hun ouders
'weggedaan' waren, al konden die niet anders in die bekrompen tijd van de
vijftiger en zestiger jaren. En dan
al die klemmen... En dat nergens kunnen praten, altijd weer naar buiten
moeten als je elkaar wat wil zeggen.... Als
die rimpel en die zorgelijke lijnen rond mijn mond teveel op gaan vallen,
moeten we misschien de kinderen afgeven... Wil je me vanavond masseren?
Misschien helpt het een beetje. Ik wil niet het risico lopen dat Men mij
ongeschikt vindt en de kinderen bij ons weghaalt. En ik wil jou ook niet
kwijt.' Jozef
sloeg zijn arm om haar heen en woordeloos liepen ze verder naar de tramhalte.
Op een gegeven moment stond hij even stil en zei zachtjes in haar oor: 'Ik
vertrouw er op dat alles ten slotte goed zal komen. Dat houdt mij overeind.
De mensen zijn het allemaal zat en dat houden ze niet lang meer vol! Jouw
grootmoeder zei ook al zo iets toen we laatst met haar in het park wandelden.
Ze is al bijna negentig, maar zij heeft nog volop hoop en doet wat ze kan om het
leven een ander zicht te geven voor de mensen. Bij de gigantische genees-bijeenkomsten in de kathedraal weet ze dingen zó
te zeggen dat mensen er wat aan hebben. Ze kunnen haar niet pakken, maar
intussen houdt zij dat rotgevoel van de mensen levend, omdat daar de
kracht uit moet komen voor een omwenteling. Elke
dag, als die bijeenkomst op tv uitgezonden wordt en daags erna herhaald,
laten die uitzendingen en wat er gezegd wordt hun sporen na. Vertrouw een
beetje Cæcilia. Als zij met haar bijna negentig jaren
nog zo vol toekomst zit, moet jij geen rimpel fokken!' 'Je
hebt gelijk! Maar wil je vanavond toch maar mijn gezicht masseren?' 'Dat
zal ik doen en ik zal je zelfs helemaal masseren, dan knap je wat op!' 'Graag!' Ze
liepen verder. Een vrouw, ook een kweekmoeder, die op weg was naar het
ziekenhuis kwam op haar toe: ze had een dikke bos rood krulhaar. Nu was het
verboden dat kweekmoeders en kweekvaders contact zochten met anderen
kweekouders. Allemaal om te voorkomen dat ze opstandig zouden worden. Dat
werd zo niet gezegd, maar het was natuurlijk de enige reden. Deze vrouw
echter brak door dat verbod heen. Geagiteerd stelde ze zich voor: 'Ik
ben Miep Helkers. Hoe hebben ze binnen gereageerd
op je staart?' Cæcilia stelde
zich ook voor en vertelde hoe het gegaan was. 'Wil
je je even omdraaien, dan kan ik zien hoe je het gedaan hebt.' Cæcilia draaide
zich met de rug naar Mia toe. Toen ze zich weer terugdraaide was de ander al
aan het proberen haar gigantische bos onwillig haar in een wrong te draaien
om het door de lus van de witte band heen te trekken. Dat ging moeilijk,
omdat het zo'n dikke staart was. Cæcilia hielp een
handje, door eerst de witte band helemaal van het hoofd te halen, deed er de
dikke staart door, legde bovenop een lus in de band en trok hem daarna weer
om het voorhoofd van Miep. 'Hè
hè! Dat lucht op!' Trots stapte Miep, na Cæcilia bedankt te hebben naar het ziekenhuis, haar zware
paardestaart dansend in de wind. Een
andere vrouw die op weg was naar het ziekenhuis, was er bij komen staan, begon
ook haar haar in een staart te draaien... Maar een politieagent kwam op hen
toe en zei met zware stem dat ze moesten doorlopen en haar haar weer losdoen. 'Poeh,'
zei die andere vrouw in zijn gezicht: 'het màg hoor
van daarbinnen. Het is veel te warm, en daar worden we zenuwachtig van en
geïrriteerd! Dat is nergens goed voor! Zeker niet voor onze kinderen...' Een
ander kwam met haar man uit het ziekenhuis en ging naast Cæcilia
en Jozef lopen, onderwijl haar haren ook in een staart opknopend... Ze bleef naast
hen lopen en praatte met hen. Ze wisselden mondeling snel adressen uit om
eens wat vaker te praten. Maakten een afspraak in het dichtstbijzijnde park,
zonder hoofdband... Een andere politieagent kwam opnieuw tussenbeide, maar
het 'kwaad' was al geschied. Even
later stapten Jozef en Cæcilia de tram in. Ze
zwegen daar. Je kon ook in de tram niet zomaar praten, je wist nooit of er
een controleur met een afluistermicrofoon in de buurt was. Cæcilia's moeder zei vaak dat ze nog meegemaakt had dat
de controle achter het IJzeren Gordijn indertijd ook groot was, maar ze
hadden toen nog niet deze verfijnde technieken gehad. Die werden pas
ontwikkeld in de late tachtiger jaren, en werden in beginsel alleen voor vee
gebruikt. Bij
het verlaten van de tram zei Cæcilia: 'Hoe
komt het toch dat oma zo'n sterke vrouw is en altijd uitzicht heeft, ook al
leeft ze zo ongeveer als een gevangene? Hoe kan ze anderen zoveel kracht en
genezing geven en toekomst?' 'Ik
sta er ook steeds weer van te kijken,' zei Jozef, 'zo'n oude vrouw, zo lenig
en een houding als een koningin. Waar haalt ze de energie vandaan?' 'Zou
het komen omdat ze zo onafhankelijk is? Ik heb altijd het gevoel dat niets
haar meer raken kan, dat ze een rijkdom bezit die niemand haar kan afnemen,
dat ze dáárom zoveel betekenen kan voor anderen,
ondanks het systeem. Laatst
schreef ze op een wc-papiertje wat ik bij thuiskomst in de capuchon van mijn
windjack vond: "niets kan je deren als je onafhankelijk bent. Dan is de
sterkste gevangenis een papieren doosje waar je zo doorheen kunt prikken met
je wijsheid en je ongebondenheid." Ze
schrijft dikwijls dingen waar ik dágen, wéken voor nodig heb om ze te verwerken, om er iets van
te vatten. Doorgeven aan anderen kan ik dan alleen maar met de mond, nog niet
vanuit mijn leven.' 'Vandaar
je rimpel,' glimlachte Jozef, 'maar je bent al een heel end. Veel mensen
proberen met jou te praten als je ergens wandelt en je geeft ze vaak veel
bevrijdende gevoelens en gedachten mee. Dat is toch weer je oma die er achter
zit immers? Die heeft jou al zo ver gebracht. Heb
toch geduld met jezelf dat je nog niet zo ver bent als zij! Zij heeft er ook
vijftig jaar over gedaan. Als ik me niet vergis was ze al veertig toen ze
zelf begon te leven. En ze was tweeenzestig toen
haar eerste boek uitkwam, wat zulke enorme gevolgen had voor de katholieke
kerk... Tegen dat jij zestig bent, is de wereld opnieuw anders...' 'Of
vernietigd, of de mensheid is helemaal gek geworden door die controles.' 'Praat
zo niet in de nabijheid van je oma: ze zou zeer teleurgesteld in je zijn!' 'Nee,
ze zou het begrijpen, ze heeft zelf zo allemachtig vaak dergelijke momenten
gekend en die accepteerde ze, die heeft ze léren
accepteren, door ze te voelen en ze niet weg te praten... Ze heeft zelfs
geleerd om ze te gebruiken om er dingen uit te leren en het systeem van
toentertijd uit te hollen...' Jozef
keek haar verwonderd aan: 'Eigenlijk
weet je het zo goed hè! Soms snap ik niet dat je je dan nog zoveel zorgen
maakt!' Bezoek Bij de
voordeur graaide Cæcilia automatisch naar de
sleutel in haar broekzak, maar dat hoefde niet, want de deur zwaaide wijd
open: haar moeder was onverwachts over uit het diepe zuiden van het land.
Stralend stond ze in de deuropening. Ze omhelsden elkaar lang en woordeloos. Cæcilia voelde de warmte van de lange slanke vrouw haar
omringen als een wollen deken en ze zuchtte diep: dat had ze nou net nodig! 'Ik
had je auto niet gezien mama,' zuchtte ze. Liesbeth
glimlachte: 'Die
heb ik expres om de hoek gezet om je te kunnen verrassen!' 'Je
blijft een eeuwige plaaggeest!' Op dat
moment kwamen de twee oudste kinderen thuis uit de zomerschool met de hulp
die hen afgehaald had, tegelijkertijd rinkelde de bel van de watertankauto
aan het eind van de straat. Wat een drukte ineens! Jozef ging met de twee
emmers het water halen en liet de drukte van vrouwen en kinderen in hun
uitgebreide, warrige begroetingsceremonies met genoegen even alleen. Iedereen
praatte en schreeuwde verheugd en vragend door elkaar en niemand luisterde
echt naar de antwoorden van de anderen. Ten slotte nam Cæcilia
het voortouw en dirigeerde iedereen de woonkamer in. Haar moeder plantte ze
midden op de bank en de kinderen op de grond bij haar voeten. Even stond ze
glimlachend het toneeltje te bekijken: het leek wel een ouderwets plaatje uit
zo'n heel oud boekje wat ze ooit van haar grootmoeder gekregen had. Ze
bezag met warmte en een groot gevoel van waardering door haar hele lijf haar
moeder. Ze was nu eenenvijftig met haar warboel van bijkans zwart haar met
witte strepen erdoorheen in een dikke vlecht op haar rug (ze had óók haar
haren niet meer los hangen, zag Cæcilia ineens! Wat
toevallig!) en praatte met de twee kleintjes die haast verliefd naar haar
opkeken en geen oog hadden voor iets of iemand anders: oma moest vertellen en
liefst dat verhaaltje van 'Knoepertje'. Knoepertje, het oude familiekaboutertje, wat intussen al
een lange loopbaan had van avonturen. De
hulp ging voor de lunch zorgen, Cæcilia liep met
haar mee de kamer uit en ging naar de baby's boven om te kijken of er al een
wakker was. Ze liet haar moeder met de kleintjes alleen. Dat was haar wel
toevertrouwd. Liesbeth Cæcilia's
moeder, Liesbeth, werkte nog in de kritische uitgeverij toen ze van Cæcilia in verwachting raakte in '95. Ze had dat zo
gepland en wilde haar kind alléén krijgen. Ze was een B.O.M.
Door haar ervaring als adoptiekind en alle problemen eromheen over
natuurlijke ouders en zo, wilde ze persé dat de
vader bekend zou zijn en dat hij ook contact zou willen met het kind door de
jaren heen. Ze had zo iemand gevonden, kon goed met hem opschieten, raakte
zelfs bevriend met hem, maar wilde niet met hem samenwonen of trouwen. Ze had
gerekend op de hulp van haar vader en moeder als ze haar kind eenmaal had en
dat was ook afgesproken, maar het liep anders. Haar
moeder, Mia, die ze hardnekkig 'moedertje' bleef noemen, was namelijk ten
tijde van de geboorte van Cæcilia in Rome. Ze
belandde daar immers zwaar gewond in een ziekenhuis na de aanslag op haar en
de toenmalige paus. In plaats van de hulp van moedertje te krijgen, ging zij
met vadertje, haar broer Herman en Mia's beste
vriendin naar Rome om te pogen haar uit de coma te halen met hun genezende
handen. Dat was gelukt gelukkig. De uitgeverij had haar, Liesbeth, extra vrij
gegeven voor dit probleem. En Cæcilia werd door
haar vader verzorgd. Wat was moedertje verdrietig geweest toen ze
onmiddellijk bij het ontwaken uit de coma vroeg naar Joannes... De anderen
stonden wat te schutteren en ze raadde onmiddellijk dat Joannes vermoord was. Ouders Indertijd,
toen Liesbeth zestien was, kreeg ze contact met haar natuurlijke moeder en
een paar jaar later zocht ze haar vader op. Dat was een buitengewoon goed
contact, van weerskanten. Het waren beiden warme, zeer intelligente mensen en
Liesbeth had er veel aan: wat ze had moeten missen bij haar adoptief-ouders: de herkenning van bepaalde talenten
bijvoorbeeld, kon ze nu volop inhalen en ze genoot ervan! Ook haar
adoptiefouders genoten van haar, van haar groei en tevredenheid: voor haar
was het plaatje rond. Voor
haar dochter Cæcilia was het later een bof dat de
ouders van Liesbeth bekend waren. Zonder die ouders had ze vast geen kinderen
mogen hebben. Gelukkig waren de ouders van haar vader ook goed bevonden door
de Voortplantingscommissie. De
kinderen van haar oom Herman, de adoptiefbroer van
Liesbeth, leden onder het feit dat zijn natuurlijke moeder indertijd de naam
niet wou geven van zijn vader. Ze had die naam meegenomen in het graf. De
kinderen van oom Herman konden dus niet voldoende gescreend worden en moesten
zich tevreden stellen met implantaatkinderen. Naar
oma Die
middag gingen Cæcilia en Liesbeth getweeën bij Mia
op bezoek. Een buitenkansje, nu Liesbeth ook vakantie had en bij Cæcilia bleef logeren. Mia
was niet eens verrast om zo ineens Liesbeth te zien: voor haar was het niet
onverwacht, ze had het voorvoeld. De begroeting was er niet minder hartelijk
door. 'Je
bent nog steeds niets gegroeid moedertje,' glimlachte Liesbeth naar Mia toen
ze elkaar warm aankeken na haar omhelzing. 'Ik
ben en blijf een kleintje, en dat is maar goed ook. Toren jij maar boven mij
uit met Cæcilia en haar kinderen...' zei ze met een
knipoog. Ze zinspeelde hiermee op een spelletje wat ze vroeger deed met
Liesbeth. Dan noemde zij Liesbeth 'kleintje' en dan trok Liesbeth haar mee
naar de trap, ging er zelf op staan tot ze boven haar moeder uitkwam,
omhelsde haar dan en zei 'kleintje' tegen haar moeder... Die tree kwam steeds
lager te liggen, tot Liesbeth haar wat zware moeder met enige
krachtsinspanning op de trap zette, zodat die weer 'kleintje' tegen háár kon zeggen... Maar
de bedoeling van haar uitspraak, die ze met een knipoog deed was, en daar kon
geen controleur haar op pakken: "word groter dan ik, doe meer dan ik nu
nog slechts kan..." Ze
gingen wandelen met z'n drieën naar het park, dan konden ze wat praten. De
twee lange vrouwen moesten haar stappen wat inhouden, omdat Mia niet zo snel
meer lopen kon. Het was wederom warm en drukkend. Mia had er duidelijk last
van. Ze hijgde. Ze was daar gevoelig voor. Er zat vast onweer in de lucht.
Gisteren had ze ook dat gevoel, maar de dreiging was overgewaaid. Mia
was nog altijd een beetje cara-patiënte. Ze had
maar halve longen door operaties rond haar twintigste. Mensen vroegen haar
wel eens waarom ze anderen goed genezen kon, maar zichzelf niet. Daar had ze
jarenlang moeite mee gehad, tot ze het antwoord vond: dan moest ze iemand of
een geneeswijze hebben die sterker was dan zij... Ze werd wel begeleid door
twee therapeuten: een Ondevit-therapeut en een klassiek homeopaat. Maar met
zulke slechte en minder dan halve longen... Mia had zich erbij neergelegd dat
ze gevoelige longen zou houden. In het
park, wat niet zo ver lopen was van het bejaardencomplex, zochten ze een bank
op in de schaduw van een grote boom. Een tijdje zwegen ze. Ineens begon Cæcilia te huilen: 'Ik
kan er niet meer tegen, oma! Er lopen zoveel kinderen van mij rond en die
kunnen nooit gelukkig worden in deze maatschappij en dan al die klemmen!' Mia
legde een arm om haar heen: 'Huil
maar kleintje, huil maar. Het is een zware last die je te dragen hebt, een
onvoorstelbare last die nooit in de geschiedenis mensen te dragen hebben
gehad. Een last die jou door de machts-maatschappij
opgelegd is. Dat zal door vrouwen afgebroken moeten worden, maar ik weet nog
niet hoe.' Ze zweeg een tijd. 'Ik
weet niet hoe ik ermee om moet gaan: elke drie maanden mijn eieren af te
moeten staan en te weten dat de kinderen daarvan nooit gelukkig zullen
zijn... En zij zullen nooit hun vader en moeder kennen! Als ik aan de
verhalen van jou, mama denk... Soms zie ik spoken in de stad. Dan zie ik
iemand met een baby en dan denk ik: die zou wel van mij kunnen zijn!' 'Meisje,'
zei Liesbeth, 'dat kan niet, want ze worden altijd ingeplant bij vrouwen die
minstens driehonderd kilometer van je vandaan wonen. Ze hebben er een heel
ingenieus systeem voor ontwikkeld, dat wereldwijd verspreid wordt.' 'Okee, maar het feit blijft dat, zoals de wereld er nu uit
ziet, ze nooit gelukkig kunnen worden.' 'Dat
weet je niet Cæcilia! Dat wéét
je niet,' antwoordde Mia, 'je kunt nog geen seconde vooruit zien, dus hoe kun
je dat dan weten?' Cæcilia
zuchtte. Mia keerde zich helemaal naar haar toe, legde haar rimpelige, maar o
zo prettig warme handen om haar gezicht en keek haar diep aan: 'Je
kunt nog heel veel doen voor al die kinderen van je. Je kunt ze met je
energieën begeleiden, vanaf het moment dat ze als eieren groeien in je
buik... Je kunt er een beschermende stolp van energieën overheen zetten,
zodat geen kwaad hen deren kan.' Cæcilia keek
haar met grote ogen aan: 'Daar
heb ik nog niet bij stil gestaan! Maar oma, wil jij dat niet doen? Jij hebt
meer tijd dan ik en voor jou is het een koud kunstje om mijn eieren, mijn
kinderen te laden met energie!' 'Dat
kan iedereen Cæcilia, jij ook. Jij zeker, omdat je
zo'n eerlijk mens bent en zulke warme handen hebt.' Cæcilia keek
naar haar handen, draaide ze om, zag wel dat ze dieproze waren, maar dat kon
ook van de zon zijn. 'Jouw
handen zijn ook warm, Cæcilia! Daar kun je veel mee
doen. En je verplaatsen in mensen, dieren en dingen met je bundel energieën
kun je leren, dat is een kunstje. Je hoeft daar alleen maar een beetje voor
te oefenen. Lees mijn boek maar eens over genezen, dan heb je het zó door.
Hoef ik het je nou niet allemaal te vertellen... Het wordt trouwens toch tijd
dat er een opvolger of opvolgster komt voor mij... Ik kan zomaar
wegvallen...' 'Wij
willen jou nog niet kwijt,' riepen Liesbeth en Cæcilia
in koor. 'Hoho! Jullie zijn al ver genoeg hoor en je moet niet zo egoïstisch
doen. Ik heb ook recht op m'n rust!' plaagde Mia. 'Je
zou die rust maar saai vinden hoor,' grapte Liesbeth, 'je hebt er nu al zo'n
moeite mee dat je niet meer alles kan wat je zou willen en vooral dat je niet
meer mag schrijven.' 'Ik
schrijf wel hoor!' fluisterde Mia in haar oor, 'vraag maar aan Cæcilia...' Vanaf
die dag trok Cæcilia dagelijks een half uur uit om
meditatief haar eieren en kinderen te begeleiden met haar energieën en ze
voelde dat dat goed was zo. Geheim
2 Mia
kreeg geen schrijfgereedschap en kon dus niets op papier kwijt. Daar had ze
een oplossing voor gevonden. Ze had gevoelige longen en mocht in haar kamer
een theelichtje branden met daarop een schaaltje water met tijm en salie. Dat
hield haar longen open en schoon. Dat betekende dat ze altijd lucifers nodig
had om dat lichtje aan te steken. Ze doofde zorgvuldig het brandertje als ze
de kamer uit ging: 'om brand te voorkomen'. Stak het opnieuw aan als ze
terugkwam... En ze ging dikwijls de kamer uit, dus gebruikte ze veel lucifers...
Als Men haar dan vroeg waarom ze alweer de kamer uit moest, antwoordde ze: 'Dat
heb ik nodig, ik wandel in de gangen om fit te blijven voor mijn werk.' En
deed ondertussen wat strek-, lenigheids- en
spieroefeningen in de ruime gangen. Ze had daar meer ruimte dan in haar
flatje en ze blééf er fit bij. Ze kwam ook altijd
wel medebewoon(st)ers tegen waarmee ze een praatje maakte, een opbeurend
praatje, ook al kon Men haar in haar uitspraken nergens op pakken. Met
die afgebrande lucifers ging ze op de wc zitten schrijven op wc-papiertjes...
Die stopte ze dan achter de stortbak. Als Cæcilia
kwam, wist ze altijd weer wat blaadjes in haar jaszak of bij een omhelzing
als ze afscheid van elkaar namen, onder haar kraag of in de capuchon te
stoppen. Thuis werkte Cæcilia die papiertjes dan
weg in de map in de kast onder de naaidoos. Het was inmiddels een hele stapel
geworden... Gelukkig was die hoek van de kamer waar de kast stond niet
zichtbaar voor de minuscule stofjes op de rand van het behang... De minuscule
stofjes waar Cæcilia en Jozef niet van wisten. Een
lange nacht 's Avonds
was Liesbeth naar een oude vriendin en Cæcilia en
Jozef waren alleen thuis. 'Wil
je m'n gezicht masseren?' vroeg Cæcilia
na het eten toen de hulp eindelijk weg was. 'Natuurlijk,
vrouwke, dat doe ik graag voor je. Waar lig je het
lekkerste, op de bank?' Cæcilia
installeerde zich op de bank met ettelijke kussens onder haar schouders en
haar hoofd. Ze genoot ervan hoe Jozef stevig over haar huid gleed en haar
spiertjes kneedde met zijn vingertoppen. Wàrme
vingertoppen. Dat was ook geen wonder: wie eerlijk leeft, straalt warmte uit.
Met haar ogen dicht lag ze op de kussens. Aan het hoofdeinde zat Jozef op
zijn knieën op de grond. Hij bewerkte haar hele gezicht en haar hals. Toen
hij daarmee klaar was, gooide Cæcilia de kussens
van de bank en ging op haar buik liggen met haar armen gevouwen onder haar
voorhoofd. Jozef masseerde haar hele achterhoofd, al was dat wat lastig met
al die lange haren. Maar hij kon met zijn stevige vingertoppen tussen de
haren nog heel wat bereiken. Hij vergat haar oren niet: die zit vol met pressuurpunten. Cæcilia's hoofd
gloeide helemaal toen hij daarmee klaar was en haar oren waren net rode
kooltjes. 'Wil
je dat ik de rest ook doe?' vroeg hij. 'Graag,
je hebt zulke stevige handen! Dan zal ik zo meteen kruidenthee zetten. We
hebben er nog wel wat water voor.' Cæcilia deed
haar kleren uit en Jozef begon haar nek, schouders en rug te masseren. Daarna
haar armen, billen en haar bovenbenen. Vooral haar voetzolen kregen een
stevig beurt. Daar zaten heel wat pijnpunten en dat vond Cæcilia
niet leuk... Ze schreeuwde het af en toe uit van de pijn. Toen Cæcilia zich omkeerde, moest Jozef even slikken: hij
kreeg het moeilijk bij het zien van haar stevige borsten... Hij kreeg
spontaan een erectie. Hij bloosde en zuchtte. Cæcilia
deed haar ogen open en hij keek haar schuldbewust aan. Ze zei echter niets en
sloot haar ogen weer. Ze had hem goed begrepen, en voelde zich wat
ongemakkelijk, poogde zich toch onbelemmerd over te leveren aan zijn stevige
handen. Hij ging even weg. Loste voor dat moment het probleem op. Háátte het... Daarna
ging hij zwijgend verder met masseren. In
haar buik voelde hij veel 'knopen' zitten die hij stevig met de vingertoppen
van twee handen diep wegmasseerde. Dat was af en toe erg pijnlijk, maar hij
wist dat elke knoop die hij weg kon krijgen of verminderen Cæcilia zou helpen om als mèns weer sterker in haar
schoenen te staan. 'Dit
moet ik maar vaker bij je doen,' zei hij. 'Je
doet me veel pijn, dus ik zou zeggen: "liever niet," maar ik besef
ook dat het goed voor me is. Alternatieve geneeswijzen zijn soms erg wreed,
maar dan bedenk ik dat de maatschappij die mensen dit aandoet nog veel wreder
is!' 'Sst, niet zo hard!' Geschrokken
sloeg Cæcilia haar hand voor de mond. Ze zeiden
beiden niets meer. Pas
toen Jozef weer bij de voeten was, zette hij de radio aan om eventuele
microfoons te storen en fluisterde in haar oor: 'Ik
heb het zo moeilijk. Ik wil graag met je vrijen, maar ik voel me zo
gefrustreerd, omdat ik níét met je wil vrijen. Niet
nú. Ik zit volgepompt met hormonen en ik wil niet dáárom
met je vrijen. Dat wil ik je niet aandoen!' 'Ik
verlang ook naar jou, maar ik wil het om dezelfde reden niet. Ik voel me een
hoer en voel me gebruikt. Niet door jou, maar door de maatschappij. Elke keer
als we die hormoonkuur hebben gehad, is het hetzelfde liedje. We raken nog
eens zó gefrustreerd, dat we helemaal niet meer durven vrijen. Laten we maar
wat thee drinken en naar bed gaan... We hebben een drukke dag achter de rug
en je zult wel moe zijn! Ik ben ondanks mijn frustratie, heerlijk ontspannen
nu en lekker warm. Dank je wel.' Ze
stond op, boog zich over Jozef heen en kuste hem op zijn voorhoofd: 'Je
bent een schat!' Ze
trok haar t-shirt en haar slipje aan en zette thee.
Er werd niet veel gesproken. Daarna ging Cæcilia
naar boven. Jozef sloot af en kwam achter haar aan. Eventjes liep ze de
kamers van de kleintjes binnen, streelde er eentje de haartjes uit het
gezicht, stopte een ander wat beter onder, legde de baby op het andere
zijtje... Eenmaal
in bed lag ze te kijken hoe Jozef zich uitkleedde en zag hoe zijn broek
opbolde. 'Ik ga
me even aftrekken,' mompelde Jozef. Maar
ze kwam overeind, pakte zijn hand en trok hem naar zich toe... Korte
tijd later lagen ze dicht tegen elkaar uit te hijgen. Toch voelden ze zich er
geen van beiden prettig onder. Ze wisten zich geen raad hoe hiermee om te
gaan. Cæcilia zette de radio aan en zei in zijn
oor: 'Misschien
moeten we het maar laten komen zoals het komt en ervan genieten. We wéten het
toch van elkaar? Misschien is het eenvoudiger als we gewoon met de stroom
meegaan!' 'Dan
kan ik de komende dagen nog wel drie keer per dag...' 'Laten
we maar kijken hoe het loopt... Anders gaan we eraan kapot.' Ergens
in een grote zaal vol cabines met monitors had iemand onverschillig de
massage aan zitten kijken. Ach: hij had elke dag van die stelletjes in het
vizier. Allemaal zo ongeveer hetzelfde: vol hormonen en sex-belust.
De uitvoering verschilde. Sommigen hadden ruzie, anderen gingen zichzelf
bevredigen en die twee waren bezig met masseren. Die zouden ook nog wel... Op
een gegeven moment gingen ze allemaal voor de bijl. Op het
moment dat Cæcilia op haar rug ging liggen, zoomde
hij toch even in vanuit dat minimale stofje op de rand van het plafond en het
pikkeltjesbehang... Schakelde over op een ander stofje op de rand van het
pikkeltjesbehang en zoomde in op die prachtige borsten. Hij kon het niet
laten, kreeg zelf een erectie en al spoedig trok hij zich af... Leuke baan
had hij toch: mocht zomaar meegenieten van al dat moois. Het
telefoontoestel bij zijn elleboog rinkelde net toen hij zijn broek voldaan dichtritste. Hij zei luiïg zijn
personeelsnummer en schoot toen verschrikt overeind. Het beeld van de borsten
werd overspoeld door een nijdige kop die hem toesnauwde: 'Dit
is een waarschuwing! Dergelijke lolletjes moet je maar laten Klaassen! Nog
één keer en je vliegt de laan uit!' 'Ja
meneer,' zei Klaassen onderdanig. 'Ze
waren net aan het praten en dat heb je niet gehoord!' Klaassen
schrok, keek naar de andere monitor en zag dat stel inderdaad praten. In die
andere zaal met cabines met monitoren zakte de andere figuur tevreden
achterover. In het midden van het land grijnsde de centrale controleur gerustgesteld.
Dat was goed opgelost. Nu wist nummer één dat hij in de gaten werd gehouden.
Dat kan nooit kwaad. Nummer twee wist het misschien nog niet. Zou hij...? En
zijn hand zweefde een moment boven het telefoontoestel bij zijn rechterpols.
Toch maar niet... In
Brussel... Klaassen
intussen had het oorspronkelijke beeld weer terug. Verdraaid: ze hadden de
radio aangezet en vlak bij hun hoofd, waar een van de microfoons in de bank
ingebouwd was. Hij probeerde te verstaan wat ze zeiden, maar kwam er niet
uit. Nou ja... Al
spoedig schakelde hij over op een minuscuul stofje op de rand van het plafond
en het bloemetjesbehang in de slaapkamer: dat verhaal kende hij al en hij
ging op de andere monitoren kijken. Toch probeerde hij even later op te
vangen wat dat ene stel besprak na afloop, maar de radio stond weer aan en
stoorde. Nou ja... Ze
deden het licht uit en hij schakelde over op de infrarood camera. Maar er
viel niets meer te beleven. Weer
naar oma De dag
erop wandelde Cæcilia 's ochtends met de twee
kleintjes in de tweelingwandelwagen opnieuw naar haar oma. Die had haar
wederom verwacht. 'Je
kunt jou nou nooit eens verrassen,' klaagde Cæcilia
plagerig. Mia
glimlachte alleen maar even. Ze had het zorgelijke gezicht van Cæcilia gezien en begreep dat dit grapje alleen bedoeld
was om zich op de been te houden. Ze ging er meteen op in toen Cæcilia zei: 'Ik
vind het zulk mooi weer, heb je zin om nog even mee te gaan wandelen? De
weerberichten zijn zodanig dat het de komende dagen wel eens afgelopen kan
zijn.' Ze
wandelden met de baby's naar het park en kozen een andere bank dan die van
gisteren uit om op uit te rusten. Eentje bij de zandbak, dan kon het kleintje
van twee in het zand spelen. 'Liesbeth
is zeker weg?' vroeg Mia om de dreinende stilte te doorbreken. 'Die
is een paar dagen bij haar vriendin gebleven, overmorgen komt ze nog een
weekje bij mij logeren,' Cæcilia's stem klonk hoog
en strak, 'pff, het is drukkend weer. De lucht
heeft zo'n rare tint en er schijnt zo'n raar licht over alles. Zou er onweer
komen?' 'Zo
voelt het wel aan,' antwoordde Mia. Ze
zwegen een hele poos. Toen: 'Vertel
mij nou maar eens wat je dwars zit.' Cæcilia keek
haar oma wanhopig aan. 'Wat
is er nou liefie? Zeg het maar.' Cæcilia
brabbelde snel, hevig geëmotioneerd: 'Als
Jozef en ik uit het ziekenhuis komen en nog zo vol hormonen zitten, hebben we
behoefte aan vrijen, maar dat willen we dan niet, omdat we het niet doen om
die ander, maar vanwege de hormonen snap je dat? We willen elkaar niet
gebruiken. We zitten er allebei verschrikkelijk mee. En elke keer wordt het
erger en spannender tussen ons. Het beheerst onze hele relatie. We weten er
geen weg mee!' 'Kun
je er samen over praten?' 'Dat
wel gelukkig, maar het helpt niet, omdat we niet weten hoe we ermee om moeten
gaan. We haten die hele situatie zo, dat gebruikt-worden,
die rotzooi in je lijf, dat uitgemolken worden en dan thuis het andere gevolg
van die hele toestand...' 'Was
het gisteren weer zo ver?' 'Ja,
en we hebben het toch gedaan, omdat we het niet konden houden. Daarna hadden
we er een kater van.' Oma
legde haar hand op het hoofd van Cæcilia: 'Je
hebt het zwaar meisje, wat vind ik dat erg. En dit, wat iets fijns zou moeten
zijn, wordt zo verrot door die toestand... Is het niet mogelijk dat je gewoon
afspreekt er dan maar aan toe te geven en er op een gegeven moment dan maar
van te genieten. Je wéét het toch van elkaar?
Jullie nemen het elkaar toch al niet kwalijk. Het is
zo zonde,' vervolgde ze, peinzend in de verte starend, 'jullie gaan zo
eerlijk met elkaar om, dat je eigenlijk een heel goed huwelijk hebt, al ben
je niet getrouwd. Het is zo jammer dat dit die goede verhouding zó komt
aantasten...' Er
volgde een lange stilte. 'We
zijn net koeien!' riep Cæcilia ineens plompverloren
uit. 'Ho
eventjes,' riep Mia er overheen, 'je bent wel ietsje meer hoor! Maar het zou
wel jammer zijn als dit jullie goede verstandhouding kapot zou maken. Gebruik
die momenten maar en geniet ervan. Probeer de oorzaak ervan even opzij te
zetten: jullie verhouding is voor jullie, voor je kinderen en wereldwijd vele
belangrijker dan te laten meewegen dat je vol hormonen gespoten bent. Je
kunt een macho-situatie pas uithollen als je ermee
om blijft gaan. Omdat je dan de wegen leert zien om die situatie te bestrijden.
Ga met de stroom mee Cæcilia, misschien wordt het
gemakkelijker als je dit probeert te zien als een compensatie voor de
narigheid die je moet ondergaan...' Cæcilia keek
Mia ineens verrast en opgelucht aan en zuchtte bevrijd: dit was het antwoord
wat ze nodig had. Ze pakte de beide handen van de oude vrouw, 'wat een kleine
handjes,' dacht ze, 'en dan zoveel kracht en warmte er in,' en zei: 'Dank
je oma, dit had ik nou net nodig!' Ze
legden elkaar de handen om het gezicht, kusten elkaar, keken elkaar lang en
diep in de ogen en zagen er rijkdom in en warmte, groei en waardering. 'Je
bent een fijne vrouw Cæcilia, ik ben blij dat je
mijn kleindochter bent. En ik wil graag dat je mij straks gaat opvolgen.' Ze
zaten een hele poos vredig naast elkaar op de bank, hand in hand, zwijgend
genietend van het kleintje in de zandbak en het ander dat rustig lag te
slapen; lachend om het stoeien van de eenden en de meerkoeten op het water;
kijkend naar de meeuwen die alsmaar hongerig rondcirkelden. 'Die
meeuwen horen eigenlijk op zee thuis. Oorspronkelijk kwamen ze alleen hartje
winter het binnenland in, maar begin jaren zestig begonnen ze ook in de zomer
landinwaarts te blijven. Waarom toch? Het is evolutie. De mens echter heeft
de echte evolutie tegengehouden, zelfs fel bestreden' zei Mia peinzend,
'alleen het verstand mocht verder ontwikkeld worden en als tegenhanger werden
allerlei zoethoudertjes opgefokt: romantiek, religies, kunst, sport... En
moet je nou zien: zoals jij er bij zit en al die anderen, al die gesteriliseerde
mannen en vrouwen, al die controles... Waarom moet ik nu ineens aan dominee
Martin Luther King denken?' Cæcilia keek
haar wat vragend aan: 'Heeft
die niet, om de negers gelijkberechtigd te krijgen, een grote mars
georganiseerd?' Mia
knikte en knipoogde nadrukkelijk. Even was Cæcilia
beduusd: wat bedoelde ze met die knipoog? Oma bleef haar bijna dringend
aankijken. Toen drong het tot Cæcilia door: die
mars, zó moest er iets gaan veranderen! En die knipoog moest een
afspraakteken worden om berichten goed door te kunnen geven. Wat was oma toch
slim! Ze begon te lachen en gaf een stevige knipoog terug. Samen barstten ze
in schaterlachen uit, sloegen elkaar op de schouder en rolden bijna van de
bank. Cæcilia kon Mia nog net vastgrijpen. 'Val
niet Big Sister!' riep ze Mia toe... De
boodschap Cæcilia en Mia
spraken nog meer af met een knipoog en een grap: 'Och,'
had Cæcilia gezegd, 'twaalf uur Greenwichtijd is
toch een mooie tijd van de dag!' 'Het
stadhuis ligt hier niet zo ver vandaan hè, dat is best te belopen,'
antwoordde oma met haar knipoog. 'Was
acht maart niet van oudsher Wereldvrouwendag?' 'Precies.
Volgend jaar geef ik maar eens een feest denk ik. Gekostumeerd: allemaal een
witte band!' 'Wist
jij dat naalden en scharen wat magnetisch waren?' wees ze even later
knipogend naar het kleine pukkeltje op haar pols. 'Is
dat zo?' vroeg Cæcilia met een knipoog. 'Ik
gebruikte dat als mijn doosje weer eens omgevallen was: alle naalden bleven
dan aan de schaar hangen,' zonder knipoog. 'Aan
een plakbandje,' wees Cæcilia naar haar bultje en
gaf een knipoog, 'blijven ook veel naalden plakken...' Ze
vroeg een poosje later aan Mia: 'Jij
weet zoveel van het christendom. Hoe laat stierf Jezus eigenlijk?' 'Om
drie uur 's middags is hij aan het kruis gestorven. Men heeft altijd
gedacht dat hij aan zijn handen vastgespijkerd is, maar hij is waarschijnlijk
aan zijn polsen opgehangen (knipoog)...' Een
tijdje zaten ze zwijgend bijeen. 'We
moeten dat wat we beginnen maar 'Big Sister' noemen als tegenhangster
van de Big Brother die alles en iedereen zo
controleert en verziekt!' zei Cæcilia. Mia
knikte instemmend: 'Een
prima idee...' 'Er is
één grote maar aan,' zuchtte Mia ten slotte met een bezorgd gezicht. 'Hoezo,'
verbaasde Cæcilia zich. 'In
dit systeem zijn alle godsdiensten en culturen weggewerkt, onderdrukt. Als
het systeem ophoudt in die mate de mensen emotioneel en op allerlei andere
wijzen te onderdrukken, zullen de mannen van de diverse godsdiensten en de
mannen van diverse volkeren en de mannen van allerlei culturen weer met
geweld andere godsdiensten, volkeren en culturen aan zich willen
onderwerpen... Ze zullen elkaars vrouwen verkrachten, elkaars kinderen
vermoorden, elkaars mensen uit hun huizen jagen... Ik heb
dat zo vaak gezien. Mannen van onderdrukte volkeren, waarvan je zou denken
dat ze hun cultuur wel vergeten waren, omdat ze al drie à vijf generaties
onder een haarfijn gecontroleerd systeem opgegroeid waren, begonnen onmiddellijk
na de bevrijding weer te knokken, te verkrachten en te moorden... Het is
een grote verantwoording die we nemen!' 'Moeten
we daarom deze bevrijding dan maar niet gaan doordrukken?' vroeg Cæcilia, 'we hebben nu toch geen leven? En dat is óók
door toedoen van mannen!' 'We
móéten dit doorzetten en als de mannen van de mensheid nu nòg niets geleerd
hebben, dan moet dat maar zo. En dat is dan onze schuld niet... Nee, het is
onze verantwoording niet. Onze verantwoording is dat we binnen onze
mogelijkheden moeten doen wat we kunnen om onszelf en alle andere mensen een
menswaardig leven te bezorgen. Als anderen de kwetsbaarheid van mensen dan
misbruiken om hun cultuur of religie aan anderen op te dringen, om misdaden
te plegen en anderen opnieuw te onderdrukken, dan hebben niet wij dat
veroorzaakt!' Toen Cæcilia Mia teruggebracht had op haar flatje, zei die
tegen haar: 'Zet
genoeg teilen en emmers in de tuin liefie! Het kan
vanavond wel eens flink raak zijn!' Ze kuste de twee kleintjes, die allebei
in de wandelwagen tevreden lagen te slapen en omhelsde haar kleindochter. Zo
begon de boodschap zijn ronde onder vrouwen en een enkele betrouwbare man,
van mond tot mond, van knipoog tot knipoog... Het kwam van die twee vrouwen
in Nederland en woekerde voort over de gehele wereld. Compensatie Die
avond praatten Cæcilia en Jozef met elkaar tijdens
een gestolen avondwandelingetje. Eigenlijk konden ze de deur niet uit met de
kinderen alleen thuis. Maar ze gingen slechts één blokje om... Cæcilia
vertelde wat oma gezegd had en Jozef vond het een prachtidee: dit eigenlijk
gedwongen vrijen gaan zien als een compensatie voor alle ellende die hen
aangedaan werd. De bevrijding die dat voor hen beiden inhield, konden ze al
spoedig beleven... En die
knipoogboodschap vond hij schitterend... 's Nachts
brak het onweer in volle hevigheid los. De regen kletterde met veel
feestelijk, muzikaal kabaal in alle teilen, emmers en pannen in de tuin. Pas
toen er een behoorlijk laagje in zat, werd het lawaai tot een ruisen zoals
van de zee. Tevreden
draaide Cæcilia zich nog eens om: ze kon morgen
weer eens goed de was doen. En als ze dat water ook weer opving, kon ze,
samen met de hulp het een en ander in huis schoonmaken... Zwanger... De
volgende ochtend werd Cæcilia gebeld door het
ziekenhuis: er was besloten dat er meer meiden geboren moesten worden, omdat
het tekort eraan anders te groot zou worden. Of ze er nog twee baby's bij
wilde hebben. 'Het
is onze gewoonte niet om de mening te vragen van toekomstige ouders, maar in
dit geval doen we dat wel...' 'Zijn
ze van mij en Jozef?' vroeg ze. 'Ja,
we hebben een tweeling hier van jullie beiden.' 'Ik
wil toch eerst overleggen. We hebben al zo'n groot gezin. En Jozef of ik zal
moeten stoppen met werken buitenshuis!' 'Je
krijgt er twee maal in de week een werkster bij voor het zware werk, dus je
hoeft geen van beiden te stoppen. Bovendien wordt het huis naast dat van
jullie opgekocht, zodat je meer ruimte hebt. We vinden het belangrijk dat de kinderen
straks ieder een eigen kamer hebben. Maar je moet wel snel beslissen, omdat
je nu nog vruchtbaar bent, eigenlijk moet het vandaag nog.' 'Ik
besef dat, ik zal nu Jozef op de universiteit bellen.' 'Doe
dat. Wij zullen de universiteit ook bellen, dan kan hij naar huis. Ze moeten
maar zonder hem het nieuwe jaarrooster opstellen.' 'We
hebben al zo'n groot gezin,' klaagde Jozef, toen Cæcilia
het hem telefonisch voorlegde. 'Maar
deze twee kinderen, daar weten we dan tenminste van waar ze zijn, daar kunnen
we zelf voor zorgen. En zij weten altijd wie hun ouders zijn.' Toen
Jozef na een uurtje uit Blesward thuis kwam, waren
ze het er toch spoedig over eens: ze besloten om die tweeling erbij te nemen.
Ze hadden per slot toch hulp. En twee keer in de week een werkster en een
groter huis... En ze hoefden geen van beiden hun baan op te zeggen. 'Dit
konden wel eens bevrijde kinderen worden,' zei Jozef ineens met een knipoog. Cæcilia lachte
en knipoogde terug. Zo
trokken ze samen tevreden en zelfs gelukkig naar het ziekenhuis en Cæcilia was opnieuw zwanger toen ze naar huis
terugkeerden... Weer
water! De
puinhopen van de kernreaktor in Frankrijk werden
opgeruimd. Met enorme, door robots bediende bulldozers, werd alles opgeladen
op robotgestuurde trucs en verpakt in loden vaten. De
regering van de Wereldunie nam onmiddellijk na de ramp het besluit om de
ruimtevaart voortaan op de eerste plaats te gebruiken voor het lozen van
afval in de ruimte, in plaats van voor eigenlijk zinloze planetenreizen,
sterrenkunde en dergelijke. Op die
manier werd ook het radioaktieve afval van deze
kernramp de wijde ruimte ingestuurd. Aan boord waren gevoelige instrumenten
die de raket een andere richting gaven, zodra hij in de buurt van een planeet
kwam. Je wist immers niet of zo'n planeet bewoond was, of ander leven
herbergde... De
watertoevoer vanuit de Maas kon spoedig hersteld worden, tot grote opluchting
van iedereen... Afspraak Bij
een van de controle-onderzoeken in december in
verband met haar zwangerschap, herkende Cæcilia in
één van de assistentes een van haar oud-leerlingen. Ze vroeg haar met een
knipoog om eens aan te komen waaien, kon ze meteen haar andere kinderen zien.
Ze kreeg een knipoog terug... Toen
Els op de thee kwam, gingen ze samen even wandelen met de twee kleintjes in
de wandelwagen. Ze overlegden. Cæcilia vroeg haar
om met andere vrouwen samen te proberen de gegevens over de afkomst van alle
implantaatkinderen, wereldwijd, op te slaan op diskettes of zo. Ze legde
haar, aan de hand van de verhalen van haar moeder en oom Herman, uit hoe erg
het kon zijn als je geen basis had, omdat je je wortels niet kende. Afgesproken
werd dat Men zou beginnen met kopiëren 'n half uur vóór alle klemmen bezet
werden. Dan was er de minste kans op tijdige ontdekking. Maart 2020 De
mars Op
acht maart 2020, Wereldvrouwendag van oudsher, maar
wat alleen hier en daar nog stiekem gevierd werd, begonnen vrouwen en enkele
mannen tegen twaalf uur in de middag Greenwichtijd naar stadhuizen en
parlementsgebouwen te stromen. Zwijgend. En wereldwijd. Ze hadden scharen bij
zich en vrouwen knipten elkaar de haren af. En iedereen had ineens een witte
band om het voorhoofd. Inderhaast was politie opgetrommeld, maar er gebeurde
verder niets. Dus viel er niet in te grijpen. Een
uur lang stond iedereen zwijgend voor de gebouwen. Ineens, als op afspraak(!)
keerde Men zich om en ging weer zoals Men gekomen was. Maar niet naar huis.
Mensen drongen diep de gebouwen binnen, gebouwen waarin zij toegang hadden om
een of andere reden, omdat hun chip daarop geprogrammeerd was. Ze zochten een
deur uit, plakten een magnetische naald over hun chip heen, of streken er met
een schaar of een ander magneetje langs en om klokslag drie uur Greenwichtijd
schoof Men zijn of haar pols in een klem. In Australië was het midden in de
nacht, in Amerika vroeg tot zeer vroeg in de ochtend. Zowat
alle klemmen waren bezet, wereldwijd en de bezetters zaten onwrikbaar vast.
Onmiddellijk raakten de computers op tilt, gilden hun alarmsignaal uit.
Wereldwijd. Ook de grote centrale computer in Brussel raakte gedesoriënteerd.
Hij braakte warrige papieren uit en bleef gillend alarm slaan. Er
werd getelefoneerd, maar de telefooncentrales raakten stantepede
overbelast en vielen uit. Faxen ging niet meer en zelfs mondeling overleg in
één gebouw kon niet meer, want iedereen zat opgesloten in eigen werkruimte:
de deuren werden immers geblokkeerd door iemand die zich vastgeklemd had aan
de andere kant... Wie geluk had, zat net op de wc, die had dus water bij de
hand om te kunnen overleven, want de wc's zelf gingen nog ouderwets met een
knip dicht. De ruimtes ervoor met een chipklem. Zo
zaten mensen gevangen òf in een klem, òf in hun werkruimte en de uren begonnen te verstrijken.
Ook zaten er mensen in treinen die niet verder konden rijden. Bussen reden op
zonnecellen en die konden dus wèl verder. De post kon haar werk niet meer
doen. Fabrieken lagen stil, ziekenhuizen eveneens, kortom: CHAOS. Ook de
parlementsgebouwen van de deelregeringen in alle landen waren hermetisch
afgesloten. De
telefooncentrales waren overal onbereikbaar voor de monteurs, dus de
telefoons bleven onbruikbaar. Gelukkig
hadden de demonstranten eten en drinken meegenomen, en ook de mensen in hun
werkruimtes die ervan wisten, dus die konden het een tijdje uitzingen. De
andere mensen die opgesloten zaten in fabriekshallen, kantoren, scholen,
ziekenhuizen en andere ruimtes, hadden geen eten of drinken. De
uren werden halve dagen. Dag werd nacht en nacht werd dag. Tot
Men in de grote controleruimtes de computers begon los te koppelen, van
elkaar en van de electriciteit. Alhoewel er niets
afgesproken had kunnen worden, trad nu hetzelfde effect in werking wat je bij
zangkoren zonder dirigent ook hebt: ze gaan precies tegelijk zingen. Dat is het
collectieve intelligentie-effect. Alle computers werden tegelijkertijd
losgekoppeld. Zodoende raakten ineens alle demonstranten los en alle deuren
gingen open, want dat was ingebouwd: bij het loskoppelen van de computers
zouden alle deuren open gaan. Het
begon te tochten in alle gebouwen, want de buitendeuren stonden ook open. Dat
ging gepaard met een onbeschrijflijke stank, want niemand had behoorlijk naar
de wc kunnen gaan, dus iedereen was gedwongen geweest om zijn of haar urine
en ontlasting zomaar ergens in de eigen ruimte te deponeren. Waar Men papier
bij de hand had, had Men geluk, want daar kon Men zo goed en zo kwaad als dat
ging zich een beetje schoonwrijven. Anderen droegen de stank met zich mee,
omdat ze zich niet schoon hadden kunnen maken. Er werd nu eenmaal in deze
computertijd bijna geen papier meer gebruikt zoals dat nog wel gebeurde in
het begin van het computergestuurde tijdperk. En omdat door de angst en de
paniek veel mensen misselijk waren geworden en hadden moeten overgeven... Door
het loskoppelen van de computers gingen echter ook zeer veel gegevens
verloren. Dat was zo ingebouwd: bij calamiteiten zouden allerlei gegevens
vernietigd worden. Daardoor zakte het hele systeem als een kaartenhuis in
elkaar. Bij een kaartenhuis echter heb je de kaarten nog en dan kun je het
huis opnieuw opbouwen... Het enige wat Men nog had, was het beetje wat ooit
op papier gezet was en wat op diskettes en magneetbanden opgeslagen was, maar
behulpzame handen hadden veel van die gegevens vlak voor de tijd van
gevangenschap ook vernietigd. Alleen
de gegevens over de gezondheid waren ontzien. Die over de afkomst van de
implantaatkinderen waren stiekem tevoren op diskettes opgenomen, zodat die
kinderen later hun ouders zouden kunnen leren kennen als ze dat wilden. En
omgekeerd: want de frustraties onder vooral kweekmoeders over de onbekendheid
met de verblijfplaats van hun kinderen en of ze wel gelukkig waren, was
groot. De
demonstranten wreven hun pols en strekten armen en benen, want ze hadden van
vermoeidheid half gehangen in de klemmen. Wie geboft had had een stoel
aangeschoven gekregen. Ze hadden merendeels nauwelijks kunnen slapen. Toch
begaven ze zich op weg, opnieuw naar stadhuis en parlement. Veel mensen die in
scholen, ziekenhuizen, fabrieken en andere gebouwen opgesloten hadden
gezeten, sloten zich bij hen aan. Wie geen witte band had, of geen witte
zakdoek, gebruikte inderhaast in elkaar gevlochten wc-papier om rond het
voorhoofd te winden. Miljarden
stroomden de straat op en begonnen te schreeuwen: 'Weg met de computers,
weg met de controles, weg met de Voortplantingscommissies, weg met de macht
van de verzekeraars en de multinationals, wij willen vrijheid, wij willen
eigen kinderen en verkiezingen en democratische regeringen!' Chaos. Niemand
ging van zijn plaats totdat toegezegd was dat er echte verkiezingen
uitgeschreven zouden worden en dat de macht van verzekeraars en
multinationals aan banden zouden worden gelegd. En zo
geschiedde. Oorlog Inderdaad
waren mannen onmiddellijk alweer zo dom om hun oude godsdiensten
(godsdiensten waren van oudsher altijd allemaal vàn
mannen en allemaal tégen vrouwen!) en culturen
(culturen waren eveneens van oudsher altijd van mànnen
en allemaal tégen vrouwen!) weer op te rakelen en
ze begonnen rellen te schoppen, elkaar en elkaars vrouwen en kinderen te
verkrachten en te vermoorden en troffen voorbereidingen voor revoluties en
oorlogen. Maar
de vrouwen hadden het nu wel allemaal gezien: ze deden wat ze konden om die
mannen tot inkeer te brengen, gingen de straat op, ook al werden ze in
sommige, meteen weer extreem 'god'-sdienstige
landen met duizenden neergemaaid. Ze gingen massaal
scheiden, of bleven bij hun mannen hameren op het mensvijandige van die
godsdiensten en culturen... Het mensvijandige wat in feite ook tégen mannen is... Vrouwen pikten het niet langer. Ze
ondersteunden elkaar met behulp van veel wèl vrije mannen tégen
die godsdienstfanaten en cultuurfanaten in. Uiteindelijk moesten de mannen
hun strijd opgeven... Hèhè,
dat werd tijd... Thuis Cæcilia had,
zwaar zwanger, opgesloten gezeten in het ziekenhuis bij de laatste deur van
'haar' afdeling. Ze ervoer dat als een privilege... Jozef zat op zijn
hogeschool vast. De baby's waren in goede handen van de hulp/controleuse, die 'bekeerd' was en die de kinderen opving
samen met Lenie, die na twee mislukte pogingen inmiddels drie maanden zwanger
was. Cæcilia ging
niet naar de demonstratie: daar was ze te moe voor. Bij thuiskomst was het
eerste wat ze deed: de computer pakken. Ze had die bij het weggaan al
losgekoppeld van het systeem, hetgeen toen nog een zware zonde was. Het was
een schootcomputer: die zware krengen van de jaren negentig waren al lang
opgeruimd en vervangen door deze handige, verfijnde en snellere apparaten. Ze
dolf de wc-papiertjes met de teksten van oma uit de schuilplaats en bracht
het hele zaakje naar Mia, dan kon die haar eigen teksten verder uitwerken
voor een nieuw boek... En zo
geschiedde. Mia Mia
kreeg bijna onmiddellijk allerlei verzoeken vanuit de gehele wereld om
lezingen te komen houden en geneesweekenden. Ze was namelijk niet zó maar een
genezeres, maar ze gaf de mensen altijd iets mee om mee verder te kunnen in
hun leven. Vaak juist naar aanleiding van en met behulp van hun pijnen en
ziektes: een 'omgekeerde' wereld. En ze was blij dat ze geen blad meer voor
de mond hoefde nemen. Wel
schrok ze van de maatschappelijke, maar vooral ook psychische ellende die
wereldwijd aangericht was door de jarenlange diktatuur... Haar boeken
werden weer herdrukt, maar ondanks de rijkelijk toevloeiende inkomsten, bleef
ze toch wonen in haar eenvoudige flatje in het bejaardencomplex. Als je bijna
negentig bent... Wel liet ze voor de bejaarden het complex verbouwen tot een
fatsoenlijke behuizing en zorgde voor voldoende hulp. Ook liet ze ernaast een
zwembad bouwen, zodat ze niet telkens zover hoefde lopen om te kunnen
zwemmen. Vroeger was ze gewend dagelijks te zwemmen en dat kon ze nu weer
doen in plaats van de moeizame twee keer in de week zoals nu. Veel bejaarden
volgden haar voorbeeld. Ook al omdat de gezondheidszorg veel tijd nodig had
om de bejaardenzorg er weer bij te nemen: er was gewoonweg nog geen tijd en
geen personeel beschikbaar... Zwemmen hield de mensen fit en gezond. Chips
2 De
implantaatchips werden bij iedereen verwijderd. Veel mensen deden dat zelf,
anderen lieten het in het ziekenhuis doen. Wie niet wachten kon deed het
zelf, of liet een vriend, vriendin of zo het verwijderen. Ach, zo'n klein
sneetje, niet erger dan het uithalen van een splinter. Wel
werden de implantaatchips vervangen door nieuwe chipkaarten, maar daar
stonden alleen de hoognodige gegevens op en ze werden alleen gebruikt bij
medicijngebruik en voor betalingen. De deuren werden overal weer gewoon gesloten
en geopend. Alleen bij banken en bepaalde afdelingen van ziekenhuizen en
dergelijke bleven ze op chipkaarten werken. Vóór
dit alles geregeld was, gingen er natuurlijk jaren overheen. Maar Men behielp
zich geduldig en hielp elkaar in de chaotische toestanden. Camera's Vrij
kort na de Grote Mars kreeg Cæcilia op een middag
een telefoontje: of er morgenochtend iemand thuis kon zijn, dan konden de
camera's en microfoons weggehaald worden... 'Camera's?'
stamelde Cæcilia verbijsterd en moest even gaan
zitten. 'Ja
mevrouw, U wist daar niets van en dat was ook de bedoeling van het regime...' Ze
vertelde het Jozef toen hij 's middags thuiskwam. 'C-C-Camera's?'
stotterde hij, 'CAMERA'S? Maar waar dan? Waarom hebben we er nooit
iets van gemerkt? Die moeten dan wel verdomd klein zijn!' Ze
stonden elkaar woordeloos aan te kijken: dan was zowat àlles
van hen gezien, àlles! Wat een verschrikking. Ook
hun intiemste momenten. Cæcilia kreeg een kleur,
voelde woede omhoog komen van diep uit haar buik. Ze wist geen raad met die
woede, ze vloekte en tierde, bonkte met haar vuist op de bank. Tot Jozef zijn
armen om haar heen sloeg. Hij was ook laaiend, maar helaas kon hij dat nog
steeds niet zo goed uiten, waardoor hij Cæcilia kon
opvangen: 'Toe
maar vrouwke, gooi het er maar uit. Je hebt altijd
zoveel woede opgekropt en zoveel verdriet ingeslikt...' Cæcilia huilde
en schreeuwde met gierende uithalen. Na een poosje bedaarde ze wat en nog een
beetje nasnikkend hing ze vermoeid tegen Jozef aan, voelde zijn warmte en
zijn kracht. Voelde ook zijn onderdrukte woede, maar die kwam er misschien
later wel eens uit. Dat was bij hem altijd zo: alles kwam er later uit: een
paar uur, een paar dagen of een week of zo. Ze
gingen zoeken, speuren naar de plekken waar zo'n ding zou kunnen zitten, maar
vonden de kleine stofjes op de rand van het plafond en het pikkeltjesbehang
niet. De
volgende dag kwamen er twee monteurs en begonnen de minuscule stofjes op de
rand van het plafond en het pikkeltjesbehang weg te halen en ook de
microfoons die door het hele huis en in allerlei meubilair heen bleken te
zitten, tot op de baby-kamer toe. Aan de
hand van tekeningen haalden de monteurs de camera's meteen tevoorschijn.
Jozef en Cæcilia stonden hen op de vingers te
kijken: ze wilden persé weten waar die dingen
zaten. Boven hun bank: twee. Recht boven hun bed: ook twee! 'Dit
mevrouw is een gewone camera en dat,' zei de monteur wijzend naar het andere speldepuntje op zijn hand, 'is een infrarood camera. Daar
kon U 's nachts mee in de gaten gehouden worden.' Cæcilia en
Jozef keken een poos stom van verbijstering naar die twee speldeknopjes.
De monteur bleef er rustig mee staan wachten, zijn hand open, alsof hij hen
met opzet ermee wilde confronteren... Achteraf waren Cæcilia
en Jozef hem daar dankbaar voor: daardoor kon hun opgekropte woede goed
voelbaar worden en verwerkt worden en dat is altijd noodzakelijk om dingen
goed te kunnen verwerken en liefst op dat moment. 'En is
dat allemaal ook opgenomen, vastgelegd?' durfde Jozef na een diepe zucht, met
angst en vreze voor het antwoord maar net te vragen. De
monteur keek hem verontschuldigend aan: 'Ja
mijnheer, maar alle opnames werden automatisch na een week vernietigd. Nu is
alles uitgewist.' 'Daarom
kregen wij het behang- en schilderwerk gratis!' schreeuwde Jozef ineens uit,
'en ze deden dat altijd als we op vakantie waren, met de smoes "dat dat
gemakkelijker voor ons was, hadden we al die drukte en dat werk niet van
meubels verzetten, schoonmaken en zo..." Ik vreesde al dat er dan
microfoons geplaatst of vervangen zouden worden, maar camera's...!' 'Het
leek hier wel een hoerentent,' riep Cæcilia ineens
uit, 'wat zullen die controleurs genoten hebben! En gratis! Wat voel ik me
ineens vies zeg!' De
monteur keek haar aan: 'Die reakties krijgen we overal: dat mensen zich vies voelen.
Ik vind dit geen leuk werk mevrouw. We komen zoveel leed en woede tegen. Soms
willen mensen met me op de vuist.' Een
golf van misselijkheid greep Cæcilia naar de keel
en ze vloog maar net op tijd naar de wastafel om over te geven. Jozef klopte
haar zachtjes op de rug, sloeg zijn arm om haar heen, voelde de krampachtige
schokken in haar maagstreek. Toen ze uitgespuugd was, maakte hij haar gezicht
zorgvuldig schoon met een washandje. 'Ik ga
meteen douchen en me daarna ophangen!' schreeuwde ze buiten zichzelf, in een
nieuwe golf van woede en afschuw uit. De
monteur keek Jozef veelbetekenend aan: hij moest haar in de gaten houden.
Jozef begreep de wenk en ging achter haar aan. In de
douche rukte Cæcilia zich de kleren van het lijf en
zette de beide kranen driftig wijd open. Omdat er eerst koud water kwam,
schrok ze wakker uit de vergiftigende roes, besefte waar ze mee bezig was. Ze
zag de bezorgdheid van Jozef en kalmeerde een beetje. Jozef
pakte een washandje en begon haar in te zepen van boven tot onder. Heel
zachtjes over haar dikke buik... Drukte er een kus op. Ze liet hem begaan,
huilde af en toe, bedaarde dan weer. Liet zich afdrogen en aankleden als een
klein, hulpeloos kind. Toen
hij klaar was, tilde hij haar op, droeg haar naar beneden en legde haar op de
bank. Hij stopte een paar kussens onder haar hoofd en legde een plaid over
haar heen. 'Wat
is het goed dat we hier een eind aan gemaakt hebben,' zuchtte Cæcilia voor de zoveelste keer sinds de grote mars, 'dit
was onmenselijk. Alweer!' 'Slaap
maar een beetje, je bent helemaal uitgeput. Ik blijf wel bij je zitten.' 'Je
hoeft niet bij me te blijven zitten, ik ga me niet verhangen, ik ben veel te
blij dat ik leef en dat ik die hele mars mee heb georganiseerd. Het leven is
me te waardevol en ik heb nog zoveel te doen, naast het opvoeden van de
kinderen en mijn relatie met jou en het straks bevallen van een tweeling!' Ze
kwam onverwachts overeind, sloeg haar armen om hem heen en kuste hem op zijn
voorhoofd. 'Jozef,' zei ze in een opwelling, 'ik wil met je trouwen!' Jozef
knielde naast de bank neer, omhelsde haar, nam haar gezicht tussen zijn
handen, keek haar met tranen in zijn ogen stralend aan: 'Dàt vind ik fijn, dat je dat zo zegt! Graag Cæcilia, gráág, ik wil ook
graag met jou trouwen, je bent me zo dierbaar geworden!' Huwelijk Twee
maanden na de demonstratie trouwden Cæcilia en
Jozef, vlak na de geboorte van de tweeling: Mia en Liesbeth. Ze hadden eerder
niet willen trouwen, uit verzet tegen dat vreselijke regime, maar ze waren
elkaar zeer gaan waarderen, vertrouwden op elkaar, praatten alles uit, wisten
dat ze van de ander op aan konden... Je kon zeggen dat ze van elkaar waren
gaan houden. Nu vonden ze dat ze wel konden trouwen. Het werd een heel feest
en ze waren blij dat Mia nog van de partij kon zijn, omdat ze zoveel aan haar
te danken hadden gehad... Cæcilia ging
Mia helpen bij de geneesbijeenkomsten en stapte uit het onderwijs. Regering Cæcilia had,
samen met Liesbeth, met haar vader, Jozef en oom Herman, een nieuwe partij
opgericht, met veel succes. Ze moest het verzoek afslaan om Minister te
worden, want haar kinderen gingen haar vóór alles, ook al werd haar allerlei
hulp toegezegd. Pas toen de jongste tien werd, stapte ze als Minister van
Onderwijs en Gezondheidszorg in de deelregering van Nederland. Liesbeth werd
Minister van Communicatie en Privacy-bewaking in de
regering van de Wereldunie in Brussel... Jozef werd Minister van Milieu,
Verkeer en Waterstaat, hij stapte ook uit het onderwijs. Kinderen... Bij
veel vrouwen en mannen kon de sterilisatie opgeheven worden en er werden ook
weer zwarte en andersgekleurde kinderen geboren.
Iedereen was gaan inzien dat gekleurde mensen evenveel waarde konden hebben
als witten. Ze waren blij dat ze weer eigen kinderen konden opvoeden. Ongeveer
acht jaar later begonnen de eerste weggeplaatste kinderen op zoek te gaan
naar hun biologische ouders. Dank zij de bewaard gebleven gegevens was dat
nauwelijks een probleem. Ook Cæcilia en Jozef
kregen contact met veel van hun kinderen. Ze hadden met elkaar afgesproken
dat ze niet zouden gaan tellen... Hun
kinderen kwamen uit New York, uit China, Uganda,
IJsland, München... Ze waren verbijsterd dat er veel bij waren die zó
sprekend op een van hen leken, alsof ze in een spiegel keken, of alsof ze hen
elke dag in huis hadden gehad. Er waren er ook veel bij die van hen beiden
waren, dat was hen bekend. Kennelijk was indertijd de combinatie van Cæcilia/Jozef de Voortplantingscommissie uitstekend
bevallen en hadden ze er veel kinderen van gemaakt. Sommige
kinderen hadden duidelijk de kenmerken van een andere moeder of een andere
vader. Maar daar zat niemand mee. Er waren ook kinderen uit één gezin bij,
zusjes, broers. Zo kregen ze eens een heel gezin van ouders met vier kinderen
op de stoep, allemaal hun eigen kinderen... Er
waren in totaal veel meer jongens dan meiden. Dat was immers zo geregeld... Cæcilia en
Jozef ondergingen de hereniging met elk kind elke keer weer opnieuw, alsof
dit kind het enige was. Velen konden ze niet eens verstaan, maar dat hoefde
ook niet. Ze
hadden net vóór de Grote Mars van de Voortplantingscommissie het huis naast
het hunne erbij gekregen, vanwege de zes kinderen en nu konden ze wat ruimte
vrijmaken om hun andere kinderen een paar dagen te logeren te hebben. Soms
was het een kleine ramp, zoveel als er ineens op kwamen dagen. Het dubbelhuis
leek dan wel op een hotel... Ze
hadden twee grote kamers vol gezet met stapelbedden en ernaast een kast. Het
was behelpen, maar het kòn en het was steeds weer
de moeite waard.. Kanker In die
tijd begonnen ook mannen en vrouwen die kweekouders geweest waren, door de
vroegere overdoses aan hormonen, aan kanker te overlijden... Dat betekende
dat veel kinderen wees werden. Het erge was dat ze niet of nauwelijks door
een oom of tante opgenomen konden worden, omdat die dikwijls zelf kweekouder
waren geweest en dus ziek werden en/of zelf al vier of zes kinderen hadden en
er niet nog eens vier of zes bij konden hebben... Zo
zaten alle ex-kweekouders in angst voor de gevolgen
van de overdadige hoeveelheden hormonen die hen nu de das om dreigden te
doen... Big Brother had zeer lange armen... Jozef
en Cæcilia ontsprongen totnogtoe de dans, maar
helemaal zeker was je nooit natuurlijk... Het
einde In het
jaar waarin ze zesennegentig werd, stierf achter haar computer in het
bejaardencomplex 'Big Sister' Mia met een tevreden glimlach op haar
gezicht... Ze had nog net met grote letters kunnen intoetsen: Ik ga naar Joann
n n waarna haar hand krachteloos van het toetsenbord af gleed. Geschrokken van haar neervallende hand, wipte haar tiende en laatste, dit keer zwarte konijntje, van haar schoot en ging demonstratief in zijn kooi zitten eten... Life goes on... |
Ina
Mijling
&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&