Een waarschuwing tegen Big Brother...

home

boeknpl

trefwrdn

links

reageren?

engls/dts

aan studntn

oproepn

colum

Assepoester

Big Sisters

Catastrofe

Martha

Moeders Grafje

Anna 

 Ina Mijling

&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&@%&

 

 BIG SISTERS

Augustus 2019

Een waarschuwing tegen Big Brother...

Water

Ze zeulde met haar dagelijkse twee emmers water: sinds dat ongeluk in Frankrijk met die kernreaktor, werd jou per persoon twee liter per dag toegewezen, voor kinderen onder de zes jaar mocht je vier liter per kind hebben. Je kreeg het ook niet zomaar: je moest eerst je pols in een klem aan de tankwagen duwen. Daarmee werd de op je pols onderhuids geïnjecteerde chip afgelezen en nieuwe gegevens werden erin opgeslagen. Als alles klopte werd jou daarna je portie water afgemeten in je emmers.

Dat ongeluk in Frankrijk had de hele waterwinning van onder andere de Maas stopgelegd. Het dagelijkse, met tankauto's aangevoerde water kwam nu van gesmolten ijs van de Noordpool... Dus was het kostbaar, vandaar dat iedereen maar zo weinig kreeg.

De aanvoer een half jaar geleden moest snel geregeld worden: omdat het grootste deel van alle auto's op zonnecellen reed, was er veel minder benzine en olie nodig. Daardoor konden gelukkig in vliegende haast veel oude, bijna niet meer gebruikte olie- en benzinetankauto's onmiddellijk na dat reaktorongeluk opgeknapt en omgebouwd worden tot ijs/watertankauto's. Dat gebeurde ook bij veel overbodig geraakte olietankschepen.

 

Een klein eindje van de waterauto af zette ze even de emmers neer en keek de kant op van het bejaardencomplex ginder in de straat, die haaks lag op de hare. Maar het flatje van oma lag net achter de hoek van de voorste vleugel. Als ze twaalf stappen naar rechts zou doen, tot midden op de straat, zou ze net het venster van de woon/slaapkamer kunnen zien. Dat deed ze maar niet. Je kon je emmers water niet zomaar even laten staan. En oma zou echt niet de hele dag voor het raam zitten om te kijken of ze iemand zag. Toch fijn dat ze zo dichtbij woonde. Het gaf haar een veilig gevoel.

Ze keek achter zich, naar het gedrang rond de tankauto, die elke dag om deze tijd bij de hoek van de straat stond: allemaal vermoeide, verkrampte gezichten, allemaal wachtend op water zoals zij had gedaan. Sommigen ook zeulend met twee emmers, anderen met een kannetje.

Zij had nog geluk dat ze vier kinderen had, dat ze door de strenge voortplantingskeuring heen gekomen was, dat ze dus twintig liter kreeg! Vandaag twintig, omdat morgen Jozef weer thuis kwam, zodra zij zelf naar het ziekenhuis was geweest om... Gisteren nog was het slechts achttien liter en ze had bovendien per ongeluk een pan water van het aanrecht gestoten, toen ze in een reflex haar dochtertje wilde grijpen, dat struikelde over een gelukkig lege emmer. Als die emmer vol was geweest, was er niet minder dan een ramp gebeurd...

 

Ze pakte de emmers op en schommelde een eindje. Ze had gisteren alles wel opgedweild en de dweil goed uit laten draaien in de centrifuge, maar het opgevangen water was niet meer bruikbaar voor het koken. Nadat ze het door een waterfilter gegoten had, was het nog net goed genoeg voor de was. Het water was erg vuil geweest: zo vaak kon ze de keukenvloer niet dweilen...

Maar: na de dweilmarathon stond ze van buitenaf toch voldaan naar haar vloer te kijken: in tijden niet zo'n schone vloer gezien! Alle modderprentjes van de kinderen van de tegeltjes af. Ze blonken haar vrolijk tegemoet. Die tegeltjes natuurlijk, niet de modderprentjes. Ze had gezucht van plezier. Ze glimlachte opnieuw.

Gelukkig had ze nog een beetje ander water voor het koken over gehad. Het was een kwestie van goed uitmeten, maar het lukte haar om alles klaar te krijgen, zonder dat er iets hoefde aan te branden.

 

Pff het was heet en ze voelde zich opgeblazen. Zat er onweer in de lucht? Ze zette de emmers opnieuw even neer, trok de witte band van haar hoofd en wiste zich met haar blote arm het zweet uit het gezicht. De haren schudde ze even los om er wat lucht door te waaien en trok de elastische badstof band weer om haar voorhoofd heen.

Toen ze naar beneden keek om haar emmers op te pakken, zag ze hoe zwaar haar borsten waren, alsof ze in verwachting was.

 

 Voortplanting

 

Veel vrouwen waren gesteriliseerd omdat ze niet geschikt(!) bevonden waren voor de voortzetting van het menselijk ras. Iedere vrouw werd gekeurd, haar hele familie doorgelicht en alle oude gegevens over haar ouders en grootouders uit ziekenhuizen gescreend. Ook moest je een IQ hebben van boven de 130 om kweekmoeder te kunnen worden. Iedere vrouw die niet voldeed aan deze hoge eisen werd gesteriliseerd. Wie per ongeluk toch in verwachting raakte, werd geaborteerd. Dit proces was halverwege de jaren negentig begonnen in China. Er was niet tegen geprotesteerd door de toenmalige VN...

 

Ook mannen werden gescreend. Jozef, haar man, was van Friese komaf: een grote man met blonde krullen, stevig gebouwd en sterk. Hij had eveneens een hoog IQ en ze gingen geen wetenschappelijk onderwerp uit de weg. Ze genoten beiden van hun wetenschappelijke, soms felle debatten.

 

Vrouwen en mannen konden wel goedgekeurd worden voor een implantaatkind, als hun IQ hoog genoeg was. Je kon toch geen begaafd kind zetten bij domme ouders... Bij wat voor mènsen kinderen geplaatst werden, was van minder belang. Integendeel: mènsen waren niet gewenst, wel degenen die voldoende aangepast waren aan het systeem en dus de kinderen in die richting zouden opvoeden: robotten die robotjes schiepen...

Ze herinnerde zich een verhaal van haar moeder Liesbeth over vroeger, begin jaren negentig, toen de wereld nog op zijn kop stond over de eerste zwarte vrouw die een geheel blank kind, met blauwe ogen en blonde haren ter wereld had gebracht: ingeplant. Ze had het een eigen zwarte kind niet aan willen doen om in een zo zwart-vijandige wereld te moeten leven... Ze bleef niet lang alleen...

Nú kregen zwarte vrouwen allang geen zwarte kinderen meer. Enkel in de niet bij de Wereldunie aangesloten, geheel zwarte landen in Afrika werden nog zwarte kinderen geboren. Alles wat op de rest van de wereld geboren werd was wit. Donkere haren mocht dan nog wel, maar de huidskleur mocht niet bruiner zijn dan voorgeschreven was. Nu echter was de wereld niet alleen zwart-vijandig, maar vooral ook kweekouder-vijandig.

 

Men werd in het begin niet echt gedwongen hoor om in dit systeem mee te doen! Maar als je een kind kreeg en je was niet goedgekeurd, werd je gewoon nergens voor verzekerd, of je moest gigantische premies betalen. En als je niet verzekerd kon worden, kreeg je geen baan en dat betekende: geen inkomen, geen huis... Een onverzekerd kind kon ook niet naar school of zo... Dus kozen de mensen 'vrijwillig' zèlf. Handig!

 

De kinderen die ingeplant werden, waren voor het overgrote deel jongens: die waren lichamelijk sterker, zouden meer uithoudingsvermogen hebben en dus langer meegaan. Dat was makkelijk in allerlei bedrijfstakken en gaf minder risico in verband met ziektes. En ze zouden niet vóór de pensioenleeftijd opgebrand zijn. Als het zo uitkwam, zouden ze zelfs langer dan hun 70ste kunnen werken.

Ook heerste nog steeds het sprookje dat mannen meer gericht waren op intelligentie dan vrouwen, dat was handig in de zakenwereld en de wetenschappen, in de economie en allerlei bestuursorganen...

 

Zij en Jozef echter had één jongen en drie meiden mogen baren, vanwege de broodnodige kweekmoeders en kweekvaders later, de 'voortplantingsfabriek' zoals ze het zelf spottend noemde. Deze verdeling was wetenschappelijk uitgekiend: er waren meer kweekmoeders nodig dan kweekvaders: één man kon immers een heleboel vrouwen bevruchten. Handig!

Ze vond het moeilijk om op deze manier naar haar kinderen te kijken: als kweekfabrieken, maar op dit moment was er nog steeds geen ander uitzicht...

Ze wist dat ook al haar andere kinderen later kweekmoeders en -vaders zouden worden, bij wie ze ook ingeplant werden.

 

Omdat zij en Jozef kweekouders waren, hadden ze van rijkswege gelukkig ook zeven dagen in de week hulp in de huishouding, al waren die hulpen tegelijkertijd controleuses. En ze kregen korting op eten en kleding. Maar dat eten werd wel streng gecontroleerd: ze mochten bijvoorbeeld geen koffie, snoep of vet. En ze mochten maar twee keer in de week vlees. Voor de rest moesten ze vegetarisch eten. Door de onderhuids geïmplanteerde chip werden via de winkels hun boodschappen gecontroleerd en als er iets in zat wat de controleurs niet beviel, moesten ze dat verantwoorden. Als de reden dan niet deugde, kregen ze hoge boetes. Dit allemaal omdat ze zo gezond mogelijk moesten zijn voor de voortplanting.

 

Veel mensen konden het niet uitstaan dat kweekouders het zo 'goed' hadden en door velen werden ze gemeden als de pest. Ze voelde vaak die hatende blikken, zoals zojuist bij de waterauto, omdat zij meteen geholpen werd, niet op haar beurt hoefde wachten. Niemand besefte dat zij het vreselijk vond, dit 'voordringen', maar ze kon er niet onderuit. Zodra ze bij de auto was, werd ze naar voren geroepen. Als er een lange rij stond waar ze langs moest, leek elke stap haar een eeuwigheid te duren.

 

 Huwelijk of zo...

 

Iedereen was vrij om te trouwen of samen te wonen met wie men wilde, maar kweekmoeders en kweekvaders niet: die kregen een kweekvader of kweekmoeder toegewezen. En dan moesten die maar zien dat ze het met elkaar konden rooien.

Zo was Jozef aan haar toegewezen door de Voortplantingscommissie en alhoewel ze dus niet zelf gekozen hadden, niet verliefd waren geweest en zo, konden ze het op den duur goed met elkaar vinden.

Zij was zestien toentertijd en hij negentien. Zo jong nog, en geen ervaring, nog helemaal zulke pubers en midden in hun studietijd. Ze hadden van regeringswege veel hulp gekregen om hun studie te kunnen afmaken, ondanks zwangerschap en kinderen. Maar ze hadden in de eerste stormachtige jaren vooral veel 'geestelijke' steun gehad aan haar moeder Liesbeth, waar ze bij in woonden en aan haar oma: Mia. En ze waren allebei eerlijk... Dat is immers de enige basis waar je een relatie op kunt bouwen: op eerlijkheid... Ze hadden zorg voor elkaar, wat wil je dan nog meer?

 

Hij was vijfentwintig uur per week hoogleraar in de weg- en waterbouwkunde in Blesward en had veel te maken met waterwerken zoals dijken, dammen en dergelijke. Zat nogal eens in het buitenland voor adviezen aan landen die leden onder bijna jaarlijkse overstromingen, met dikwijls gigantische vloedgolven op de kust: tsunamies. Hij adviseerde de regeringen bij het bouwen van dijken en elders bij stuwdammen, al was Men daar uit oogpunt van milieubelangen erg voorzichtig mee geworden.

Zijzelf gaf halve dagen wiskundeles aan een gymnasium. Alweer een privilege, want de meeste vrouwen waren naar het aanrecht terugverwezen wegens de grote werkeloosheid.

 

Ze keek wel eens naar zo'n romantische serie op tv. Ze werden de hele dag door uitgezonden. Oma zei vaak dat ze dat expres deden om vrouwen klein te houden, afhankelijk en vol minderwaardigheidscomplexen en schuldgevoelens. Maar wat men in die soaps met liefde bedoelde, was haar een raadsel. Ze kreeg steevast de indruk dat verliefdheid een soort ziekte was, het maakte mensen op de een of andere manier gèk: ze deden alles om bij het voorwerp van hun verliefdheid in het gevlei te komen; ze waren ronduit wreed en moordend naar mensen toe die hen ook maar een strobreed in de weg dreigden te leggen... En het gekke was dat Men dat liefde noemde...

'Romantiek,' zei oma vaak, 'is ronduit vergif!' Verliefdheid? Volgens die soaps houdt dat ook ooit op! En daarna... Nee, ze was best tevreden met Jozef.

 

Ellendig bleef wel, dat zij altijd weer naar buiten moesten als ze iets met elkaar uit wilden praten, voor het geval er microfoons in huis waren verborgen... En ze waakten er zorgvuldig voor dat het naar buiten gaan niet opviel...

 

De kinderen van Jozef en haar waren hùn bloedeigen kinderen: een luxe tegenwoordig. Ze zorgden samen voor hen, tenminste: als Jozef thuis was en niet dagen weg voor vergaderingen, besprekingen met regeringsfunctionarissen of seminars.

 

 Hormonen en zo...

 

Dit alles flitste in een paar seconden door haar heen en ze werd er treurig van. Als antwoord voelde ze haar borsten steken. Ze bolden hard en zwaar onder haar katoenen truitje, haar buik voelde opgezwollen aan. Ze had een hormoonkuur gehad, meteen nadat de jongste van de borst af was. Morgen moest ze naar het ziekenhuis om eitjes weg te laten halen. Ze voelde zich een machine, een voortplantingsmachine. Het was nog slechter dan bij de konijnen af. Als privilege had ze dan wel zelf vier kinderen mogen houden. Maar hoeveel er verder van haar rondliepen was geheim.

 

Jozef was deze twee weken weg. Hij was dus een kweekvader en in de weken dat zij een hormoonkuur kreeg, werd hij bij haar weggehaald. Men mocht nu niet het risico lopen dat haar eieren door hem bevrucht werden. Daarom kreeg ook hij een hormoonkuur en werd hij drie keer per dag afgetrokken.

Zo werd hij meteen bij haar weggehouden en niet alleen om zijn sperma te oogsten, dat wisten ze allebei bèst. Met zo'n hormoonkuur waren ze beiden erg hitsig en kon wel verscheidene keren per dag vrijen. Daarom ook hadden ze Jozef weggehaald.

Cæcilia loste 'haar' 'sexueel probleem' zelf op... Ze ervoer het telkens weer als een inbreuk op haar privacy: dit gedwongen vrijen met zichzelf. Ze had hier niet voor gekozen. Het wàs niet haar probleem... Het was ook geen sexueel probleem, maar een maatschappelijk opgedrongen probleem. Oma had dat haar zo goed bewust gemaakt. Wat een mèns: oma. Ze wist alles zo goed te scheiden van echt of vals, van eigen of opgedrongen. Er was aan mensen niet veel eigens meer aan...

 

Ze zette de emmers neer, schudde de donkerblonde haren opnieuw uit haar nek. Ze plakten rond haar hals en aan haar wangen, ondanks de witte badstof band die zij als kweekmoeder moest dragen, opdat ze duidelijk herkenbaar zou zijn en altijd overal bescherming kon opeisen. Bescherming of controle? Of allebei...

Het was geen onderscheidingsteken, maar een stigma. Zo ervoer ze het. Alhoewel die band haar veiligheid garandeerde, voelde ze de hatende blikken van veel mensen als bedreigend. En die lange haren, dat was ook een voorschrift. Het was voortgekomen uit de schoonheidseisen die elke werkgever kon stellen aan zijn werkneemsters. Kort haar was verdacht.

 

Big Brother bleek allerminst een broer te zijn, tenzij een etterige broer, die zijn zusjes en andere broertjes voortdurend bestookte met controles en uitgekiend getreiter, en met zijn andere broertjes vocht om de macht.

 

Ze voelde woede uit haar wezen zich een uitweg banen, maar dat onderdrukte ze, zij het met de grootste inspanning. Ze voelde hoe ze rood aanliep en begon te hijgen. 'Diep doorzuchten, diep doorzuchten!' zei ze tegen zichzelf. Dat hielp wat. Maar ze moest íéts doen: ze boog zich voorover, liet haar haren naar voren vallen, wrong ze resoluut in een staart, gooide haar hoofd weer naar achter, draaide met de andere hand op haar achterhoofd een slag in de witte band en trok de staart van onderaf naar boven door die lus. Dat was heel wat comfortabeler! Haar lange haar hing nu in een staart opgebonden ver van haar hoofd, en ze besloot meteen om het voortaan zo te blijven dragen. Je moest toch ooit wel eens tegen het regime in kunnen gaan! Ze kreeg er een trots en sterk gevoel door, zo van: wie doet me wat! Ze zag vanuit een ooghoek de mensen naar haar gluren, maar ze keek glimlachend terug en groette hen vriendelijk. Kreeg echter enkel zure gezichten terug.

 

Ze greep de twee emmers en zette schommelend het tochtje naar huis voort.

 

 Water

 

Met al die moderne technieken zaten ze wat water-halen betreft weer helemaal op terug bij af, zoals vrouwen vroeger, en nu waarschijnlijk nog wel in de binnenlanden van Afrika, in Zuid-Amerika, Azië en zo hun water moesten sjouwen, soms kilometers ver. Altijd vrouwen die zo zwaar sjouwen moesten, nooit mannen...

Met dit water moest ze koken, drinken maken, wassen en afwassen en het huis schoon houden. Douchen was er niet bij: je kon je hooguit een beetje wassen met een klein kleddertje in een bakje. Heel zuinigjes met twee washandjes, anders moest je extra water nemen om je washandje uit te spoelen. Nu gebruikte je het ene met zeep, en dat legde je telkens opzij en met het schone kon je je dan afspoelen. De zeepwashandjes droogde je, spaarde ze op en deed ze op een gegeven moment in de was.

Toch was je al gauw twee liter kwijt aan je eigen wasbeurt! Mensen wasten zich zo vaak mogelijk, maar dat was dus weinig. Ze roken dan ook niet al te fris om het maar eens zachtjes te zeggen. Vooral met dit al wekenlang aanhoudende hete weer. De chemische deodorants waren allang uitgebannen, net als allerlei andere chemische was- en schoonheidsmiddelen. Men was er eindelijk achter gekomen dat al die middelen uiteindelijk in het milieu terecht kwamen. Het vestigen van het ene record na het andere door het weer, records die met het jaar ingehaald werden, had uiteindelijk de regeerders de ogen geopend voor het grote gevaar wat de mensheid liep en er waren rigoureuze maatregelen genomen.

 

En de was? Haar wasmachine kon alleen een beetje werken als ze regenwater had opgevangen. Verder stond ie stil. Ze bofte dat het een bovenlader was: nu kon ze zelf het watergebruik regelen. Mensen met voorladers moesten alles met de hand wassen, want zo'n ding was niet met de hand te regelen en zo.

Zonder regen echter moest ook zij alles heel zuinig met de hand wassen. Vandaar dat mensen die een tuin hadden, zoals zij, bij elke regenbui zoveel mogelijk emmers en teilen en pannen buiten zetten. Dat opgevangen water werd gebruikt voor de was. Al die bodempjes bij elkaar waren soms genoeg om de wasmachine met wat sop te laten draaien. Alles wat gewassen moest worden, deed je steeds in datzelfde sop. Regende het lang, dan kon je ook nog meer dan één keer spoelen.

Al het water wat je gebruikte, ving je weer op in emmers, voor het doorspoelen van de wc en zo. Cæcilia had dan ook twee extra emmers naast de waterhaalemmers: de ene met meer afgewerkt water en de ander met water wat nog goed genoeg was om bijvoorbeeld je handen te wassen. Op een gegeven moment kwam die tweede emmer toch in die eerste terecht...

Regen was een bof, al moest je vóór het opvangen van regenwater, eerst opbellen of het water wel veilig was. Als de regen radio-aktief was, mocht je het niet gebruiken en dan moest iedereen ook binnen blijven. Maar gelukkig was dat nog niet voorgekomen: de wind was, vóór het hogedrukgebied dit windloze, warme weer veroorzaakt had, zuidwest tot noordwest geweest. Zuidenwind, van over België dus, kon gevaarlijk zijn... Ze hadden de puinhopen van de reactor nog niet op kunnen ruimen...

 

En het water uit de Rijn dan? Kon dat niet tot drinkwater gemaakt worden? Ze waren al een paar jaar bezig met de Rijn uit te baggeren: ze haalden het vuile slib er uit. Dat betekende dat er veel vergif opgewoeld werd en dat maakte het water onbruikbaar.

Ook het grondwater was inmiddels niet meer te gebruiken, omdat de bodemvervuiling gedurende zo'n halve eeuw, op veel plaatsen tot op grote diepte in de bodem weggezakt was, vaak vèr voorbij het grondwaterniveau.

Het klinkt raar, maar als het weinig geregend had, gingen Jozef en zij een paar keer per week 's avonds water halen uit het kanaal, wat zo'n vijf minuten fietsen bij hen vandaan was. Dat water kwam oorspronkelijk van de Rijn. Omdat ze vier kleine kinderen hadden, hadden ze elk achter hun fiets een karretje gekoppeld zitten, waar telkens twee kinderen in konden. In die karretjes zetten ze dan vier emmers en deden die vol in het Kanaal. Thuis werd het water door waterfilters gehaald. Die leken een beetje op koffiefilters, maar waren veel groter. Ze ware inderhaast op de markt gebracht. Dat water gebruikte Cæcilia dan voor de was en de laatste spoeling deed ze met opgespaard schoon water.

Al spoedig begonnen buren hun voorbeeld na te volgen. Sommigen leenden hun fietsen-met-karretjes, anderen zetten een emmer achterop, of in een kinderwagen.

 

 Vliegverkeer

 

Ze hoorde een geronk boven haar hoofd: een vliegtuig! Dat zag je maar zelden de laatste tijd en ze zette opnieuw haar emmers neer en keek met een hand boven haar ogen de zilveren stip met de breed uitlopende streep nieuwsgierig na. Vliegen was streng verboden. Je kreeg alleen toestemming als de voortplanting of andere economische belangen, of regeringsdoeleinden dat eisten. Toch wel goed dat ze dat zo rigoureus hadden aangepakt: die hemel zag immers niet helder-, maar grijzig-blauw.

Halverwege de jaren negentig veranderde eindelijk de mentaliteit. Men ging iemand erop aanspreken als hij of zij met een vliegtuig ergens heen ging. Maar dat gebeurde pas toen er een wereldwijde milieuconferentie was geweest, die zich op de eerste plaats met de luchtvervuiling door vliegtuigen had bezig gehouden. Dat probleem was erg lang tegengehouden: er hing zoveel met het luchtverkeer samen, dat was een economische topper. Maar tijdens de conferentie werd alles in de pers breeduit uitgemeten. De mensen begonnen in te zien hoe die catastrofe boven hun hoofd voorkomen had kunnen worden door onder andere het vliegverkeer al vroeg aan strenge banden te leggen. Dat moest dus alsnog gebeuren. Hopelijk niet te laat...

Luchtverkeer geschiedde nu veelal door luchtballons, die halverwege de jaren negentig explosief ontwikkeld en in gebruik genomen waren. Ze dreven statig door de lucht en werden aangedreven door met zonne-energie aangedreven motoren.

 

Haar grootmoeder vertelde wel eens hoe de lucht er vroeger uit had gezien: diep blauw overdag en 's nachts fluweelzwart. Moest je nu zien: overdag dat grijzige blauw, waarin geen witte, maar geel-lijkende wolken schoven. En de zonsopgangen en -ondergangen waren prachtig! Oma zei vaak: 'hoe mooier de zonsondergang, hoe vuiler de lucht!' 's Nachts was de lucht donker, oranjeachtig grijs, in plaats van zwart. Oma zei dat de maan vroeger een zilveren schijf was in zwart fluweel, met duizenden lichtende sterren. Nu lichtte de hele hemel, van noord naar zuid, van oost naar west lichtgrijzig op als de maan scheen en sterren zag je nog nauwelijks. Bij oostenwind was die lucht overwegend oranje en de maan ook.

 

 Buren

 

Daar kwam de buurvrouw uit de flat waar ze net langs zou lopen, op haar toe. Ze had een klein emmertje in haar hand. Ze woonde schuin bij Cæcilia aan de overkant. Ze was niet alleen haar buurvrouw, maar ook haar beste vriendin. Sinds hun schooljaren al.

Het beroerde was dat ze, als ze wat uit wilden praten en elkaar wilden opvangen in hun problemen, ook altijd naar buiten moesten, wandelen om het blok of in het park. En dat mocht niet teveel opvallen, dus gingen ze vaak samen boodschappen doen, met de kinderen ergens heen of zo. Of spraken af in het park.

Tot haar grote verdriet was Lenie, meteen toen ze ging menstrueren, gesteriliseerd: haar moeder was reuma-patiënte en haar grootvader was aan een hartinfarct gestorven. Oma vertelde vaak dat noch reuma, noch hartinfarcten in de genen zaten, maar maatschappelijk veroorzaakte ziektes waren. Daar had ze indertijd ook uitgebreid over geschreven, maar er was vanuit de medische wereld natuurlijk totaal niet op gereageerd: wat kon een domme huisvrouw over zulke dingen nou te zeggen hebben...

In feite was Lenie dus onterecht afgekeurd, want verder waren zij en haar man kerngezond.

 

Lenie had veel verdriet van haar kinderloosheid en benijdde in zekere zin de ander vanwege de vier kinderen die zij mocht hebben. Al besefte ze heel goed dat alles wat er verder mee samenhing een groot brok verdriet was voor Cæcilia. En soms dacht ze dat ze zelf beter af was: zonder kinderen, maar ook zonder die rest...

 

Maar deze keer kwam ze stralend op Cæcilia toe:

'Raad eens wat: we komen in aanmerking voor een kind. Het is dan wel geen eigen, maar beter dan niks. Volgende maand is het zo ver!'

'Gefeliciteerd Lenie! Dat vind ik nog eens fijn voor je! Hoe vindt Piet het?' Ze zette de beide emmers neer, sloeg haar armen om de ander heen en kuste haar warm.

'Hij is er reuze blij mee. We zijn al zo lang bezig!'

'Misschien krijg je er wel een van mij,' lachte Cæcilia plagerig, 'want ik moet morgen naar het ziekenhuis om eieren weg te laten halen.' Meteen schrok ze dat ze er zo de draak mee stak, ze voelde zich er schuldig over en zei dat ook.

'Trek het je niet aan: het is toch bekend dat mensen in stress-situaties moppen beginnen te vertellen over en grapjes gaan maken met hun onnatuurlijke leven! Het is een kwestie van óverleven.'

'Maar wanneer houdt het op?' jammerde Cæcilia, 'dit kan toch niet altijd zo doorgaan? Dat ze allerlei milieumaatregelen genomen hebben is prima en dat had al 'n halve eeuw eerder moeten gebeuren, maar met deze fabricage van mensen moeten ze zo spoedig mogelijk ophouden!'

'Sst! Die agent staat te kijken!' fluisterde de ander dringend, zich naar haar over buigend, 'als ze je met dergelijk gepraat snappen, is het afgelopen met jouw kinderen, want dan deugt je mentaliteit niet voldoende om ze in de geest van deze tijd op te voeden!'

Cæcilia keek quasi achteloos naar de andere hoek van de straat, maar de agent knikte haar vriendelijk toe. Gelukkig: hij had niets gehoord. Ze knikte vriendelijk terug: die man deed ook maar zijn werk. Hij kon óók geen kant op.

Ze wist wel dat ze goed in de gaten gehouden werd. En dat zou erger worden naarmate de kinderen groter werden: ze moesten goed in het systeem passen en daar hadden zij en Jozef maar voor te zorgen. Voor de rest deden school en tv een duit in het zakje.

 

'Wat heb je je haar leuk zitten! Dat zal wel een stuk luchtiger zijn dan alles in je nek! Het staat je goed hoor. Ik vind het knap van je dat je dit durft!'

'Doe jij het ook dan, met een andere kleur band kan dat best immers. Of met een elastiekje... Maar we moesten maar weer eens verder gaan,' zei ze met een knipoog, 'morgen zie ik je hier wel weer, ik zal wel op tijd terug zijn uit het ziekenhuis... Houdoe!' en ze nam haar twee emmers op en waggelde de straat over naar haar voordeur.

 

Eenmaal binnen liet ze zich met een zucht op de bank vallen. Ze was eventjes alleen thuis, want de hulp was de kinderen uit de zomerschool halen: alweer zoiets die zomerschool. Het was maar halve dagen, maar toch... Ze liet haar gedachtentol verder draaien.

De kinderen waren nog klein: de jongste was net 'n half jaar en de oudste was ruim vijf. Dat was zo gepland door de Voortplantingscommissie. Men vond anderhalf jaar tussen kinderen het beste leeftijdsverschil. Zij en Jozef hadden daar geen enkele zeggenschap in gehad. En of Cæcilia er wel tegen kon: zowat aan een stuk door zwanger of net bevallen en/of een kind te voeden, was geen punt.

Ondanks de dagelijkse hulp, had ze nu op haar eentje de handen vol, al scheelde het dat ze nu wegens de vakantie geen school had en dus geen huiswerk of proefwerk na hoefde kijken en geen lessen moest voorbereiden.

Ze glimlachte bij de gedachte aan haar kleintjes: het waren schatten. Ze hield ervan hen te knuffelen en met ze te spelen als ze op schoot zaten. Ze probeerde daar altijd tijd voor te maken.

De oudste begon al aardig te praten: ze was pienter en dat was ook de bedoeling geweest van het systeem. Maar je kon haar dan ook niet voor de gek houden: dat werd af en toe al moeilijk. Ze stelde zo heerlijk argeloos bepaalde vragen en die moesten zij en Jozef dan maar goed zien te beantwoorden. De enige keer dat ze het kind een eerlijk antwoord konden geven was als ze buiten wandelden. Vanwege die verborgen microfoons in huis. Buiten waren geen microfoons. Hoopte je dan maar...

 

 Hoe het zo gekomen was

 

De wereldwijde mentaliteit onder mensen werd in de jaren 90 per jaar slechter: kritische mensen werden steeds meer uitgebannen. Dit ging onder druk van de adverteerders: die kregen het overal voor het zeggen. En die adverteerders waren: de (groot)industrilen, de multinationals, de grote vreetketens en kranten en andere media die door hen opgekocht waren. Kritische tijdschriften en vooral feministische, gingen over de kop, omdat ze geen inkomsten meer kregen uit reclames: die werden niet meer geplaatst zodra een blad niet mee wilde gaan in de vervlakking van de publiciteit.

Kritische programma's waren vrij snel van het tv-scherm verdwenen, politieke partijen sloegen meer en meer door naar de rechtse kant. Uitgeverijen en boekhandels van kritische tijdschriften en boeken gingen daardoor ook over de kop, vanwege dat gebrek aan reclameadvertenties.

Waar oma in haar eerste boek al voor gewaarschuwd had begin negentiger jaren, en wat toen al wijd en breed aan de gang was in de VS, vrat zich als een gulzig roofdier nu met grote snelheid door Europa en de rest van de wereld heen. Zo verloor Liesbeth haar baan in de kritische uitgeverij waar ze jaren gewerkt had en kwam terecht in het onderwijs. Ze ging bij haar ouders wonen met Cæcilia en dat beviel iedereen goed. Haar moeder en vader vingen de kleine op als Liesbeth naar school was of stapels huiswerk moest nakijken.

 

Nog niet zo lang geleden werd Liesbeth benoemd tot onderwijs-inspectrice in het zuiden van het land, vandaar dat ze een auto mocht hebben. Vanwege het milieu en de terugval van de krachtbronnen, mocht je alleen een auto bezitten en ermee rijden als je een vergunning had. En die kreeg je niet zomaar...

Oma was al lang in het bejaardentehuis geplaatst en Cæcilia woonde al een tijd samen met Jozef bij Liesbeth in en was in verwachting van de jongste. Het huis werd wel een beetje krap, en daarom was het goed dat Liesbeth wegging, maar Cæcilia vond het erg dat ze haar moeder nu nog maar weinig kon zien.

 

 Politiek...

 

Hoe de maatschappij zo be-klem-mend en controlerend geworden was? De politiek werd gedurende de jaren negentig meer en meer gestuurd door verzekeraars, industriëlen, groothandelaren, wapenhandelaren, fundamentalistische religieleiders en drugsbaronnen. De wapenhandelaren echter kregen steeds minder voeten aan de grond en ook de drugsbestrijding werd zo sterk dat de drugsbaronnen de een na de ander bakzeil haalde. Dat kwam mede door de alsmaar verfijnder technieken van onderzoek en de sociale controle die voortdurend toenam. Daar staken in eerste instantie de verzekeraars achter, gesteund door de multinationals, de religies en de politieke partijen.

 

De ontwikkeling van het fijnveraderde controlesysteem had een lange geschiedenis. Het allereerste begin lag bij de postduiven: die werden geringd en konden na terugkeer via die ringen geklokt worden, zodat Men precies wist hoe lang ze over een vlucht gedaan hadden. In de jaren '70, '80 en '90 werden wilde dieren voorzien van steeds kleiner wordende zendertjes, zodat men hen kon volgen op hun trektochten. Ook dieren in zee: vissen, orka's, zeeleeuwen, haaien enzovoorts.

 

Maar het diepst invretende van het systeem begon schijnbaar heel onschuldig met koeien: die kregen een zendertje om de nek, waardoor ze alleen uit hun eigen bak konden eten en alleen aan hun eigen machine gemolken konden worden. Haar gezondheid werd dagin daguit door dat zendertje doorgegeven. Haar voer was precies op haar afgestemd en eventueel voorzien van vitamines en versterkende middelen die die koe persoonlijk nodig had. Soms met geneesmiddelen door voer en drinken heen. Alles direct geregeld door de zender. Handig!

 

Al in de 80er jaren begonnen waarschuwingen te komen van mensen, die in die controle de gevaren voor mènsen, voor hun privacy in zagen opdoemen, maar daar werd nauwelijks naar geluisterd. De controle-mogelijkheden bleef Men echter verder ontwikkelen en stukje bij beetje, onder allerlei mooipraterij werden ze ingevoerd.

 

 Chips 1

 

Eén van de volgende stappen na die koeienzendertjes was: op een gegeven moment kregen mensen in diverse bedrijven een chipkaart die ze gebruiken moesten om dat bedrijf binnen te komen: je moest die kaart, die alleen voor jou gold, met jouw gegevens erop, door een gleuf bij de deur halen en dan schoof of draaide de deur open. Op een andere manier kon je er niet in. Vrij kort daarna kon je alleen met die chipkaart ook de andere deuren openen en/of naar een andere afdeling gaan. Zelfs naar de wc of de cantine kon je alleen met zo'n plastic kaartje. Handig!

Bezoekers kregen zo'n chipkaart, als ze aan konden tonen dat ze in het gebouw moesten zijn. Dat werd altijd goed nagelopen.

Al spoedig kon je er ook de bestellingen in kantines en restauraties mee betalen. Handig!

Op die manier was altijd bekend hoe laat iemand kwam en ging, naar welke afdelingen hij/zij geweest was en hoe lang, wat hij/zij gegeten had, hoe vaak en hoe lang hij/zij naar de wc was geweest, of hij/zij rookte, alcohol gebruikte enzovoorts... Handig!

 

Het betalen met een betaalpas met pincode door iedereen voerde tot het verdwijnen van het contante geld. Handig.

 

Al spoedig daarna ging Men misdadigers die huisarrest hadden, voorzien van zendertjes aan hun pols, zodat ze gecontroleerd konden worden, opdat ze het huis niet zouden verlaten. Handig! Nooit vroeg iemand zich af hoe de andere huisgenoten en vooral hoe de moeders/echtgenotes het vonden met zo'n etter in huis te moeten zitten. Want misdadigers zijn vaak geen lieverdjes en vooral niet als ze gedwongen stil moeten zitten. Ze zijn handig in het afreageren van hun onlustgevoelens op anderen. Hun vriendjes zijn ook al geen lekkertjes om in je huis op bezoek te krijgen.

Deze zendertjes ging Men bijna tegelijkertijd gebruiken voor jonge crimineeltjes, zodat men zeker wist dat ze na school meteen naar huis gingen en niet meer in aanraking kwamen met voor hen slechte vriendjes. Via satellieten kon de hele weg die ze aflegden gecontroleerd worden. Handig!

 

Daarna kwam er een chipkaart voor medicijnen. Die werd ingevoerd met het smoesje:

'Als de doktoren en de apotheker wisten wat je voor medicijnen gebruikte, liep je minder gevaar van elkaar bestrijdende medicijnen te gebruiken.' Want het contact tussen huisartsen, specialisten en apothekers was in die pionierstijd nog slecht, ook op het gebied van medicijngebruik.

Nadat er veel mensen aan medicijnvergiftiging en vooral aan elkaar bestrijdende medicijnen gestorven waren, gebeurde het namelijk steeds vaker dat een apotheker een specialist waarschuwde dat de patiënt deze medicijnen niet hebben mocht en dat hij overleg moest plegen met een andere specialist die andere medicijnen voorgeschreven had. Dat duurde echter niet lang. De ontwikkeling ging zó snel dat binnen een paar jaar elke arts, specialist en apotheker, elk ziekenhuis aangesloten was op het computersysteem van de medicijnchipkaarten. Handig!

 

Toen werd er halverwege de jaren '90 voorgeschreven dat iedereen permanent een identiteitsbewijs bij zich moest hebben met een chipstrip vol gegevens over onder andere de gezondheid, medicijngebruik, sofinummer enzovoorts. Hele computernetwerken ontsponnen zich. Ten slotte werd alles er op aangesloten: de gezondheidszorg, de belastingen, alle soorten verzekeraars, de bedrijven, de banken, de pensioenfondsen, de winkeliers...

Belastingformulieren invullen was totdantoe een jaarlijks terugkerende, frustrerende klus voor bijna iedereen geweest, behalve voor de huisvrouwen: haar werk was geen werk en bleef nog steeds onbetaald, dus betaalden ze ook geen belasting... In het jaar '99 was belastingformulieren invullen niet meer nodig. Handig!

 

In die tijd bestond de pas met pincode al lang niet meer: iedereen betaalde met dat identiteitsbewijs. Handig!

 

Intussen hadden de koeien chips ingeplant gekregen, dat was handiger dan de zendertjes om haar nek!

 

 Wereldunie

 

Begin 2001 werd de Wereldunie opgericht: bijna alle landen regeerden vanuit Brussel tezamen de hele wereld. Handig!

Uitzonderingen waren de geheel zwarte landen in Afrika. Daar waren eind jaren '90 alle niet-zwarten met geweld en bloedbaden door zwarte mannen verdreven. Vrouwen deden er niet aan mee, die wilden dit niet, zoals vrouwen eigenlijk nooit oorlog gewild hadden.

Nu en dan druppelden er berichten binnen over de toestanden daar. Die waren gelijk aan vóór de kolonisatie: mannen van allerlei stammen bestreden elkaar, vermoorden elkaar en elkaars vrouwen en kinderen. Vrouwen werden door mannen van de vijand verkracht en omgebracht. Andere vrouwen, en ook gevangen gemaakte mannen, werden als slaven gebruikt. De economie was geheel verdwenen. Er was niets over van de westerse 'beschaving'... Eeuwenlange civilisatie en economische, maatschappelijke, religieuze en wetenschappelijke ontwikkeling waren in het niets verdwenen.

 

Er werden vanaf het moment van oprichting van de Wereldunie nergens meer verkiezingen gehouden. Want dat was maar lastig en niet nodig: de wereld werd nu geregeerd door deskundige mensen. Daar werd voor gezorgd. Vreemd bleef dat die deskundigen allemaal toch weer mannen waren... En de enkele vrouw die mee mocht doen, was ook een 'man' door haar uitmuntende aanpassing aan die machowereld. Handig!

 

Al spoedig begonnen via de Wereldunie de ziektekostenverzekeraars wereldwijd door te drukken dat de mensen een chip ingeplant zouden krijgen in plaats van die chipkaart, alweer met de smoes dat medicijngebruik dan nog beter te controleren was op verkeerd gebruik en zo'n implantaat kon je niet per ongeluk vergeten... En het was gemakkelijker met betalingen en zo... Dat kwam met glans door de Grote Vergadering van de Wereldunie. Handig!

Daar begon het implanteren van chips mee: mensen die medicijnen gebruikten, kregen automatisch zo'n ding geïnjecteerd. Daarmee begonnen ook de klemmen, die in eerste instantie nog geen echte klemmen waren, maar een soort gleuf waar je je pols in moest steken. Die klemmen waren er in het begin alleen bij de apothekers, artsen en specialisten. Al spoedig ook op allerlei afdelingen van ziekenhuizen. Bij een ongeluk bijvoorbeeld kon Men daardoor onmiddellijk de bloedgroep opvragen en de kwalen kennen waar het slachtoffer aan leed, welke medicijnen hij moest hebben, welke hij of zij niet mocht hebben... Handig en levensreddend voor velen.

 

Een ander groot voordeel van deze aanpak was: de allopatische medicijnen gingen zeer kritisch bekeken worden: door de intensievere samenwerking tussen medici en andere gezondheidswerkers en de onbarmhartige computercontrole, bleek onomstotelijk duidelijk dat zeer veel mensen in het ziekenhuis terecht kwamen, enerzijds door 'bijwerkingen' van 'geneesmiddelen' en anderzijds door te veel medicijngebruik. Er stierven zelfs veel mensen door medicijnvergiftigingen, die Men totdantoe 'bijwerkingen' had genoemd. Mede door boeken van schrijvers en schrijfsters als oma was Men gaan inzien dat die 'bijwerkingen' vergiftigingsverschijnselen waren, afstotingsverschijnselen. Dat had tot het ingrijpende en zegenrijke gevolg dat Men natuurgeneeswijzen ging stimuleren. Ook al omdat dat goedkoper was en minder kans gaf op terugval in de ziekte. En al helemaal nooit de ontwikkeling van andere ziektes veroorzaakte, zoals bij de allopatische medicijnen schering en inslag was door die vergiftigingsverschijnselen.

 

De landelijke regeringen echter zagen de voordelen van die medicijnchips en begonnen één voor één te ijveren voor een onderhuidse chip voor niet alleen medicijngebruikers, maar voor iedereen, met méér persoonlijke gegevens, om zodoende bijvoorbeeld de misdaad in de kiem te kunnen smoren! Dat werd wereldwijd een succes en inderdaad werd de misdaad, het drugsprobleem, verkrachtingen en dergelijke, onvoorstelbaar snel teruggedrongen. Handig!

Op die ingeplante chip werd onder andere de code van ieders DNA vermeld. Daardoor kon bijvoorbeeld een verkrachter van een vrouw binnen de kortste keren opgespoord worden. Er was altijd wel ergens een deur waar hij met zijn chip door wilde. Dan hield de klem hem in de houdgreep.

Ook andere misdadigers werden sneller gevonden: verfijnde technieken wisten uit het geringste spoortje het DNA-patroon te halen van de dader. Zo werden die chips ook een zaak van de politie... Handig!

Ook stond op die chip de noodzakelijke gegevens over weefsels en zo die nodig waren bij transplantaties. Als iemand verongelukte of door een andere oorzaak stierf dan aan een ziekte aan het gewenste orgaan, had Men onmiddellijk een kandidaat gevonden voor dat orgaan. De overledene of de familie had hier geen zeggenschap in. Er werd veel getransplanteerd. Maar niet bij 'nuttelozen': vrouwen boven de kinderleeftijd, gepensioneerden, invaliden en zo...

 

Zo werd dat computersysteem van de ziektekostenverzekeraars en de politie gebruikt door de belastingen, het bevolkingsregister en de banken. Het onderwijs, alle bedrijven en winkels en andere instanties konden niet achterblijven. En het kwalijke cirkeltje was helemaal rond.

Nu was alles, maar dan ook àlles controleerbaar. En van iedereen: hoeveel postzegels je gekocht had, waar je buitenshuis gegeten had en met wie en hoe lang, waar je geslapen had en met wie, welke hobby's je had, of je rookte, of je alcohol gebruikte, of je lang haar had, hoeveel cd's je in huis had, wat je op je computer geschreven had, waar je met het openbaar vervoer heen geweest was, welke sport je beoefende, of je genoeg en niet teveel aan sport deed, wat je zoal kocht aan etenswaren, of je wel gezond at, hoe vaak je je douchte, hoeveel en waarheen je je auto reed enzovoorts.

Als je in een glazen huisje gewoond had, had Men jou niet zó scherp kunnen controleren. Dit controlesysteem ging binnenshuis, binnenshuids door! Ergens iets stelen, eens extra een lekker biefstukje eten, teveel alcohol drinken, stiekem iets bijverdienen, iemand mishandelen of verkrachten, drugs verhandelen, moord: alles werd snel opgelost en gestraft. Handig!

 

Niemand bekommerde zich om die enkeling die nog steeds bleef waarschuwen voor de gevaren die met de deur wijdopen en juichend binnengehaald werden.

 

De verzekeraars, die nu alles konden controleren, begonnen de mensen onder druk te zetten: wie bijvoorbeeld koffie dronk, of meer dan twee keer per week vlees at, kon zich nergens meer voor verzekeren, niet bij de ziektekostenverzekeraars, maar daarom ook niet bij all-risk verzekeringen, bij inbraakverzekeringen, bij brand- en glasverzekeringen en hij/zij kon niet in een pensioenfonds komen, en/of werd overal uitgeschreven.

Wie alcohol dronk of in huis had: idem dito. Hetzelfde gold voor kalmerende middelen en allerlei soorten oppeppende middelen.

Wie door een agressieve sport een min of meer zware blessure opliep, werd uit alle verzekeringen gestoten. Zodoende bleven er alleen 'vrijwillig gekozen' sporten over die nauwelijks blessures konden veroorzaken.

Wedstrijdsporten raakten al spoedig van de baan, omdat de trainingen ervoor en de wedstrijden zelf agressief waren en agressie opriepen van toeschouwers, en vaak levenslange blessures veroorzaakten: rugletsels, te groot hart en dergelijke.

Daar was niets aan verloren: aan wedstrijdsporten. Integendeel: jonge mensen konden voortaan hun aandacht en energie aan betere dingen besteden.

In plaats van de gigantische oppervlakten aan voetbalvelden, tennisbanen, enzovoorts kwamen er meer parken en zwembaden, zodat iedereen binnen loopafstand vrijuit kon wandelen en een zwembad in de buurt had.

 

 Milieu

 

Nu alles gecontroleerd kon worden, ook de boodschappen en het eet- en drink-gedrag, kon men gemakkelijk de link leggen naar ziektes en chemische stoffen. De verzekeraars gingen ook ijveren voor een beter milieu en een verbod op milieugevaarlijke stoffen, omdat die de gezondheid belaagden van de mensen.

Daarmee verdwenen agressieve schoonmaak- en was-middelen. Die bleken mede de oorzaak te zijn van exceem, astma ed. Ook allerlei lijmsoorten en kunststoffen werden verboden.

Omdat bijvoorbeeld vooral chemische parfums voor longpatiënten agressief bleken, werden die al spoedig verboden. Daarmee verdween veel overbodige franje in de huidverzorging.

Alleen de mensen die dat echt nodig hadden, kregen een auto. En de meeste auto's reden op zonnecellen.

De houtkap in de oerbossen en de regenwouden was hardhandig teruggedrongen.

Grote honden werden verboden, behalve als blinde-geleidehond en als hulp voor invaliden. De straten waren vrij van de bergen hondepoep van voorheen. Het aantal katten was sterk teruggebracht, ten voordele van de zangvogelstand en tegen de vervuiling door hun uitwerpselen. Ze mochten ook niet meer vrij rondlopen. Ze moesten net zo aan de lijn als honden. Per huis was slechts één kleine hond of kat toegestaan.

Omdat skiën de bergen naar de verdommenis hielp en bovendien veel ongevallen tot gevolg had, vaak met dure, langdurige of blijvende letsels, werd deze sport verboden.

Fabrieken moesten schone lucht en schoon water terugleveren aan het milieu.

En zo waren er wereldwijd nog veel meer wetten en controles daarop ingevoerd. En dat was goed.

 

 Voortplanting

 

Ten slotte begonnen verzekeraars te eisen dat mensen gezond verklaard moesten zijn, eer ze een kind mochten maken! Anders werd het kind nergens voor verzekerd. De keuringen werden met het jaar scherper en begonnen terug te gaan tot het screnen van de ouders en grootouders van de aanstaande ouders.

Ook moesten al spoedig de aanstaande ouders zoals gezegd, een IQ van minstens 130 hebben... Er werd in het jaar 2003 een Ministerie van Voortplanting opgericht, die steunde op regionale en plaatselijke Voortplantingscommissies, waarin artsen, verzekeraars en politici zitting hadden. Aan vrouwen werd niets gevraagd. Integendeel: naast de kinderen waren zij de grootste slachtoffers.

Al spoedig konden de ouders van ondermaatse kinderen niet alleen de kinderen niet, maar ook zichzelf niet meer verzekeren.

 

Het kon dan ook niet anders meer of Men ging ongeschikte mensen steriliseren, vrouwen en mannen. Andere wel geschikt verklaarde mensen mochten vier eigen kinderen grootbrengen.

Later werden die gedwongen zich één keer in de drie maanden te laten opkrikken met een hormoonkuur, waarna de vrouwen vanaf de tweede menstruatie de rijpe eieren afgezogen werden en de mannen drie keer per dag gedurende twee weken afgetrokken werden. De aldus zo 'gunstig' mogelijk gekweekte kinderen werden ingeplant in vrouwen die niet geschikt waren voor eigen kinderen, maar wel goed gekeurd werden voor een zwangerschap en de opvoeding van een paar kinderen.

 

Vanzelfsprekend werden er geen donkere kinderen geboren. Zwarte vrouwen, die vaak zeer gezond en sterk waren, omdat het witte ras eigenlijk al erg gedegenereerd was, kregen witte kinderen ingeplant, met liefst blauwe ogen en natuurlijk een hoog IQ. In eerste aanzet wilden de vrouwen het zèlf na die ene eerste. Dat escaleerde tot een trend en al spoedig werd een zwarte vrouw die een zwart kind kreeg, daarop aangekeken. Tot de verzekeraars en het Ministerie het over namen... Toen werd alles goed geregeld...

 

 Mannen

 

Er werden weinig meiden geboren. Men was inmiddels in staat te bepalen of een ei een jongen of meisje zou worden. Bij mislukking, lees: als het toch een meisjesfoetus werd, ging dat gewoon door de gootsteen. Door het Ministerie van Voortplanting van de Wereldunie was namelijk bepaald dat er vooral jongens geboren moesten worden, omdat mannen nou eenmaal lichamelijk sterker zijn als werknemer en werkgever en omdat nog steeds het sprookje bestond dat mannen slimmer zijn dan vrouwen, ondanks twee feministische golven. De derde was in de kiem gesmoord. Precies op tijd.

 

Maar er begon zich inmiddels iets te roeren. Er gingen zoetjesaan steeds meer stemmen op dat er meer meiden geboren moesten gaan worden. Landen als China en India, waar een gigantisch mannenoverschot was, waren alarmerende voorbeelden. Er braken dagin daguit grote rellen uit en de problemen begònnen daar pas. In de jaren zeventig, tachtig en negentig waren daar in toenemende mate massaal jongens geboren en meiden-foetussen en meiden-baby's gewoon vermoord. Meisjes die toch geboren werden, kregen weinig aandacht, werden verwaarloosd en kregen niet of nauwelijks medische verzorging als ze die nodig hadden: dat was gemakkelijker dan rechtstreekse moord. Het gevolg was nu dus dat al die inmiddels volwassen geworden jongens geen vrouw konden vinden en dus geen gezin konden stichten.

Bovendien bedacht men slim dat gebrek aan meiden ook gebrek aan moeders later betekende, dus genocide.

 

Werd in India vroeger een vrouw met bruidsschat bijna altijd uitsluitend òm die bruidsschat getrouwd, en later dikwijls door een 'ongeluk' vermoord, opdat de man zich een nieuwe bruidsschat met vrouw kon verwerven, op een gegeven moment keerde die cultuur zich tegen zichzelf en toen begon de gewoonte zich òm te keren: mannen moesten duur gaan betalen voor een vrouw. Daar werden die vrouwen niet gelukkiger op: mannen koeieneerden haar, omdat ze zoveel voor haar betaald hadden. Ze moest bovendien zorgen voor de ouders en grootouders van haar man, als ze tenminste een oudste zoon getrouwd had.

De regering greep in en gaf vrouwen de macht om te gaan scheiden waarbij ze de bruidsschat niet hoefde terug betalen. Dat maakte het leven voor haar draaglijker, maar leuk werd het niet. Werden vroeger meidenbaby's en meiden-foetussen vermoord, niemand kwam op de gedachte dat nu met jongensfoetussen en -baby's te doen... Daarvoor waren jongens en mannen nog steeds te belangrijk...

 

In China lag het een beetje anders. Daar had je tientallen jaren lang bijna niets dan oudste zonen, omdat iedereen maar één kind mocht hebben. Daar konden jonge mannen ook geen vrouw vinden. Mannen werden ontevreden en begonnen te klagen, gingen vechten om vrouwen. En vooral moesten ze naast hun lange werkdagen, nu ook nog voor hun eigen kostje, hun huishouden en hun schone kleren zorgen, en daar bovenop voor hun bejaarde ouders, plus hun vier grootouders, want iedereen werd veel ouder dan vroeger. En vroeger was dat de taak was van de vrouw van de oudste zoon. En mannen waren van oudsher, wereldwijd helemaal niet gewend om te zorgen.

Die alleenstaande mannen kregen bovendien natuurlijk geen kinderen... En een man zonder kinderen, zonder zoon was niets in hun cultuur... En: als ze zelf oud waren zou niemand voor hen zorgen...

 

Eindelijk begon de Wereldunie in te zien dat de overdadige geboorte van jongens overal tot grote problemen leidde. Overschotten aan mannen betekenden agressie en maar al te vaak oorlog: mannen kunnen niet alleen zijn... Mannen hebben vrouwen nodig om hen in toom te houden... Die mannen moesten iemand hebben om op terug te vallen, om voor hen te koken en hun huishouden te doen: ontevreden werknemers waren slecht voor bedrijven en allerlei instanties. Na twee feministische golven was er wat dat betreft nog bitter weinig veranderd.

Ten slotte besloot Men begin 2019 dat er meer meisjes in de reageerbuis gemaakt zouden worden, desnoods gecloond, dan jongens. De balans moest in evenwicht gemaakt worden. Het mannenoverschot in de rest van de wereld was geëscaleerd en er zouden toch voldoende meiden moeten zijn. Ze zouden zo jong mogelijk uitgehuwelijkt worden...

 

 Geheim 1

 

Eens per maand was er een grote bijeenkomst van kweekmoeders en kweekvaders in een voormalig kerkgebouw. Dan kon je vragen stellen. Maar je werd ook en plein public op het matje geroepen als je iets in de opvoeding verkeerd gedaan had. Omdat iedere ouder als de dood was om de kinderen kwijt te raken, deed iedereen zo goed mogelijk zijn of haar best om de kinderen in het systeem groot te brengen.

'Hierin verschilt dit systeem niet veel van het oude communisme van achter het IJzeren Gordijn en in China indertijd. Daar was de controle ook zo ijzersterk en haast onontkoombaar,' zei oma wel eens de enkele keer dat ze ongecontroleerd konden praten. Dat kon met haar ook alleen maar als ze gingen wandelen. Cæcilia probeerde daar zoveel mogelijk tijd voor vrij te maken: oma had haar nog zoveel te zeggen...

 

Oma: dat was een hoofdstuk apart! En ze glimlachte bij de gedachte aan haar. Morgenmiddag zou ze haar weer op gaan zoeken. Ze kon goed met haar overweg, leerde veel van haar: haar antwoorden waren altijd onverwacht, andersom dan je zou verwachten, ze waren bevrijdend, ondanks het machtssysteem.

En ze hadden samen een geheim... Ze stond op, liep naar de kast, schoof onderin haar naaispullen opzij, duwde tegen een plank en uit de ontstane holte haalde ze een map vol wc-papiertjes. Volgeschreven velletjes, volgeschreven met houtskool. Ze moest ze maar eens gaan overschrijven, dat houtskool was zo kwetsbaar. Maar ze wist niet hoe ze daar tijd voor moest vinden. Met haar gezin, haar werk, haar sport (zwemmen, ook verplicht) en allerlei vergaderingen, bleef er geen seconde over. Zuchtend borg ze de map weer weg. Waar moest dat heen met deze krankzinnige wereld?

 

 Bejaardenprobleem...

 

De huisvesting van bejaarden was eind jaren negentig rigoreus ter hand genomen: wie met pensioen ging, moest op een kamer gaan wonen in speciale bejaardencomplexen. Echtparen kregen een tweekamerflat. Dat pensioen begon tussen de vijfenzestig en de zeventig jaar. Nu je je huis uit moest als je met pensioen ging, bleven mensen zo lang mogelijk doorwerken... Ook al omdat je na je werktijd in de armoe kwam. Mensen die niet meer werkten, kregen namelijk allemaal evenveel, of liever gezegd: even weinig: net genoeg om niet dood te gaan. Pensioenen bestonden niet. Of je er nou veertig/vijftig jaar hard voor gewerkt en betaald had, deed niet ter zake.

 

In de jaren tachtig en negentig waren grote en kleine steden volgebouwd met reusachtige kantoorgebouwen die moeilijk verhuurbaar bleken. Vele stonden jarenlang leeg. Welnu: toen het bejaardenprobleem te groot werd, werden de leegstaande giganten gevorderd en zo goed en zo kwaad als dat ging ingericht voor bejaarden. De grote kantoorruimtes werden voorzien van chambrettes: kleine hokjes van hardboard en spaanplaat, waar net één bed kon staan, een smalle kast en een stoel.

Mensen van boven de vijfenzeventig, behalve zij die nog iets betekenden op de een of andere manier, kunstenaars niet meegerekend, werden opgeruimd in die bejaardentehuizen op die grote zalen. Dat was goedkoper en ze hadden toch geen nut meer. Ze hadden er geen privacy en de sfeer was er vaak om te snijden. De verzorging was minimaal en vaak zorgden bejaarden, die nog redelijk uit de voeten konden, voor hun zieke en minder valide medebewoon(st)ers. En dat nadat ze al een leven van hard werken achter de rug hadden...

De gezondheidszorg besteedde verder nauwelijks aandacht aan hen. Velen overleden aan onnozele dingen, omdat dokters niet meer naar tachtig-plussers kwamen kijken, laat staan hen behandelden of naar het ziekenhuis verwezen.

Invaliden, psychisch gestoorden en zwakzinnigen waren even slecht af: eveneens opgepakt in grote zalen in vroegere kantoorgebouwen en nauwelijks of geen medische verzorging. Allemaal: moord op termijn...

Maar tegenwoordig werden zelfs die chambrettes niet meer geplaatst. Gewoon: zalen vol bedden met iedereen een kastje en een stoel...

 

 Oma

 

Oma echter, de moeder van Liesbeth, had gedurende een jaar of vijfendertig een stevige praktijk opgebouwd als natuurgenezeres en verdiende, tot Big Brother overal het heft in handen nam, veel geld aan haar boeken die bijna allemaal bestsellers bleken. Ze kocht in '97 met dat geld een op te heffen kerkgebouw en zette haar praktijk voort in dat gebouw. Dat moest wel, want enkelingen behandelen kostte haar hele dagen hard werken. Nu behandelde ze in het begin kleine, later grote groepen zieken tegelijk met veel succes.

 

Ze had halverwege de jaren negentig een opzienbarend boek geschreven over een paus die gekozen zou worden en die in een crisis kwam door een eerder boek van haar. En het liep ongeveer zoals in dat boek! Die paus riep haar naar Rome en na een paar weken van emotionele crises, gooide hij het roer om. Door de hele wereld ging een warme wind waaien, een van bevrijding, verlossing, genezing.

Op een kwade dag echter werd de auto, waarin Mia en Joannes XXIV zaten, beschoten. De paus was op slag dood en zij werd zwaar gewond. Ze redde het echter met behulp van de genezende warmte van haar man, zoon, dochter en vriendin en na een paar weken ziekenhuis in Rome, kwam ze terug naar Nederland. Verdrietig om het verlies van Joannes, die een dierbare vriend geworden was; gedesillusioneerd, want het bewind in Rome was weer omgeslagen naar de oude religie... Het duurde nog een half jaar voor ze weer helemaal op de been was.

 

Mia was een van de mensen die indertijd al meteen hadden gewaarschuwd voor de gevaren van dit ver doorgevoerde controlesysteem, waardoor ze nu als een staatsgevaarlijke vrouw zo ongeveer gevangen gehouden werd, al was het op een redelijk comfortabele tweekamerflat, in een goed gecontroleerd bejaardencomplex.

Ze had op de flat mogen blijven wonen, omdat ze zo belangrijk was voor de gezondheidszorg.

Al die waarschuwingen en die massale protesten hadden echter niets geholpen: iedereen die tégen was, werd gewoon van van alles uitgeschakeld. Maar omdat oma zo'n grote geneespraktijk had, werd de organisatie daarvan overgenomen en ze was drie maal in de week in de kathedraal bezig met genezen. Dat werd rechtstreeks uitgezonden op radio en tv en de volgende dag herhaald, zodat haar geneesuitzendingen elke dag op tv en radio waren. Voor veel mensen die wegens invaliditeit of ouderdom verstoken bleven van medische zorg, betekende het verbetering en genezing van hun pijnen, ziektes en kwalen, verlenging van hun leven.

Er werd wel verschrikkelijk gelet op wat Mia zei en als er iets bij was wat niet door de systeem-beugel kon, werd ze op het matje geroepen. Maar ze liet zich niet veel zeggen, omdat ze wist dat de machthebbers afhankelijk van haar waren: haar manier van genezen was goedkoop en lag tegen de 95% succes...

 

 Opvoeding?

 

Kinderen hoorden in het systeem opgevoed te worden. Omdat er alleen nog maar kinderen geboren werden met een hoog IQ, moesten de kleintjes al vanaf drie jaar naar school. Ze konden met vier jaar lezen en schrijven. Spelen was er nauwelijks bij. Zitten-blijven was ondenkbaar. Ouders hadden maar te zorgen dat hun kinderen goed hun best deden op school. Of het kind dat emotioneel wel aankon was geen vraag. Dat de ouders nooit alles van hun kind in de hand hebben, en zeker niet als het onder hun ogen vandaan is, was eveneens geen vraag, zoals het dat ook nooit geweest was... Ze moesten maar zorgen dat hun gezag tot ver buitenshuis reikte en een urenlange werking had.

'Ze willen robotjes van onze kinderen maken,' klaagde Cæcilia meer dan eens tegen haar grootmoeder.

'Dat kàn niet Cæcilia! Je kinderen zullen altijd gevoel houden, omdat ze een maag hebben om ergens misselijk van te worden, omdat ze longen hebben om het ergens benauwd van te krijgen, omdat ze nieren hebben om pissig te worden, omdat ze altijd hun buik ergens vol van kunnen krijgen...

Men poogt, mànnen pogen al net zo lang als de mensheid bestaat dat gevoel uit te schakelen, maar dat kàn niet... Op een gegeven moment pìkken de mensen het niet meer. Ik heb zo vaak meegemaakt dat in een land, een half werelddeel, waarvan de mensen drie, vijf, zes en meer generaties lang tot systeemrobotjes 'opgevoed' waren, juist de jongere generatie in opstand kwam en in een paar dagen dat hele systeem omver gooide. En dan bleek dat de oude waarden van vrijheid en zèlfbeslissingsrecht en eerlijkheid weer boven kwamen. Al was het vaak voor eventjes...

De mens is niet klein te krijgen, dan zouden ze hem/haar de prikkende haarwortels af moeten pakken; de tanden, opdat ze zich dan niet bewust zouden worden dat ze zich liepen te verbijten. Dan zouden ze de mensen hun nek moeten afpakken, opdat ze niet in de gaten zouden krijgen dat ze teveel op hun nek gekregen hadden; de longen omdat die anders door benauwdheid aan zouden geven dat er dingen niet kloppen. Ze zouden mensen zonder hart geboren moeten laten worden, zonder maag, darmen, heupen, rug... Er blijft dan geen lichaam over en dat kan niet! En dus kun je hoop hebben dat alles nog eens goed komt, als de mensen het maar voldoende zàt zijn! Maar kennelijk is het nog niet zo ver!'

Dan keek Cæcilia haar wat gerustgesteld aan.

'Blijf jij nou maar zo eerlijk mogelijk met je kinderen en alles en iedereen in je leven omgaan. Wat ik doe: dat genezen, daarvan hebben de machthebbers niet in de gaten dat ik daarmee voor een groot deel genees wat die machthebbers emotioneel/lichamelijk aan de mensen hebben beschadigd via allerlei strukturen, zoals werk en gezin. En dat ik daarbij de mensen teruggeef wat ze door dwang en controle hen willen afpakken: hun gevoel voor waarheid, hun waardigheid en hun recht op zelfbeslissing. Ze dènken dat ze door mijn uitspraken te controleren hun systeem veilig houden, maar dat is niet zo! Laten we hopen dat ze niet ècht ontdekken waar ik mee bezig ben...'

 

 Het ziekenhuis

 

De volgende ochtend ging Cæcilia met de tram naar het ziekenhuis, oostelijk ver buiten de stad. Stom om zo'n belangrijk ziekenhuis zó ver weg te leggen. Dat was in de jaren 1970, '80 zo de gewoonte en daar zaten de mensen nu nog mee. Daarentegen was de stad ver naar de westkant uitgebreid... Je zal daar maar wonen en een kind in dat ziekenhuis hebben! Dan ben je dagelijks uren kwijt aan reizen, want je kunt je kind toch niet zonder bezoek laten! Het is in zo'n ziekenhuis toch al zo'n verschrikking voor een kind: ze helemaal alleen en al die nare dingen die ze met je doen...!

 

In de tram al had ze bekijks vanwege die paardestaart. Op de stoep van de tram naar de ziekenhuisingang zag ze, zoals gewoonlijk verscheidene vrouwen lopen met een witte band om het haar. Ze keken verbaasd naar haar, vanwege die staart natuurlijk. Ze knikte ze vriendelijk toe.

Binnen kreeg ze meteen commentaar op haar haardracht: ze hoorde het haar los te dragen. Kort en opgestoken haar waren verdacht, dat deed denken aan opstandigheid. Cæcilia kookte inwendig, maar kon zich goedhouden. Omwille van de kinderen kon ze zich goedhouden. Ze antwoordde dat ze met die hitte die lange haren niet hebben kon, dat ze er zenuwachtig van werd, geïrriteerd, dat ze er jeuk van kreeg en zo en dat met zo'n drukke baan en een druk huishouden van een groot gezin... Ze werd toen alleen even wat achterdochtig aangekeken en er werd niets meer van gezegd.

 

De kleine operatie en het wegzuigen van de eitjes waren gauw gebeurd en ze kon weer weg. Dit zou Men blijven doen tot ze vijfendertig was of tot bleek dat haar kinderen van mindere kwaliteit werden, of tot de eitjes op waren... Voorlopig bleek dat nog niet zover.

 

Háár kinderen... Ingeplant bij andere vrouwen. Hoe ging het met haar kinderen? Hoeveel waren het er? Waren ze gelukkig? Ze moest nu niet verder denken, ze raakte daar altijd depressief van. En ze wist eigenlijk nooit precies waarvan ze zich dan zo beroerd voelde, of het om de kinderen ging of om de hele toestand, om de machteloosheid en de bezorgdheid, om de woede, om het je-gebruikt-voelen, om het hele machtssysteem... om... om...

Ze voelde hoe haar voorhoofd weer diep gerimpeld was! Daar moest ze mee uitkijken: ze zag vanochtend in de spiegel dat die rimpel zich ook zonder piekeren begon af te tekenen. Dat was verdacht! Men kon daar onvrede achter zoeken en vandaaruit ongeschiktheid om de kinderen op te voeden... Haar kinderen, de enige vier van de tien? Dertig? Honderd? die ze zelf mocht grootbrengen, als ze tenminste binnen de opvoedingsgrenzen bleef die voorgeschreven waren. En de controle was streng.

 

Ze liep maar gauw de afdeling af, stak haar pols in zo'n deurklem. Die dingen waren automatisch aan de dikte van je pols aangepast. Elke klem was daartoe uitgevoerd met een licht verend systeem. Ze voelde de druk ervan, in een bijna teder gebaar als van iemand die je zacht bij je pols pakt om je te ondersteunen bij een machteloos verdriet. Maar onverbiddelijk wreed werd die tederheid zodra er iets niet klopte... En je wist nooit of er misschien ergens iets niet in orde was...

Elke keer als ze haar pols in zo'n ding stak, was ze bang. Dan stokte haar adem even, haar hart bonsde, haar knieën werden wat slap. Ze voelde de lichte spanning om haar pols. Het was maar een ogenblik, maar wel een ogenblik vol vijandigheid.

En dan de opluchting als ze weer vrijgelaten werd. Zo ervoer ze dat: vrijgelaten. Ze zou er nooit aan wennen. Ze had het er eens met oma over gehad tijdens een van haar gezamenlijke wandelingetjes en die antwoordde:

'Wees maar blij dat je er nooit aan wennen zult, dat je er om huilen moet. Wie er aan went, stompt af. Die wordt er ziek van en gaat ver voor zijn tijd dood. De redding moet komen van mensen die er nooit aan wennen...'

 

De volgende deur ging open naar de hal, waar ook de afdeling op uitkwam waar Jozef nu uit vrij gelaten werd. Ze wandelde erheen, stak haar pols opnieuw in een klem en ook die deur ging voor haar open.

 

Terwijl ze verder de hal in liep, keek ze eens naar dat kleine puistje, net boven haar pols: zo'n klein ding en het bracht zoveel ellende teweeg! En die klemmen waren pestdingen: als er iets fout zat, bleef je vastgeklemd tot er iemand kwam om jou te screnen... Ergens in het betreffende gebouw, het ziekenhuis in dit geval, ging dan een alarm af... Als je 'misdaad' erg was, ging je meteen achter slot en grendel. In winkels kwam je niet eens binnen als jouw bankrekening niet van voldoende geld voorzien was...

 

Hoe kon ze zich afvragen of al haar andere kinderen gelukkig zouden zijn? Hoe kon iemand gelukkig zijn in deze door verzekeraars en industriëlen geoliede maatschappij, vol computers en controles? Wat bleef er over aan vrijheid? Nee: wereldoorlogen waren er niet meer, maar dit was erger dan een oorlog, dit was letterlijk een onderhuidse oorlog, een oorlog die mensen massaal, ieder persoonlijk en als gehele mensheid totaal verwoestte als mèns...

 

Het enige vrije wat je had waren je gedachten en ook die nog niet eens, want, zoals gezegd: ze kreeg een denkrimpel tussen haar ogen, maar ook iets verdrietigs rond haar mondhoeken en dat was verdacht. Ze moest haar gezicht eens wat gaan masseren. Misschien wilde Jozef dat doen. Ze moesten er meteen onderweg maar over praten. Binnenshuis was nogal link, want het was wel haast zeker dat er afluister-microfoons verstopt waren. Soms als ze binnenshuis elkaar iets ontoelaatbaars wilden zeggen, grepen ze naar papier en pen. Dat papiertje moest dan wel grondig vernietigd worden, nadat het geschrevene zorgvuldig doorgekrast was...

 

 Zorgelijk...

 

Door het glas van de andere deur zag ze Jozef al aankomen. Hij droeg ook een witte band om zijn voorhoofd, zoals alle kweekvaders. Ze kon het niet helpen, maar ze vond het hem mooi staan... Zo dubbel hè! Ze zwaaide naar hem.

Jozef zwaaide terug. Hij keek nog even om, de afdeling in: wat háátte hij dit hele gedoe hier! Drie keer per dag moest hij naar een behandelkamertje. Daar hing een groen gordijn met een gat erin. Hij moest zijn penis door dat gat steken. Aan de andere kant voelde hij hoe dat ding, alsof het niet van hem was, gewassen werd met warm water en hoe het zich al oprichtte bij die warme aanraking... Dan werd het opgewreven tot het orgasme in golven door zijn hele lijf ging. Alhoewel dat een moment van genot was, bleef er een enorme kater achter. O ja, hij had wel eens geprobeerd om het allemaal tegen te houden, maar dat merkten ze natuurlijk. Hij kreeg een uitbrander en het lukte ook niet. Als je zo vol hormonen zit...

 

Hij drukte zijn pols in de klem aan zijn kant en daar ging zijn deur open. Hij keek wat verbaasd naar Cæcilia zag ze en ze begreep even niet goed waarom, keek vragend terug. O ja, die staart, die had hij nog niet gezien!

'Staat je goed en zo fris!' zei Jozef.

Ze omhelsden elkaar, ze waren goeie maatjes en vonden steun bij elkaar. Dat was maar goed ook. Gearmd gingen ze naar de uitgang. Eén voor één werden ze naar buiten gelaten na hun polscontrole. Cæcilia haalde diep adem en rook de frisse geur die vanuit de polder door de wind aangedragen werd.

'Ik haat het daar zo,' zuchtte Jozef echter meteen toen ze buiten stonden, 'ik meen me telkens een beetje in te kunnen voelen in verkrachte vrouwen. Ik voel me gebruikt, verkracht. Elke keer weer, drie keer per dag.'

 

Ze zwegen beiden. Cæcilia had daar geen antwoord op. Ze keek hem hulpeloos aan. Hij vroeg haar:

'Hoe gaat het met jou, je ziet er zorgelijk uit!'

'Ik voel me beroerd, ik kan er eigenlijk niet meer tegen. Vraag jij je nooit af hoe het met jouw kinderen gaat? En hoeveel er van jou rondlopen?'

'Ik vraag me dat wel eens af, maar ik ben wat beter dan jij in het dingen van me afzetten, zoals mannen opgefokt zijn. Dat zijn nog steeds de gevolgen van de voorprogrammering van jongetjes. Jongetjes leerden en leren nog, al vroeg dingen die gevoelsmatig voor hen van belang zijn van zich af te zetten. En ik kom bovendien uit een streng christelijk gezin en een streng christelijke school. Dat gaat er in generaties niet uit. Zo is jouw bezorgdheid voor een deel ook nog voorprogrammering. Vrouwen kunnen dingen moeilijker loslaten. Nog steeds.

Maar eigenlijk kan ik er niet over oordelen: ik heb nooit negen maanden een kind gedragen, met alle lasten en vreugden vandien en het geboren laten worden. Ook al leefde ik mee met je zwangerschap en was ik telkens bij de bevalling van onze kinderen: voor mannen is het totaal anders. Ik voelde elke keer heel goed dat ik er buiten stond, dat het eigenlijk alleen jouw zaak was. Ik vond dat wel jammer, maar gelukkig heb ik toch een goede band met de kinderen op kunnen kweken.

We moeten maar eens wat doen aan je denkrimpel. Ik zag van de week dat je een zorgelijk gezicht krijgt en dat is verdacht. We kunnen de kinderen kwijtraken, maar ook elkaar. En ik wil je toch niet missen. Ik heb veel van je geleerd en je bent voor mij een krachtbron. Vertel eens.'

'Ik zag dat zorgelijke gezicht van mij vanochtend ook in de spiegel. Ik ben zo moe en ik ben het zo zat. Hoe vaak hebben ze me nu al niet eieren afgenomen? Ik ben nu bijna vierentwintig en vanaf mijn veertiende hebben ze me elke drie maanden, als ik niet zwanger was tenminste en geen kind voedde, uitgemolken. En nu ik verder geen eigen kinderen mag krijgen, blijven ze dat elke drie maanden doen.... Hoeveel dochters en zonen heb ik rondlopen? De oudsten ervan zijn inmiddels ongeveer tien... En zijn het er drie of dertig?

En hoe moeten die gelukkig zijn in deze wereld? Met andere ouders. Ze zullen ons nooit kennen.

Moeder vertelt er zo vaak van hoezeer zij en haar broer en al die andere adoptiefkinderen er zo'n moeite mee gehad hadden dat ze door hun ouders 'weggedaan' waren, al konden die niet anders in die bekrompen tijd van de vijftiger en zestiger jaren.

En dan al die klemmen... En dat nergens kunnen praten, altijd weer naar buiten moeten als je elkaar wat wil zeggen....

Als die rimpel en die zorgelijke lijnen rond mijn mond teveel op gaan vallen, moeten we misschien de kinderen afgeven... Wil je me vanavond masseren? Misschien helpt het een beetje. Ik wil niet het risico lopen dat Men mij ongeschikt vindt en de kinderen bij ons weghaalt. En ik wil jou ook niet kwijt.'

Jozef sloeg zijn arm om haar heen en woordeloos liepen ze verder naar de tramhalte. Op een gegeven moment stond hij even stil en zei zachtjes in haar oor:

'Ik vertrouw er op dat alles ten slotte goed zal komen. Dat houdt mij overeind. De mensen zijn het allemaal zat en dat houden ze niet lang meer vol! Jouw grootmoeder zei ook al zo iets toen we laatst met haar in het park wandelden. Ze is al bijna negentig, maar zij heeft nog volop hoop en doet wat ze kan om het leven een ander zicht te geven voor de mensen. Bij de gigantische genees-bijeenkomsten in de kathedraal weet ze dingen zó te zeggen dat mensen er wat aan hebben. Ze kunnen haar niet pakken, maar intussen houdt zij dat rotgevoel van de mensen levend, omdat daar de kracht uit moet komen voor een omwenteling.

Elke dag, als die bijeenkomst op tv uitgezonden wordt en daags erna herhaald, laten die uitzendingen en wat er gezegd wordt hun sporen na. Vertrouw een beetje Cæcilia. Als zij met haar bijna negentig jaren nog zo vol toekomst zit, moet jij geen rimpel fokken!'

'Je hebt gelijk! Maar wil je vanavond toch maar mijn gezicht masseren?'

'Dat zal ik doen en ik zal je zelfs helemaal masseren, dan knap je wat op!'

'Graag!'

 

Ze liepen verder. Een vrouw, ook een kweekmoeder, die op weg was naar het ziekenhuis kwam op haar toe: ze had een dikke bos rood krulhaar. Nu was het verboden dat kweekmoeders en kweekvaders contact zochten met anderen kweekouders. Allemaal om te voorkomen dat ze opstandig zouden worden. Dat werd zo niet gezegd, maar het was natuurlijk de enige reden. Deze vrouw echter brak door dat verbod heen. Geagiteerd stelde ze zich voor:

'Ik ben Miep Helkers. Hoe hebben ze binnen gereageerd op je staart?'

Cæcilia stelde zich ook voor en vertelde hoe het gegaan was.

'Wil je je even omdraaien, dan kan ik zien hoe je het gedaan hebt.'

Cæcilia draaide zich met de rug naar Mia toe. Toen ze zich weer terugdraaide was de ander al aan het proberen haar gigantische bos onwillig haar in een wrong te draaien om het door de lus van de witte band heen te trekken. Dat ging moeilijk, omdat het zo'n dikke staart was. Cæcilia hielp een handje, door eerst de witte band helemaal van het hoofd te halen, deed er de dikke staart door, legde bovenop een lus in de band en trok hem daarna weer om het voorhoofd van Miep.

'Hè hè! Dat lucht op!' Trots stapte Miep, na Cæcilia bedankt te hebben naar het ziekenhuis, haar zware paardestaart dansend in de wind.

Een andere vrouw die op weg was naar het ziekenhuis, was er bij komen staan, begon ook haar haar in een staart te draaien... Maar een politieagent kwam op hen toe en zei met zware stem dat ze moesten doorlopen en haar haar weer losdoen.

'Poeh,' zei die andere vrouw in zijn gezicht: 'het màg hoor van daarbinnen. Het is veel te warm, en daar worden we zenuwachtig van en geïrriteerd! Dat is nergens goed voor! Zeker niet voor onze kinderen...'

Een ander kwam met haar man uit het ziekenhuis en ging naast Cæcilia en Jozef lopen, onderwijl haar haren ook in een staart opknopend... Ze bleef naast hen lopen en praatte met hen. Ze wisselden mondeling snel adressen uit om eens wat vaker te praten. Maakten een afspraak in het dichtstbijzijnde park, zonder hoofdband... Een andere politieagent kwam opnieuw tussenbeide, maar het 'kwaad' was al geschied.

 

Even later stapten Jozef en Cæcilia de tram in.

Ze zwegen daar. Je kon ook in de tram niet zomaar praten, je wist nooit of er een controleur met een afluistermicrofoon in de buurt was. Cæcilia's moeder zei vaak dat ze nog meegemaakt had dat de controle achter het IJzeren Gordijn indertijd ook groot was, maar ze hadden toen nog niet deze verfijnde technieken gehad. Die werden pas ontwikkeld in de late tachtiger jaren, en werden in beginsel alleen voor vee gebruikt.

 

Bij het verlaten van de tram zei Cæcilia:

'Hoe komt het toch dat oma zo'n sterke vrouw is en altijd uitzicht heeft, ook al leeft ze zo ongeveer als een gevangene? Hoe kan ze anderen zoveel kracht en genezing geven en toekomst?'

'Ik sta er ook steeds weer van te kijken,' zei Jozef, 'zo'n oude vrouw, zo lenig en een houding als een koningin. Waar haalt ze de energie vandaan?'

'Zou het komen omdat ze zo onafhankelijk is? Ik heb altijd het gevoel dat niets haar meer raken kan, dat ze een rijkdom bezit die niemand haar kan afnemen, dat ze dáárom zoveel betekenen kan voor anderen, ondanks het systeem.

Laatst schreef ze op een wc-papiertje wat ik bij thuiskomst in de capuchon van mijn windjack vond: "niets kan je deren als je onafhankelijk bent. Dan is de sterkste gevangenis een papieren doosje waar je zo doorheen kunt prikken met je wijsheid en je ongebondenheid."

Ze schrijft dikwijls dingen waar ik dágen, wéken voor nodig heb om ze te verwerken, om er iets van te vatten. Doorgeven aan anderen kan ik dan alleen maar met de mond, nog niet vanuit mijn leven.'

'Vandaar je rimpel,' glimlachte Jozef, 'maar je bent al een heel end. Veel mensen proberen met jou te praten als je ergens wandelt en je geeft ze vaak veel bevrijdende gevoelens en gedachten mee. Dat is toch weer je oma die er achter zit immers? Die heeft jou al zo ver gebracht.

Heb toch geduld met jezelf dat je nog niet zo ver bent als zij! Zij heeft er ook vijftig jaar over gedaan. Als ik me niet vergis was ze al veertig toen ze zelf begon te leven. En ze was tweeenzestig toen haar eerste boek uitkwam, wat zulke enorme gevolgen had voor de katholieke kerk... Tegen dat jij zestig bent, is de wereld opnieuw anders...'

'Of vernietigd, of de mensheid is helemaal gek geworden door die controles.'

'Praat zo niet in de nabijheid van je oma: ze zou zeer teleurgesteld in je zijn!'

'Nee, ze zou het begrijpen, ze heeft zelf zo allemachtig vaak dergelijke momenten gekend en die accepteerde ze, die heeft ze léren accepteren, door ze te voelen en ze niet weg te praten... Ze heeft zelfs geleerd om ze te gebruiken om er dingen uit te leren en het systeem van toentertijd uit te hollen...'

Jozef keek haar verwonderd aan:

'Eigenlijk weet je het zo goed hè! Soms snap ik niet dat je je dan nog zoveel zorgen maakt!'

 

 Bezoek

 

Bij de voordeur graaide Cæcilia automatisch naar de sleutel in haar broekzak, maar dat hoefde niet, want de deur zwaaide wijd open: haar moeder was onverwachts over uit het diepe zuiden van het land. Stralend stond ze in de deuropening. Ze omhelsden elkaar lang en woordeloos. Cæcilia voelde de warmte van de lange slanke vrouw haar omringen als een wollen deken en ze zuchtte diep: dat had ze nou net nodig!

'Ik had je auto niet gezien mama,' zuchtte ze.

Liesbeth glimlachte:

'Die heb ik expres om de hoek gezet om je te kunnen verrassen!'

'Je blijft een eeuwige plaaggeest!'

Op dat moment kwamen de twee oudste kinderen thuis uit de zomerschool met de hulp die hen afgehaald had, tegelijkertijd rinkelde de bel van de watertankauto aan het eind van de straat. Wat een drukte ineens! Jozef ging met de twee emmers het water halen en liet de drukte van vrouwen en kinderen in hun uitgebreide, warrige begroetingsceremonies met genoegen even alleen.

Iedereen praatte en schreeuwde verheugd en vragend door elkaar en niemand luisterde echt naar de antwoorden van de anderen. Ten slotte nam Cæcilia het voortouw en dirigeerde iedereen de woonkamer in. Haar moeder plantte ze midden op de bank en de kinderen op de grond bij haar voeten. Even stond ze glimlachend het toneeltje te bekijken: het leek wel een ouderwets plaatje uit zo'n heel oud boekje wat ze ooit van haar grootmoeder gekregen had.

 

Ze bezag met warmte en een groot gevoel van waardering door haar hele lijf haar moeder. Ze was nu eenenvijftig met haar warboel van bijkans zwart haar met witte strepen erdoorheen in een dikke vlecht op haar rug (ze had óók haar haren niet meer los hangen, zag Cæcilia ineens! Wat toevallig!) en praatte met de twee kleintjes die haast verliefd naar haar opkeken en geen oog hadden voor iets of iemand anders: oma moest vertellen en liefst dat verhaaltje van 'Knoepertje'. Knoepertje, het oude familiekaboutertje, wat intussen al een lange loopbaan had van avonturen.

De hulp ging voor de lunch zorgen, Cæcilia liep met haar mee de kamer uit en ging naar de baby's boven om te kijken of er al een wakker was. Ze liet haar moeder met de kleintjes alleen. Dat was haar wel toevertrouwd.

 

 Liesbeth

 

Cæcilia's moeder, Liesbeth, werkte nog in de kritische uitgeverij toen ze van Cæcilia in verwachting raakte in '95. Ze had dat zo gepland en wilde haar kind alléén krijgen. Ze was een B.O.M. Door haar ervaring als adoptiekind en alle problemen eromheen over natuurlijke ouders en zo, wilde ze persé dat de vader bekend zou zijn en dat hij ook contact zou willen met het kind door de jaren heen. Ze had zo iemand gevonden, kon goed met hem opschieten, raakte zelfs bevriend met hem, maar wilde niet met hem samenwonen of trouwen. Ze had gerekend op de hulp van haar vader en moeder als ze haar kind eenmaal had en dat was ook afgesproken, maar het liep anders.

 

Haar moeder, Mia, die ze hardnekkig 'moedertje' bleef noemen, was namelijk ten tijde van de geboorte van Cæcilia in Rome. Ze belandde daar immers zwaar gewond in een ziekenhuis na de aanslag op haar en de toenmalige paus. In plaats van de hulp van moedertje te krijgen, ging zij met vadertje, haar broer Herman en Mia's beste vriendin naar Rome om te pogen haar uit de coma te halen met hun genezende handen. Dat was gelukt gelukkig. De uitgeverij had haar, Liesbeth, extra vrij gegeven voor dit probleem. En Cæcilia werd door haar vader verzorgd. Wat was moedertje verdrietig geweest toen ze onmiddellijk bij het ontwaken uit de coma vroeg naar Joannes... De anderen stonden wat te schutteren en ze raadde onmiddellijk dat Joannes vermoord was.

 

 Ouders

 

Indertijd, toen Liesbeth zestien was, kreeg ze contact met haar natuurlijke moeder en een paar jaar later zocht ze haar vader op. Dat was een buitengewoon goed contact, van weerskanten. Het waren beiden warme, zeer intelligente mensen en Liesbeth had er veel aan: wat ze had moeten missen bij haar adoptief-ouders: de herkenning van bepaalde talenten bijvoorbeeld, kon ze nu volop inhalen en ze genoot ervan! Ook haar adoptiefouders genoten van haar, van haar groei en tevredenheid: voor haar was het plaatje rond.

 

Voor haar dochter Cæcilia was het later een bof dat de ouders van Liesbeth bekend waren. Zonder die ouders had ze vast geen kinderen mogen hebben. Gelukkig waren de ouders van haar vader ook goed bevonden door de Voortplantingscommissie.

 

De kinderen van haar oom Herman, de adoptiefbroer van Liesbeth, leden onder het feit dat zijn natuurlijke moeder indertijd de naam niet wou geven van zijn vader. Ze had die naam meegenomen in het graf. De kinderen van oom Herman konden dus niet voldoende gescreend worden en moesten zich tevreden stellen met implantaatkinderen.

 

 Naar oma

 

Die middag gingen Cæcilia en Liesbeth getweeën bij Mia op bezoek. Een buitenkansje, nu Liesbeth ook vakantie had en bij Cæcilia bleef logeren.

Mia was niet eens verrast om zo ineens Liesbeth te zien: voor haar was het niet onverwacht, ze had het voorvoeld. De begroeting was er niet minder hartelijk door.

'Je bent nog steeds niets gegroeid moedertje,' glimlachte Liesbeth naar Mia toen ze elkaar warm aankeken na haar omhelzing.

'Ik ben en blijf een kleintje, en dat is maar goed ook. Toren jij maar boven mij uit met Cæcilia en haar kinderen...' zei ze met een knipoog. Ze zinspeelde hiermee op een spelletje wat ze vroeger deed met Liesbeth. Dan noemde zij Liesbeth 'kleintje' en dan trok Liesbeth haar mee naar de trap, ging er zelf op staan tot ze boven haar moeder uitkwam, omhelsde haar dan en zei 'kleintje' tegen haar moeder... Die tree kwam steeds lager te liggen, tot Liesbeth haar wat zware moeder met enige krachtsinspanning op de trap zette, zodat die weer 'kleintje' tegen háár kon zeggen...

Maar de bedoeling van haar uitspraak, die ze met een knipoog deed was, en daar kon geen controleur haar op pakken: "word groter dan ik, doe meer dan ik nu nog slechts kan..."

 

Ze gingen wandelen met z'n drieën naar het park, dan konden ze wat praten. De twee lange vrouwen moesten haar stappen wat inhouden, omdat Mia niet zo snel meer lopen kon. Het was wederom warm en drukkend. Mia had er duidelijk last van. Ze hijgde. Ze was daar gevoelig voor. Er zat vast onweer in de lucht. Gisteren had ze ook dat gevoel, maar de dreiging was overgewaaid.

 

Mia was nog altijd een beetje cara-patiënte. Ze had maar halve longen door operaties rond haar twintigste. Mensen vroegen haar wel eens waarom ze anderen goed genezen kon, maar zichzelf niet. Daar had ze jarenlang moeite mee gehad, tot ze het antwoord vond: dan moest ze iemand of een geneeswijze hebben die sterker was dan zij... Ze werd wel begeleid door twee therapeuten: een Ondevit-therapeut en een klassiek homeopaat. Maar met zulke slechte en minder dan halve longen... Mia had zich erbij neergelegd dat ze gevoelige longen zou houden.

 

In het park, wat niet zo ver lopen was van het bejaardencomplex, zochten ze een bank op in de schaduw van een grote boom. Een tijdje zwegen ze. Ineens begon Cæcilia te huilen:

'Ik kan er niet meer tegen, oma! Er lopen zoveel kinderen van mij rond en die kunnen nooit gelukkig worden in deze maatschappij en dan al die klemmen!'

Mia legde een arm om haar heen:

'Huil maar kleintje, huil maar. Het is een zware last die je te dragen hebt, een onvoorstelbare last die nooit in de geschiedenis mensen te dragen hebben gehad. Een last die jou door de machts-maatschappij opgelegd is. Dat zal door vrouwen afgebroken moeten worden, maar ik weet nog niet hoe.' Ze zweeg een tijd.

'Ik weet niet hoe ik ermee om moet gaan: elke drie maanden mijn eieren af te moeten staan en te weten dat de kinderen daarvan nooit gelukkig zullen zijn... En zij zullen nooit hun vader en moeder kennen! Als ik aan de verhalen van jou, mama denk... Soms zie ik spoken in de stad. Dan zie ik iemand met een baby en dan denk ik: die zou wel van mij kunnen zijn!'

'Meisje,' zei Liesbeth, 'dat kan niet, want ze worden altijd ingeplant bij vrouwen die minstens driehonderd kilometer van je vandaan wonen. Ze hebben er een heel ingenieus systeem voor ontwikkeld, dat wereldwijd verspreid wordt.'

'Okee, maar het feit blijft dat, zoals de wereld er nu uit ziet, ze nooit gelukkig kunnen worden.'

'Dat weet je niet Cæcilia! Dat wéét je niet,' antwoordde Mia, 'je kunt nog geen seconde vooruit zien, dus hoe kun je dat dan weten?'

Cæcilia zuchtte. Mia keerde zich helemaal naar haar toe, legde haar rimpelige, maar o zo prettig warme handen om haar gezicht en keek haar diep aan:

'Je kunt nog heel veel doen voor al die kinderen van je. Je kunt ze met je energieën begeleiden, vanaf het moment dat ze als eieren groeien in je buik... Je kunt er een beschermende stolp van energieën overheen zetten, zodat geen kwaad hen deren kan.'

Cæcilia keek haar met grote ogen aan:

'Daar heb ik nog niet bij stil gestaan! Maar oma, wil jij dat niet doen? Jij hebt meer tijd dan ik en voor jou is het een koud kunstje om mijn eieren, mijn kinderen te laden met energie!'

'Dat kan iedereen Cæcilia, jij ook. Jij zeker, omdat je zo'n eerlijk mens bent en zulke warme handen hebt.'

Cæcilia keek naar haar handen, draaide ze om, zag wel dat ze dieproze waren, maar dat kon ook van de zon zijn.

'Jouw handen zijn ook warm, Cæcilia! Daar kun je veel mee doen. En je verplaatsen in mensen, dieren en dingen met je bundel energieën kun je leren, dat is een kunstje. Je hoeft daar alleen maar een beetje voor te oefenen. Lees mijn boek maar eens over genezen, dan heb je het zó door. Hoef ik het je nou niet allemaal te vertellen... Het wordt trouwens toch tijd dat er een opvolger of opvolgster komt voor mij... Ik kan zomaar wegvallen...'

'Wij willen jou nog niet kwijt,' riepen Liesbeth en Cæcilia in koor.

'Hoho! Jullie zijn al ver genoeg hoor en je moet niet zo egoïstisch doen. Ik heb ook recht op m'n rust!' plaagde Mia.

'Je zou die rust maar saai vinden hoor,' grapte Liesbeth, 'je hebt er nu al zo'n moeite mee dat je niet meer alles kan wat je zou willen en vooral dat je niet meer mag schrijven.'

'Ik schrijf wel hoor!' fluisterde Mia in haar oor, 'vraag maar aan Cæcilia...'

 

Vanaf die dag trok Cæcilia dagelijks een half uur uit om meditatief haar eieren en kinderen te begeleiden met haar energieën en ze voelde dat dat goed was zo.

 

 Geheim 2

 

Mia kreeg geen schrijfgereedschap en kon dus niets op papier kwijt. Daar had ze een oplossing voor gevonden. Ze had gevoelige longen en mocht in haar kamer een theelichtje branden met daarop een schaaltje water met tijm en salie. Dat hield haar longen open en schoon. Dat betekende dat ze altijd lucifers nodig had om dat lichtje aan te steken. Ze doofde zorgvuldig het brandertje als ze de kamer uit ging: 'om brand te voorkomen'. Stak het opnieuw aan als ze terugkwam... En ze ging dikwijls de kamer uit, dus gebruikte ze veel lucifers... Als Men haar dan vroeg waarom ze alweer de kamer uit moest, antwoordde ze:

'Dat heb ik nodig, ik wandel in de gangen om fit te blijven voor mijn werk.' En deed ondertussen wat strek-, lenigheids- en spieroefeningen in de ruime gangen. Ze had daar meer ruimte dan in haar flatje en ze blééf er fit bij. Ze kwam ook altijd wel medebewoon(st)ers tegen waarmee ze een praatje maakte, een opbeurend praatje, ook al kon Men haar in haar uitspraken nergens op pakken.

Met die afgebrande lucifers ging ze op de wc zitten schrijven op wc-papiertjes... Die stopte ze dan achter de stortbak. Als Cæcilia kwam, wist ze altijd weer wat blaadjes in haar jaszak of bij een omhelzing als ze afscheid van elkaar namen, onder haar kraag of in de capuchon te stoppen. Thuis werkte Cæcilia die papiertjes dan weg in de map in de kast onder de naaidoos. Het was inmiddels een hele stapel geworden... Gelukkig was die hoek van de kamer waar de kast stond niet zichtbaar voor de minuscule stofjes op de rand van het behang... De minuscule stofjes waar Cæcilia en Jozef niet van wisten.

 

 Een lange nacht

 

's Avonds was Liesbeth naar een oude vriendin en Cæcilia en Jozef waren alleen thuis.

'Wil je m'n gezicht masseren?' vroeg Cæcilia na het eten toen de hulp eindelijk weg was.

'Natuurlijk, vrouwke, dat doe ik graag voor je. Waar lig je het lekkerste, op de bank?'

Cæcilia installeerde zich op de bank met ettelijke kussens onder haar schouders en haar hoofd. Ze genoot ervan hoe Jozef stevig over haar huid gleed en haar spiertjes kneedde met zijn vingertoppen. Wàrme vingertoppen. Dat was ook geen wonder: wie eerlijk leeft, straalt warmte uit. Met haar ogen dicht lag ze op de kussens. Aan het hoofdeinde zat Jozef op zijn knieën op de grond. Hij bewerkte haar hele gezicht en haar hals. Toen hij daarmee klaar was, gooide Cæcilia de kussens van de bank en ging op haar buik liggen met haar armen gevouwen onder haar voorhoofd. Jozef masseerde haar hele achterhoofd, al was dat wat lastig met al die lange haren. Maar hij kon met zijn stevige vingertoppen tussen de haren nog heel wat bereiken. Hij vergat haar oren niet: die zit vol met pressuurpunten. Cæcilia's hoofd gloeide helemaal toen hij daarmee klaar was en haar oren waren net rode kooltjes.

'Wil je dat ik de rest ook doe?' vroeg hij.

'Graag, je hebt zulke stevige handen! Dan zal ik zo meteen kruidenthee zetten. We hebben er nog wel wat water voor.'

Cæcilia deed haar kleren uit en Jozef begon haar nek, schouders en rug te masseren. Daarna haar armen, billen en haar bovenbenen. Vooral haar voetzolen kregen een stevig beurt. Daar zaten heel wat pijnpunten en dat vond Cæcilia niet leuk... Ze schreeuwde het af en toe uit van de pijn.

 

Toen Cæcilia zich omkeerde, moest Jozef even slikken: hij kreeg het moeilijk bij het zien van haar stevige borsten... Hij kreeg spontaan een erectie. Hij bloosde en zuchtte. Cæcilia deed haar ogen open en hij keek haar schuldbewust aan. Ze zei echter niets en sloot haar ogen weer. Ze had hem goed begrepen, en voelde zich wat ongemakkelijk, poogde zich toch onbelemmerd over te leveren aan zijn stevige handen. Hij ging even weg. Loste voor dat moment het probleem op. Háátte het...

Daarna ging hij zwijgend verder met masseren.

In haar buik voelde hij veel 'knopen' zitten die hij stevig met de vingertoppen van twee handen diep wegmasseerde. Dat was af en toe erg pijnlijk, maar hij wist dat elke knoop die hij weg kon krijgen of verminderen Cæcilia zou helpen om als mèns weer sterker in haar schoenen te staan.

'Dit moet ik maar vaker bij je doen,' zei hij.

'Je doet me veel pijn, dus ik zou zeggen: "liever niet," maar ik besef ook dat het goed voor me is. Alternatieve geneeswijzen zijn soms erg wreed, maar dan bedenk ik dat de maatschappij die mensen dit aandoet nog veel wreder is!'

'Sst, niet zo hard!'

Geschrokken sloeg Cæcilia haar hand voor de mond. Ze zeiden beiden niets meer.

Pas toen Jozef weer bij de voeten was, zette hij de radio aan om eventuele microfoons te storen en fluisterde in haar oor:

'Ik heb het zo moeilijk. Ik wil graag met je vrijen, maar ik voel me zo gefrustreerd, omdat ik níét met je wil vrijen. Niet nú. Ik zit volgepompt met hormonen en ik wil niet dáárom met je vrijen. Dat wil ik je niet aandoen!'

'Ik verlang ook naar jou, maar ik wil het om dezelfde reden niet. Ik voel me een hoer en voel me gebruikt. Niet door jou, maar door de maatschappij. Elke keer als we die hormoonkuur hebben gehad, is het hetzelfde liedje. We raken nog eens zó gefrustreerd, dat we helemaal niet meer durven vrijen. Laten we maar wat thee drinken en naar bed gaan... We hebben een drukke dag achter de rug en je zult wel moe zijn! Ik ben ondanks mijn frustratie, heerlijk ontspannen nu en lekker warm. Dank je wel.'

Ze stond op, boog zich over Jozef heen en kuste hem op zijn voorhoofd:

'Je bent een schat!'

Ze trok haar t-shirt en haar slipje aan en zette thee. Er werd niet veel gesproken. Daarna ging Cæcilia naar boven. Jozef sloot af en kwam achter haar aan. Eventjes liep ze de kamers van de kleintjes binnen, streelde er eentje de haartjes uit het gezicht, stopte een ander wat beter onder, legde de baby op het andere zijtje...

 

Eenmaal in bed lag ze te kijken hoe Jozef zich uitkleedde en zag hoe zijn broek opbolde.

'Ik ga me even aftrekken,' mompelde Jozef.

Maar ze kwam overeind, pakte zijn hand en trok hem naar zich toe...

Korte tijd later lagen ze dicht tegen elkaar uit te hijgen. Toch voelden ze zich er geen van beiden prettig onder. Ze wisten zich geen raad hoe hiermee om te gaan. Cæcilia zette de radio aan en zei in zijn oor:

'Misschien moeten we het maar laten komen zoals het komt en ervan genieten. We wéten het toch van elkaar? Misschien is het eenvoudiger als we gewoon met de stroom meegaan!'

'Dan kan ik de komende dagen nog wel drie keer per dag...'

'Laten we maar kijken hoe het loopt... Anders gaan we eraan kapot.'

 

Ergens in een grote zaal vol cabines met monitors had iemand onverschillig de massage aan zitten kijken. Ach: hij had elke dag van die stelletjes in het vizier. Allemaal zo ongeveer hetzelfde: vol hormonen en sex-belust. De uitvoering verschilde. Sommigen hadden ruzie, anderen gingen zichzelf bevredigen en die twee waren bezig met masseren. Die zouden ook nog wel... Op een gegeven moment gingen ze allemaal voor de bijl.

Op het moment dat Cæcilia op haar rug ging liggen, zoomde hij toch even in vanuit dat minimale stofje op de rand van het plafond en het pikkeltjesbehang... Schakelde over op een ander stofje op de rand van het pikkeltjesbehang en zoomde in op die prachtige borsten. Hij kon het niet laten, kreeg zelf een erectie en al spoedig trok hij zich af... Leuke baan had hij toch: mocht zomaar meegenieten van al dat moois.

Het telefoontoestel bij zijn elleboog rinkelde net toen hij zijn broek voldaan dichtritste. Hij zei luiïg zijn personeelsnummer en schoot toen verschrikt overeind. Het beeld van de borsten werd overspoeld door een nijdige kop die hem toesnauwde:

'Dit is een waarschuwing! Dergelijke lolletjes moet je maar laten Klaassen! Nog één keer en je vliegt de laan uit!'

'Ja meneer,' zei Klaassen onderdanig.

'Ze waren net aan het praten en dat heb je niet gehoord!'

Klaassen schrok, keek naar de andere monitor en zag dat stel inderdaad praten.

In die andere zaal met cabines met monitoren zakte de andere figuur tevreden achterover. In het midden van het land grijnsde de centrale controleur gerustgesteld. Dat was goed opgelost. Nu wist nummer één dat hij in de gaten werd gehouden. Dat kan nooit kwaad. Nummer twee wist het misschien nog niet. Zou hij...? En zijn hand zweefde een moment boven het telefoontoestel bij zijn rechterpols. Toch maar niet...

In Brussel...

 

Klaassen intussen had het oorspronkelijke beeld weer terug. Verdraaid: ze hadden de radio aangezet en vlak bij hun hoofd, waar een van de microfoons in de bank ingebouwd was. Hij probeerde te verstaan wat ze zeiden, maar kwam er niet uit. Nou ja...

Al spoedig schakelde hij over op een minuscuul stofje op de rand van het plafond en het bloemetjesbehang in de slaapkamer: dat verhaal kende hij al en hij ging op de andere monitoren kijken. Toch probeerde hij even later op te vangen wat dat ene stel besprak na afloop, maar de radio stond weer aan en stoorde. Nou ja...

Ze deden het licht uit en hij schakelde over op de infrarood camera. Maar er viel niets meer te beleven.

 

 Weer naar oma

 

De dag erop wandelde Cæcilia 's ochtends met de twee kleintjes in de tweelingwandelwagen opnieuw naar haar oma. Die had haar wederom verwacht.

'Je kunt jou nou nooit eens verrassen,' klaagde Cæcilia plagerig.

Mia glimlachte alleen maar even. Ze had het zorgelijke gezicht van Cæcilia gezien en begreep dat dit grapje alleen bedoeld was om zich op de been te houden. Ze ging er meteen op in toen Cæcilia zei:

'Ik vind het zulk mooi weer, heb je zin om nog even mee te gaan wandelen? De weerberichten zijn zodanig dat het de komende dagen wel eens afgelopen kan zijn.'

Ze wandelden met de baby's naar het park en kozen een andere bank dan die van gisteren uit om op uit te rusten. Eentje bij de zandbak, dan kon het kleintje van twee in het zand spelen.

'Liesbeth is zeker weg?' vroeg Mia om de dreinende stilte te doorbreken.

'Die is een paar dagen bij haar vriendin gebleven, overmorgen komt ze nog een weekje bij mij logeren,' Cæcilia's stem klonk hoog en strak, 'pff, het is drukkend weer. De lucht heeft zo'n rare tint en er schijnt zo'n raar licht over alles. Zou er onweer komen?'

'Zo voelt het wel aan,' antwoordde Mia.

 

Ze zwegen een hele poos.

Toen:

'Vertel mij nou maar eens wat je dwars zit.'

Cæcilia keek haar oma wanhopig aan.

'Wat is er nou liefie? Zeg het maar.'

Cæcilia brabbelde snel, hevig geëmotioneerd:

'Als Jozef en ik uit het ziekenhuis komen en nog zo vol hormonen zitten, hebben we behoefte aan vrijen, maar dat willen we dan niet, omdat we het niet doen om die ander, maar vanwege de hormonen snap je dat? We willen elkaar niet gebruiken. We zitten er allebei verschrikkelijk mee. En elke keer wordt het erger en spannender tussen ons. Het beheerst onze hele relatie. We weten er geen weg mee!'

'Kun je er samen over praten?'

'Dat wel gelukkig, maar het helpt niet, omdat we niet weten hoe we ermee om moeten gaan. We haten die hele situatie zo, dat gebruikt-worden, die rotzooi in je lijf, dat uitgemolken worden en dan thuis het andere gevolg van die hele toestand...'

'Was het gisteren weer zo ver?'

'Ja, en we hebben het toch gedaan, omdat we het niet konden houden. Daarna hadden we er een kater van.'

Oma legde haar hand op het hoofd van Cæcilia:

'Je hebt het zwaar meisje, wat vind ik dat erg. En dit, wat iets fijns zou moeten zijn, wordt zo verrot door die toestand... Is het niet mogelijk dat je gewoon afspreekt er dan maar aan toe te geven en er op een gegeven moment dan maar van te genieten. Je wéét het toch van elkaar? Jullie nemen het elkaar toch al niet kwalijk.

Het is zo zonde,' vervolgde ze, peinzend in de verte starend, 'jullie gaan zo eerlijk met elkaar om, dat je eigenlijk een heel goed huwelijk hebt, al ben je niet getrouwd. Het is zo jammer dat dit die goede verhouding zó komt aantasten...'

 

Er volgde een lange stilte.

'We zijn net koeien!' riep Cæcilia ineens plompverloren uit.

'Ho eventjes,' riep Mia er overheen, 'je bent wel ietsje meer hoor! Maar het zou wel jammer zijn als dit jullie goede verstandhouding kapot zou maken. Gebruik die momenten maar en geniet ervan. Probeer de oorzaak ervan even opzij te zetten: jullie verhouding is voor jullie, voor je kinderen en wereldwijd vele belangrijker dan te laten meewegen dat je vol hormonen gespoten bent. Je kunt een macho-situatie pas uithollen als je ermee om blijft gaan. Omdat je dan de wegen leert zien om die situatie te bestrijden. Ga met de stroom mee Cæcilia, misschien wordt het gemakkelijker als je dit probeert te zien als een compensatie voor de narigheid die je moet ondergaan...'

Cæcilia keek Mia ineens verrast en opgelucht aan en zuchtte bevrijd: dit was het antwoord wat ze nodig had. Ze pakte de beide handen van de oude vrouw, 'wat een kleine handjes,' dacht ze, 'en dan zoveel kracht en warmte er in,' en zei:

'Dank je oma, dit had ik nou net nodig!'

Ze legden elkaar de handen om het gezicht, kusten elkaar, keken elkaar lang en diep in de ogen en zagen er rijkdom in en warmte, groei en waardering.

'Je bent een fijne vrouw Cæcilia, ik ben blij dat je mijn kleindochter bent. En ik wil graag dat je mij straks gaat opvolgen.'

Ze zaten een hele poos vredig naast elkaar op de bank, hand in hand, zwijgend genietend van het kleintje in de zandbak en het ander dat rustig lag te slapen; lachend om het stoeien van de eenden en de meerkoeten op het water; kijkend naar de meeuwen die alsmaar hongerig rondcirkelden.

'Die meeuwen horen eigenlijk op zee thuis. Oorspronkelijk kwamen ze alleen hartje winter het binnenland in, maar begin jaren zestig begonnen ze ook in de zomer landinwaarts te blijven. Waarom toch? Het is evolutie. De mens echter heeft de echte evolutie tegengehouden, zelfs fel bestreden' zei Mia peinzend, 'alleen het verstand mocht verder ontwikkeld worden en als tegenhanger werden allerlei zoethoudertjes opgefokt: romantiek, religies, kunst, sport... En moet je nou zien: zoals jij er bij zit en al die anderen, al die gesteriliseerde mannen en vrouwen, al die controles... Waarom moet ik nu ineens aan dominee Martin Luther King denken?'

Cæcilia keek haar wat vragend aan:

'Heeft die niet, om de negers gelijkberechtigd te krijgen, een grote mars georganiseerd?'

Mia knikte en knipoogde nadrukkelijk. Even was Cæcilia beduusd: wat bedoelde ze met die knipoog? Oma bleef haar bijna dringend aankijken. Toen drong het tot Cæcilia door: die mars, zó moest er iets gaan veranderen! En die knipoog moest een afspraakteken worden om berichten goed door te kunnen geven. Wat was oma toch slim! Ze begon te lachen en gaf een stevige knipoog terug. Samen barstten ze in schaterlachen uit, sloegen elkaar op de schouder en rolden bijna van de bank. Cæcilia kon Mia nog net vastgrijpen.

'Val niet Big Sister!' riep ze Mia toe...

 

 De boodschap

 

Cæcilia en Mia spraken nog meer af met een knipoog en een grap:

'Och,' had Cæcilia gezegd, 'twaalf uur Greenwichtijd is toch een mooie tijd van de dag!'

'Het stadhuis ligt hier niet zo ver vandaan hè, dat is best te belopen,' antwoordde oma met haar knipoog.

'Was acht maart niet van oudsher Wereldvrouwendag?'

'Precies. Volgend jaar geef ik maar eens een feest denk ik. Gekostumeerd: allemaal een witte band!'

'Wist jij dat naalden en scharen wat magnetisch waren?' wees ze even later knipogend naar het kleine pukkeltje op haar pols.

'Is dat zo?' vroeg Cæcilia met een knipoog.

'Ik gebruikte dat als mijn doosje weer eens omgevallen was: alle naalden bleven dan aan de schaar hangen,' zonder knipoog.

'Aan een plakbandje,' wees Cæcilia naar haar bultje en gaf een knipoog, 'blijven ook veel naalden plakken...'

Ze vroeg een poosje later aan Mia:

'Jij weet zoveel van het christendom. Hoe laat stierf Jezus eigenlijk?'

'Om drie uur 's middags is hij aan het kruis gestorven. Men heeft altijd gedacht dat hij aan zijn handen vastgespijkerd is, maar hij is waarschijnlijk aan zijn polsen opgehangen (knipoog)...'

 

Een tijdje zaten ze zwijgend bijeen.

'We moeten dat wat we beginnen maar 'Big Sister' noemen als tegenhangster van de Big Brother die alles en iedereen zo controleert en verziekt!' zei Cæcilia.

Mia knikte instemmend:

'Een prima idee...'

 

'Er is één grote maar aan,' zuchtte Mia ten slotte met een bezorgd gezicht.

'Hoezo,' verbaasde Cæcilia zich.

'In dit systeem zijn alle godsdiensten en culturen weggewerkt, onderdrukt. Als het systeem ophoudt in die mate de mensen emotioneel en op allerlei andere wijzen te onderdrukken, zullen de mannen van de diverse godsdiensten en de mannen van diverse volkeren en de mannen van allerlei culturen weer met geweld andere godsdiensten, volkeren en culturen aan zich willen onderwerpen... Ze zullen elkaars vrouwen verkrachten, elkaars kinderen vermoorden, elkaars mensen uit hun huizen jagen...

Ik heb dat zo vaak gezien. Mannen van onderdrukte volkeren, waarvan je zou denken dat ze hun cultuur wel vergeten waren, omdat ze al drie à vijf generaties onder een haarfijn gecontroleerd systeem opgegroeid waren, begonnen onmiddellijk na de bevrijding weer te knokken, te verkrachten en te moorden...

Het is een grote verantwoording die we nemen!'

'Moeten we daarom deze bevrijding dan maar niet gaan doordrukken?' vroeg Cæcilia, 'we hebben nu toch geen leven? En dat is óók door toedoen van mannen!'

'We móéten dit doorzetten en als de mannen van de mensheid nu nòg niets geleerd hebben, dan moet dat maar zo. En dat is dan onze schuld niet... Nee, het is onze verantwoording niet. Onze verantwoording is dat we binnen onze mogelijkheden moeten doen wat we kunnen om onszelf en alle andere mensen een menswaardig leven te bezorgen. Als anderen de kwetsbaarheid van mensen dan misbruiken om hun cultuur of religie aan anderen op te dringen, om misdaden te plegen en anderen opnieuw te onderdrukken, dan hebben niet wij dat veroorzaakt!'

 

Toen Cæcilia Mia teruggebracht had op haar flatje, zei die tegen haar:

'Zet genoeg teilen en emmers in de tuin liefie! Het kan vanavond wel eens flink raak zijn!' Ze kuste de twee kleintjes, die allebei in de wandelwagen tevreden lagen te slapen en omhelsde haar kleindochter.

 

Zo begon de boodschap zijn ronde onder vrouwen en een enkele betrouwbare man, van mond tot mond, van knipoog tot knipoog... Het kwam van die twee vrouwen in Nederland en woekerde voort over de gehele wereld.

 

 Compensatie

 

Die avond praatten Cæcilia en Jozef met elkaar tijdens een gestolen avondwandelingetje. Eigenlijk konden ze de deur niet uit met de kinderen alleen thuis. Maar ze gingen slechts één blokje om...

Cæcilia vertelde wat oma gezegd had en Jozef vond het een prachtidee: dit eigenlijk gedwongen vrijen gaan zien als een compensatie voor alle ellende die hen aangedaan werd. De bevrijding die dat voor hen beiden inhield, konden ze al spoedig beleven...

En die knipoogboodschap vond hij schitterend...

's Nachts brak het onweer in volle hevigheid los. De regen kletterde met veel feestelijk, muzikaal kabaal in alle teilen, emmers en pannen in de tuin. Pas toen er een behoorlijk laagje in zat, werd het lawaai tot een ruisen zoals van de zee.

Tevreden draaide Cæcilia zich nog eens om: ze kon morgen weer eens goed de was doen. En als ze dat water ook weer opving, kon ze, samen met de hulp het een en ander in huis schoonmaken...

 

 Zwanger...

 

De volgende ochtend werd Cæcilia gebeld door het ziekenhuis: er was besloten dat er meer meiden geboren moesten worden, omdat het tekort eraan anders te groot zou worden. Of ze er nog twee baby's bij wilde hebben.

'Het is onze gewoonte niet om de mening te vragen van toekomstige ouders, maar in dit geval doen we dat wel...'

'Zijn ze van mij en Jozef?' vroeg ze.

'Ja, we hebben een tweeling hier van jullie beiden.'

'Ik wil toch eerst overleggen. We hebben al zo'n groot gezin. En Jozef of ik zal moeten stoppen met werken buitenshuis!'

'Je krijgt er twee maal in de week een werkster bij voor het zware werk, dus je hoeft geen van beiden te stoppen. Bovendien wordt het huis naast dat van jullie opgekocht, zodat je meer ruimte hebt. We vinden het belangrijk dat de kinderen straks ieder een eigen kamer hebben. Maar je moet wel snel beslissen, omdat je nu nog vruchtbaar bent, eigenlijk moet het vandaag nog.'

'Ik besef dat, ik zal nu Jozef op de universiteit bellen.'

'Doe dat. Wij zullen de universiteit ook bellen, dan kan hij naar huis. Ze moeten maar zonder hem het nieuwe jaarrooster opstellen.'

 

'We hebben al zo'n groot gezin,' klaagde Jozef, toen Cæcilia het hem telefonisch voorlegde.

'Maar deze twee kinderen, daar weten we dan tenminste van waar ze zijn, daar kunnen we zelf voor zorgen. En zij weten altijd wie hun ouders zijn.'

Toen Jozef na een uurtje uit Blesward thuis kwam, waren ze het er toch spoedig over eens: ze besloten om die tweeling erbij te nemen. Ze hadden per slot toch hulp. En twee keer in de week een werkster en een groter huis... En ze hoefden geen van beiden hun baan op te zeggen.

'Dit konden wel eens bevrijde kinderen worden,' zei Jozef ineens met een knipoog.

Cæcilia lachte en knipoogde terug.

 

Zo trokken ze samen tevreden en zelfs gelukkig naar het ziekenhuis en Cæcilia was opnieuw zwanger toen ze naar huis terugkeerden...

 

 Weer water!

 

De puinhopen van de kernreaktor in Frankrijk werden opgeruimd. Met enorme, door robots bediende bulldozers, werd alles opgeladen op robotgestuurde trucs en verpakt in loden vaten.

De regering van de Wereldunie nam onmiddellijk na de ramp het besluit om de ruimtevaart voortaan op de eerste plaats te gebruiken voor het lozen van afval in de ruimte, in plaats van voor eigenlijk zinloze planetenreizen, sterrenkunde en dergelijke.

Op die manier werd ook het radioaktieve afval van deze kernramp de wijde ruimte ingestuurd. Aan boord waren gevoelige instrumenten die de raket een andere richting gaven, zodra hij in de buurt van een planeet kwam. Je wist immers niet of zo'n planeet bewoond was, of ander leven herbergde...

 

De watertoevoer vanuit de Maas kon spoedig hersteld worden, tot grote opluchting van iedereen...

 

 Afspraak

 

Bij een van de controle-onderzoeken in december in verband met haar zwangerschap, herkende Cæcilia in één van de assistentes een van haar oud-leerlingen. Ze vroeg haar met een knipoog om eens aan te komen waaien, kon ze meteen haar andere kinderen zien. Ze kreeg een knipoog terug...

 

Toen Els op de thee kwam, gingen ze samen even wandelen met de twee kleintjes in de wandelwagen. Ze overlegden. Cæcilia vroeg haar om met andere vrouwen samen te proberen de gegevens over de afkomst van alle implantaatkinderen, wereldwijd, op te slaan op diskettes of zo. Ze legde haar, aan de hand van de verhalen van haar moeder en oom Herman, uit hoe erg het kon zijn als je geen basis had, omdat je je wortels niet kende.

Afgesproken werd dat Men zou beginnen met kopiëren 'n half uur vóór alle klemmen bezet werden. Dan was er de minste kans op tijdige ontdekking.

 Maart 2020

 

 De mars

 

Op acht maart 2020, Wereldvrouwendag van oudsher, maar wat alleen hier en daar nog stiekem gevierd werd, begonnen vrouwen en enkele mannen tegen twaalf uur in de middag Greenwichtijd naar stadhuizen en parlementsgebouwen te stromen. Zwijgend. En wereldwijd. Ze hadden scharen bij zich en vrouwen knipten elkaar de haren af. En iedereen had ineens een witte band om het voorhoofd. Inderhaast was politie opgetrommeld, maar er gebeurde verder niets. Dus viel er niet in te grijpen.

Een uur lang stond iedereen zwijgend voor de gebouwen. Ineens, als op afspraak(!) keerde Men zich om en ging weer zoals Men gekomen was. Maar niet naar huis. Mensen drongen diep de gebouwen binnen, gebouwen waarin zij toegang hadden om een of andere reden, omdat hun chip daarop geprogrammeerd was. Ze zochten een deur uit, plakten een magnetische naald over hun chip heen, of streken er met een schaar of een ander magneetje langs en om klokslag drie uur Greenwichtijd schoof Men zijn of haar pols in een klem. In Australië was het midden in de nacht, in Amerika vroeg tot zeer vroeg in de ochtend.

Zowat alle klemmen waren bezet, wereldwijd en de bezetters zaten onwrikbaar vast. Onmiddellijk raakten de computers op tilt, gilden hun alarmsignaal uit. Wereldwijd. Ook de grote centrale computer in Brussel raakte gedesoriënteerd. Hij braakte warrige papieren uit en bleef gillend alarm slaan.

Er werd getelefoneerd, maar de telefooncentrales raakten stantepede overbelast en vielen uit. Faxen ging niet meer en zelfs mondeling overleg in één gebouw kon niet meer, want iedereen zat opgesloten in eigen werkruimte: de deuren werden immers geblokkeerd door iemand die zich vastgeklemd had aan de andere kant... Wie geluk had, zat net op de wc, die had dus water bij de hand om te kunnen overleven, want de wc's zelf gingen nog ouderwets met een knip dicht. De ruimtes ervoor met een chipklem.

 

Zo zaten mensen gevangen òf in een klem, òf in hun werkruimte en de uren begonnen te verstrijken. Ook zaten er mensen in treinen die niet verder konden rijden. Bussen reden op zonnecellen en die konden dus wèl verder. De post kon haar werk niet meer doen. Fabrieken lagen stil, ziekenhuizen eveneens, kortom: CHAOS.

Ook de parlementsgebouwen van de deelregeringen in alle landen waren hermetisch afgesloten.

De telefooncentrales waren overal onbereikbaar voor de monteurs, dus de telefoons bleven onbruikbaar.

 

Gelukkig hadden de demonstranten eten en drinken meegenomen, en ook de mensen in hun werkruimtes die ervan wisten, dus die konden het een tijdje uitzingen. De andere mensen die opgesloten zaten in fabriekshallen, kantoren, scholen, ziekenhuizen en andere ruimtes, hadden geen eten of drinken.

 

De uren werden halve dagen. Dag werd nacht en nacht werd dag.

Tot Men in de grote controleruimtes de computers begon los te koppelen, van elkaar en van de electriciteit. Alhoewel er niets afgesproken had kunnen worden, trad nu hetzelfde effect in werking wat je bij zangkoren zonder dirigent ook hebt: ze gaan precies tegelijk zingen. Dat is het collectieve intelligentie-effect. Alle computers werden tegelijkertijd losgekoppeld. Zodoende raakten ineens alle demonstranten los en alle deuren gingen open, want dat was ingebouwd: bij het loskoppelen van de computers zouden alle deuren open gaan.

Het begon te tochten in alle gebouwen, want de buitendeuren stonden ook open. Dat ging gepaard met een onbeschrijflijke stank, want niemand had behoorlijk naar de wc kunnen gaan, dus iedereen was gedwongen geweest om zijn of haar urine en ontlasting zomaar ergens in de eigen ruimte te deponeren. Waar Men papier bij de hand had, had Men geluk, want daar kon Men zo goed en zo kwaad als dat ging zich een beetje schoonwrijven. Anderen droegen de stank met zich mee, omdat ze zich niet schoon hadden kunnen maken. Er werd nu eenmaal in deze computertijd bijna geen papier meer gebruikt zoals dat nog wel gebeurde in het begin van het computergestuurde tijdperk. En omdat door de angst en de paniek veel mensen misselijk waren geworden en hadden moeten overgeven...

 

Door het loskoppelen van de computers gingen echter ook zeer veel gegevens verloren. Dat was zo ingebouwd: bij calamiteiten zouden allerlei gegevens vernietigd worden. Daardoor zakte het hele systeem als een kaartenhuis in elkaar. Bij een kaartenhuis echter heb je de kaarten nog en dan kun je het huis opnieuw opbouwen... Het enige wat Men nog had, was het beetje wat ooit op papier gezet was en wat op diskettes en magneetbanden opgeslagen was, maar behulpzame handen hadden veel van die gegevens vlak voor de tijd van gevangenschap ook vernietigd.

Alleen de gegevens over de gezondheid waren ontzien. Die over de afkomst van de implantaatkinderen waren stiekem tevoren op diskettes opgenomen, zodat die kinderen later hun ouders zouden kunnen leren kennen als ze dat wilden. En omgekeerd: want de frustraties onder vooral kweekmoeders over de onbekendheid met de verblijfplaats van hun kinderen en of ze wel gelukkig waren, was groot.

 

De demonstranten wreven hun pols en strekten armen en benen, want ze hadden van vermoeidheid half gehangen in de klemmen. Wie geboft had had een stoel aangeschoven gekregen. Ze hadden merendeels nauwelijks kunnen slapen. Toch begaven ze zich op weg, opnieuw naar stadhuis en parlement. Veel mensen die in scholen, ziekenhuizen, fabrieken en andere gebouwen opgesloten hadden gezeten, sloten zich bij hen aan. Wie geen witte band had, of geen witte zakdoek, gebruikte inderhaast in elkaar gevlochten wc-papier om rond het voorhoofd te winden.

Miljarden stroomden de straat op en begonnen te schreeuwen: 'Weg met de computers, weg met de controles, weg met de Voortplantingscommissies, weg met de macht van de verzekeraars en de multinationals, wij willen vrijheid, wij willen eigen kinderen en verkiezingen en democratische regeringen!'

Chaos.

Niemand ging van zijn plaats totdat toegezegd was dat er echte verkiezingen uitgeschreven zouden worden en dat de macht van verzekeraars en multinationals aan banden zouden worden gelegd.

 

En zo geschiedde.

 

 Oorlog

 

Inderdaad waren mannen onmiddellijk alweer zo dom om hun oude godsdiensten (godsdiensten waren van oudsher altijd allemaal vàn mannen en allemaal tégen vrouwen!) en culturen (culturen waren eveneens van oudsher altijd van mànnen en allemaal tégen vrouwen!) weer op te rakelen en ze begonnen rellen te schoppen, elkaar en elkaars vrouwen en kinderen te verkrachten en te vermoorden en troffen voorbereidingen voor revoluties en oorlogen.

Maar de vrouwen hadden het nu wel allemaal gezien: ze deden wat ze konden om die mannen tot inkeer te brengen, gingen de straat op, ook al werden ze in sommige, meteen weer extreem 'god'-sdienstige landen met duizenden neergemaaid. Ze gingen massaal scheiden, of bleven bij hun mannen hameren op het mensvijandige van die godsdiensten en culturen... Het mensvijandige wat in feite ook tégen mannen is... Vrouwen pikten het niet langer. Ze ondersteunden elkaar met behulp van veel wèl vrije mannen tégen die godsdienstfanaten en cultuurfanaten in. Uiteindelijk moesten de mannen hun strijd opgeven...

 

Hèhè, dat werd tijd...

 

 Thuis

 

Cæcilia had, zwaar zwanger, opgesloten gezeten in het ziekenhuis bij de laatste deur van 'haar' afdeling. Ze ervoer dat als een privilege... Jozef zat op zijn hogeschool vast. De baby's waren in goede handen van de hulp/controleuse, die 'bekeerd' was en die de kinderen opving samen met Lenie, die na twee mislukte pogingen inmiddels drie maanden zwanger was.

Cæcilia ging niet naar de demonstratie: daar was ze te moe voor. Bij thuiskomst was het eerste wat ze deed: de computer pakken. Ze had die bij het weggaan al losgekoppeld van het systeem, hetgeen toen nog een zware zonde was. Het was een schootcomputer: die zware krengen van de jaren negentig waren al lang opgeruimd en vervangen door deze handige, verfijnde en snellere apparaten. Ze dolf de wc-papiertjes met de teksten van oma uit de schuilplaats en bracht het hele zaakje naar Mia, dan kon die haar eigen teksten verder uitwerken voor een nieuw boek...

En zo geschiedde.

 

 Mia

 

Mia kreeg bijna onmiddellijk allerlei verzoeken vanuit de gehele wereld om lezingen te komen houden en geneesweekenden. Z