home

boeknpl

trefwrdn

links

reageren?

engls/dts

aan studntn

oproepn

colum

VAN INA MIJLING

Deel 6

 

Inhoud: De breuk. Vertrek. Thuis. Lief. De volgende dag. Stroom.

 De Breuk 

Joannes kwam de volgende dag gebroken in het zwembad. Hij had helemaal niet geslapen. Hij vertelde dat alles van gisteren door zijn hoofd was blijven spoken, dat zijn lijf aan alle kanten rommelde. Hij was misselijk en barstte van de hoofdpijn.

'Sorry Joannes, ik heb je teveel gehaast. Vandaag laten we alles rusten, als je dat kan tenminste. Zullen we zwemmen?'

Het water was heerlijk, maar hij knapte niet veel op. Dat gonzen in zijn hoofd bleef. Ik voelde me schuldig en had de neiging om me uit te sloven. Terneergeslagen zat ik met hem aan tafel. Ik kon ondanks dat, toch accepteren dat zulke dingen erbij horen. Maar ik vond het erg om mijn vriend zo ongelukkig en verward te zien.

Ik bood aan hem te behandelen, vanwege zijn hoofdpijn en misselijkheid, maar dat wilde hij niet. Ik eigenlijk ook niet, omdat het vaak beter is om dingen tot op de bodem uit te laten zieken.

Later zaten we buiten zwijgend aan de koffie, het missaal lag nog open op het tafeltje. Joannes zag het, pakte het op en smeet het naar de andere kant van het terras.

Hij zat maar voor zich uit te staren. Ik begon visioenen te krijgen dat hij mij ook zo naar het andere eind van het terras zou gooien. Hij liet zijn hoofd tussen zijn handen zakken. Ik liet hem, raakte hem niet aan, hoezeer ik ook de neiging had om mijn hand op zijn hoofd, mijn arm om hem heen te leggen en hem gerust te stellen, te troosten. Maar ik voelde dat dat nu niet goed was.

Na een poosje stond hij op, slofte oud naar het boek en raapte het behoedzaam op. Het lag niet uit elkaar, wonderlijk genoeg na die klap! In zijn stoel gezeten, ellebogen op zijn knieën, het missaal breed in zijn linkerhand, sloeg hij de blaadjes met de slanke vingers van zijn rechterhand bijna teder om, met een ingesleten gebaar van jaren. Het leek of hij zomaar wat doelloos zat te bladeren. Af en toe streelde hij liefdevol een blad. Dan weer liet hij wat blaadjes langs zijn duim ritsen, of sloeg een stapeltje bladzijden terug. Hij rook eraan, stak zijn neus in het boek.

'Hij speelt,' dacht ik. Even later echter: 'hij neemt afscheid!'

Zijn ogen schoten vol.

'Ik houd zo van dit boek. Ik ken er elke bladzijde van. Ik heb het al zo lang, van toen ik elf was. Het ruikt heel bijzonder. Het zal wel iets van mijn geur hebben. Elk soort geritsel klinkt mij als muziek, als iets van mijzelf in de oren. Ik sleepte het overal mee naartoe. Was dat alles dan waardeloos?' Hij klapte het met een zachte, doffe plof dicht en draaide het om en om: 'ik houd er zo van, ik kan het toch niet zomaar wegdoen? Maar wat moet ik er dan mee? Op het moment zou ik wel willen dat je in Timbuktu zat, Ina... Ik háát je om alles wat ik kwijtraak, omdat jij andere dingen zegt en gelijk hebt. Ik ga naar boven en wil je even niet zien.' Hij stond op en verdween naar binnen, het missaal tegen zich aangeklemd.

Ik wist me geen raad en toch vertrouwde ik dat het goed zou komen. Ik voelde me erg alleen, want ik had alweer niemand op wie ik terug kon vallen, ik was uitsluitend op mezelf aangewezen. Daar zat ik nou en ik wist niets beters te doen dan te blijven zitten.

 

Ik weet niet hoe lang ik daar zat. Op een gegeven moment hoorde ik zijn auto wegrijden. Ik vloog op, rende de hoek van het gebouw om en zag over het plein heen nog net de witte auto de weg opdraaien. Beduusd liep ik langzaam terug naar mijn stoel op het terras. Maar ik had geen rust en ging wat dwalen door het paleis. Ik bedacht dat ik nog niet eens wist waar de kapel lag... Ik was haast nergens geweest. En al spoedig interesseerde het me ook niet meer. Ik zakte weer in mijn stoel met nog maar eens een kop koffie. Na een uur liet ik de rugleuning wat zakken om anders te kunnen zitten, rolde me op en viel onbedoeld in slaap.

 

Ik werd wakker van een gerucht. Ik zag dat Joannes op een afstandje naar me stond te kijken en kwam overeind. Zijn gezicht stond hard.

'Wat zie je er uit! Is er wat gebeurd?'

Hij schrok bij die bekende woorden, hij werd ineens doodsbleek, begon te hijgen, zakte in, verstrakte opnieuw.

'Ik hou hier mee op Ina. Het kán niet. De overgang is té groot. Ik zal je naar de trein brengen, want ik heb graag dat je naar huis gaat.'

Verlamd zat ik daar. Met open mond zat ik hem aan te staren. Naar huis? NAAR HUIS? Ik hoorde hier, dit was mijn thuis! Toen mijn spieren weer een beetje bestuurbaar waren, stond ik verkrampt op, maar bleef zwijgen. Wat moest ik zeggen? Ik kon hem alleen maar aanstaren. Hoe lang al? Uren of seconden? Mijn lijf was een puinhoop, mijn hersens lagen lam, koud zweet brak me uit. Ik kon niet denken, alleen dat éne: 'hij stopt ermee, HIJ STOPT ERMEE! Hoe moet het nu verder met de mensheid? Het is het enige antwoord!'

Na een eeuwigheid kon ik met kurkdroge lippen en een hoge, dorre stem stamelen:

'Wat is er gebeurd?'

'Maakt niet uit,' zei hij met een veel hogere stem dan normaal, een gespannen, afwijzende stem, metaalachtig van kleur.

'Zie je nou wel,' jammerde ik, 'ik heb de tijd geen tijd gegeven, ik ben de tijd vóór geweest! Het spijt me als ik je gepushed heb, maar alles líép zo.'

Hij trok zijn schouders op. Ik herkende hem gewoonweg niet meer. Hoe kon iemand in een paar uur zó veranderen? Hij keek me ook nauwelijks aan. Ik zei hem dat hij me aan moest kijken. Hij keek me vluchtig aan en toen weer de ruimte in. Ineens draaide ik me om en liep gedecideerd naar binnen, regelrecht naar de telefoon in de woonkamer. Achter mij hoorde ik het sjiep-sjiep-geluid van de rubberzolen van Joannes' sandalen op de marmervloer.

'Wat ga je doen?' vroeg hij driftig.

'Je moeder bellen! En ik weet niet waarom, maar ik doe het.'

'Dat wil ik niet hebben!' riep hij uit en griste me de hoorn uit de hand, smeet hem neer en keek me eindelijk recht aan: woedend! Maar ik pakte de hoorn en begon opnieuw het nummer te tikken. Hij slóég me de hoorn uit de hand!

'Is het zó erg Joannes?' vroeg ik, 'zeg me wat er gebeurd is. Zég me dat. Waarom stuur je me zomaar weg? Heb ik je zó zwaar gekwetst? Of ben je zo bang? Heb je gepraat met iemand die niet weet hoe de vork in de steel steekt? Wat is er gebeurd? Waarom mag ik dat niet weten? Als je mij weg stuurt, terwijl ik je drie dagen terug beloofde bij jou te blijven, ook al zou dat voor jaren zijn, dan mag ik toch zeker wel weten wat er aan de hand is?'

Ik werd kwaad:

'Heb ik daar eventjes mijn hele leven omgegooid! Sta jij daar doodgemoedereerd mij eventjes weg te sturen. Alsof het maar niks is. Mijn thuis is hier, niet in Nederland. Wat moet ik dáár? Dat is een stap terug, voor jou en voor mij! Mensen mogen nooit stappen terug zetten, het is "kost wat kost" (hij schrok bij die woorden, deinsde terug… Pas later hoorde ik het verhaal erachter). En jij gaat ook zomaar eventjes jouw eigen toekomst vergooien en die van een groot deel van de mensheid.

En de manier waarop je nu met mij omgaat, dat is echt iets voor een kérel: misbruik makend van je macht; omdat je dingen niet ziet zitten, stuur je de vrouw uit je huis weg, zoals dat bij zowat elke scheiding gebeurt! En dat vind ik, geloof ik nog het ergste,' en de tranen begonnen me over de wangen te rollen, 'dat jij rottige mannenstreken gebruikt, om eigen angsten en onzekerheden bot te vieren op mij, keurig volgens de boekjes van de zelfhaat van mannen in het geweer tegen vrouwen.'

Hij balde zijn vuisten en klemde zich vast aan de rugleuning van een stoel. Mijn woede was gezakt. Zo hoort dat: eerst je eigen stukkie opruimen, eerder kun je niet goed oordelen over dingen buiten jou.

'Luister Joannes,' en ik poogde, ondanks de nu tussen ons in staande stoel, toch vóór hem te gaan staan en hem in de ogen te kijken, wat niet lukte: hij keek hals-star-rig over me heen, 'zeg mij wat ik verkeerd gezegd heb, waar ik gelogen heb, welke dingen ik je verkeerd heb doen ervaren! Zég me dat, want daar heb ik recht op. Als het waar is dat ik jou leugens en bedrog zou hebben verkocht, zal ik eerst voor je neerknielen om vergiffenis te vragen. Ik zal je bedanken dat je me mijn fout hebt doen inzien en ga dan onmiddellijk naar mijn vorige huis terug. Je hoeft me niet eens naar het station te brengen. Ik ben het dan niet waard om in jouw buurt te zijn, bij jou, die zo'n enorme taak op je nek hebt gekregen en genomen. Ik mag niemand in de war maken, en zeker jou niet!'

Hij trok wit weg, maar zei niets.

Ik legde mijn handen rond zijn koudaanvoelende gezicht en trok het naar mij toe. Wat was die nek stijf zeg!

'En al die mensen dan Joannes?' fluisterde ik, 'die miljarden nú en die miljarden in de toekomst? Het gáát er helemaal niet om of het nou zo leuk is voor mij of voor jou! Daarvoor zit jij op een te hoge post. Het gaat om die miljarden die verlossing en bevrijding nodig hebben van het macho-machtsjuk! Dat juk wat hen zo ziek maakt en ongelukkig!'

Nog even stond ik zo in zijn tegenstribbelende, vernauwde ogen te kijken. Ik wist niets meer te zeggen. Ik liet hem los, wachtte nog even, draaide me om en ging naar boven, mijn spullen pakken.

* * * * *

 

Vertrek.

 

Ik liet me een moment op het bed zakken, moedeloos. De schilderspullen moest ik hier laten, die kon ik niet meeslepen. De oranje mantel kon ik ineens niet meer zíén. Ik hing hem in de kast. Mijn kleren mikte ik door elkaar in mijn koffer.

Toen ik klaar was, ging ik naar beneden en belde een taxi. Het zou me een hap geld kosten naar station Termini, maar ik kon geen minuut langer blijven. Ik had alles verloren. Een toekomst die wereldwijd bevrijdend zou zijn geweest, verlossend, genezend... En een lieve vriend was ik kwijt. Dit was mijn vriend niet, ik kende hem niet. Dat houten gezicht was me vreemd, die strakke lijnen had ik nog nooit gezien, die metalen stem klonk me vals in de oren.

Ik wist helemaal niet hoe laat er een trein ging, maar dat kon me niet schelen. Ik zou dáár wel blijven wachten, er ging er elke dag minstens één, dacht ik.

Joannes zag ik niet meer.

 

Met een lijf vol verdriet en verwarring, stapte ik in de taxi. Op het station bleek dat er pas over drie uur een trein ging. Ik deed mijn bagage in een depot en wandelde buiten wat rond, hing dan weer in de wachtkamer, op het terras, om die drie uur vol te krijgen. Ik at een late lunch die me niet smaakte en die ik dan ook voor meer dan de helft liet staan, haalde mijn koffer uit het depot en zocht een bankje achteraf om niet gestoord te worden door al die roezemoezerige reizigers.

Ik had afleiding gezocht, maar het werkte niet. Toen ik eenmaal op dat wat lommerrijke plekje zat, kon ik er niet meer onder uit: daar zat ik dan. En waar bleef ik nou met "je moet je nergens aan hechten"? Ik was gehecht geraakt aan Joannes. En opnieuw schoot er een brok in mijn keel, die ik niet zomaar weg kon slikken. Ik was ook gehecht geraakt aan het groeiproces van hem en van mezelf en van ons beiden naar de nieuwe "kerk" toe. Ik was gehecht geraakt aan die nieuwe toekomst die zich was beginnen af te tekenen, maar die nu geen kans meer kreeg. Ik was gehecht geraakt aan het weten dat dit nieuwe een bevrijding en verlossing voor miljarden mensen zou zijn geworden. Als ik nu zó stuk zat hier, hoe kon ik over al die dingen dan goed oordelen?

En hoe zat het met "dingen moeten lopen zoals ze lopen" zoals ik anders zo overtuigend kon verkondigen? Ik had alles immers weer graag geregeld gehad, en ik kon niet eens tegen mezelf zeggen: "wat er ook gebeurt, het komt altijd goed..." Ik had dat gevoel helemaal niet, dat vertrouwen erin was finaal foetsie.

Wat was dat "in orde" dan? Ik zou straks in de trein naar "huis" stappen. Wat moest ik daar met mijn leven beginnen? Híér lag immers mijn doel, mijn nieuwe leven, mijn nieuwe mogelijkheden tot groei! Groei? En dan zo zitten zieligdoen en geen enkel vertrouwen hebben! Dan was het misschien maar beter dat ik terugging naar het vorige leventje, om daar eerst nog het een en ander te leren. Waar had ik trouwens een paar dagen geleden het lef vandaan gehaald om hierheen te komen? Een paar dagen geleden? Het waren toch een paar eeuwen!

Ik voelde me verloren en door al die door elkaar jagende gedachten en gevoelens volkomen overspoeld en in de war. Ik ging maar wat lezen in een vers gekocht Nederlands dagblad en toen in een Nederlands weekblad. Tenminste, dat probeerde ik. Geregeld dansten de letters wazige tango's.

 

Ik raadpleegde voor de zoveelste keer mijn horloge: nog een half uur. Er viel een schaduw over mijn blad, 'n kreet:

'Ina!'

Met betraande ogen keek ik op: Joannes! Hij trok me woest overeind en sloeg zijn armen om me heen, tilde me van de grond. Het blad klapte schoffelend op de tegels. We huilden allebei tranen bij beken. Mensen keken, maar het kon ons niks schelen.

'Ik was bijna weg,' snotterde ik in zijn T-shirt en was blij zijn vertrouwde geur weer te ruiken.

'Je was bijna weg' echode hij op mijn schouder.

Ineens moesten we lachen, we lachten tranen bij beken! Mensen keken, maar dat kon ons niks schelen. Alles werd nu goed, écht goed! Hij pakte mijn koffer, ik mijn tas en met de armen stevig om elkaar geslagen, als in een goedkoop romannetje, zochten we de auto op. Achter ons hoorden we iemand in het Nederlands tegen een ander zeggen:

'Wat lijkt díé op de paus zeg!'

We keken elkaar aan en schaterden het uit. Hij had eens moeten weten.

Een eindje verder vroeg Joannes:

'Mag ik jouw zonnebril? Ik heb toch liever niet dat iemand mij herkent.'

Ik gaf hem die bril en frutselde zo'n katoenen zonnehoedje uit m'n tas, een oranje, afgedankt door mijn zoon na een of andere internationale voetbalwedstrijd.

'Hier en hou maar, dan vergeet je me niet!'

'Lief, ik vergeet jou nooit meer,' zei hij en drukte me extra tegen zich aan, kuste me op mijn hoofd. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder, even maar.

'Ik ben zo blij dat ik je weer terug heb, mijn grote lieverd!'

'Hoe kon ik zo stom zijn! Ik hou je vast en laat je nooit meer los!'

Zo liepen we naar het parkeerterrein, de armen om elkaar heen. Ik voelde hoe fijn dat was. Mijn hand op zijn heup voelde hem lopen, de bol in de kom draaien. Het leek zo vertrouwd en toch had ik nog nooit zo gelopen met hem.

* * * * * *

 

 Thuis

Toen we thuis waren, dacht ik ineens: "ik denk 'thuis'" en dat zei ik hem. Hij glimlachte verheugd, zette mijn koffer neer, nam mijn gezicht tussen zijn handen en zei warm:

'Welkom thuis dan lieverd!' en kuste me op beide wangen.

Toen we dus thuis waren, brachten we mijn bagage arm in arm naar boven, de brede, statige trap op. Joannes zat even later op de rand van mijn bed toe te kijken, hoe ik mijn lichtelijk verfomfaaide kleren uit mijn koffer plukte en ze weer in de kast hing. Ik schaamde me een beetje, omdat ik ze zo slordig in mijn koffer gemikt had en dat zei ik hem. Joannes strekte zijn hand naar me uit en zei:

'Kom nou eens naast me zitten. Niet jij moet je schamen, ík moet dat doen: ík stuurde je weg. Mijn lieve meid, ik heb je zo'n pijn gedaan! Nooit zal ik dat beeld vergeten, zo triest en verloren als je daar zat op het station toen ik je eindelijk gevonden had.'

'Ja,' snotterde ik, 'ik voelde me verscheurd. Ik dacht: "hoe moet dat met de toekomst? Wie moet ik nu dan aanklampen om alles ondersteboven te gooien, als hij niet...?"'

'Hoe heb ik zo stom kunnen zijn!'

'Begrijp je dat niet? Dit moest zo gebeuren. Het was de laatste grote stap die je nog moest zetten. Maar ik dacht dat het definitief was, daarom was ik zo verscheurd. Jij hebt jezelf nog het meeste pijn gedaan en die pijn kan ik niet van je afnemen. We zitten allebei met dat brokje verdriet. Nou, dat is dan maar zo.

Maar ik ben zo verschrikkelijk blij dat ik weer bij jou ben en weer thuis bij jou! En dat we vérder kunnen! Dat mijn leven, óns leven toch doel heeft!' Ik omhelsde hem en we kusten elkaar. Hij trok me tegen zich aan en een poosje zaten we zo te genieten van elkaars nabijheid, beseffend dat dit nu niet meer stuk kon!

 

Op de overloop, op weg naar beneden, pakte Joannes mijn hand en zei:

'Mijn lief, kun je mij vergeven? Asjeblieft!'

Met een zucht ging ik op de bovenste tree van de trap zitten, zette mijn ellebogen op de knieën en nam mijn hoofd in de handen. Hij ging, naar mij toe gekeerd, een tree lager zitten. De trap kraakte.

'Ina?' zei hij dringend, alsof ik hem niet gehoord had en hij pakte me hard bij de pols. Ik keek hem aan, zijn ogen waren bijkans zwart in de halfdonkerte van het trappenhuis. Ik zag er dat zelfverwijt in, die hoop. Ik wist dat ik hem weer pijn ging doen, nam zijn beide handen in de mijne om het dragelijker te maken:

'Ik kan je niet vergeven Joannes,' zei ik, en hij schrok. Tranen welden op in zijn zachte, grote ogen, zijn handen werden koud. 'Ik kan je niet vergeven,' zei ik nog eens, 'vergeven kán niet. Dingen uitpraten, uithuilen, uitschreeuwen wél! Begrijpen en verder gaan wél, goed met de gevolgen omgaan van je brokkenmaken wél! Is het zo goed? Denken dat vergeven kan is vergif! Ik wil geen vergif tussen jou en mij! Begrijp je dat?' De grote holle ruimte van het trapgat galmde het na.

Hij keek me verdrietig aan, maar zei toch:

'Ik begrijp je lief, die pijn moet dan maar, die zal wel slijten.'

'We moeten er over praten, dat maakt het gemakkelijker. Te beginnen bij het begin.'

We liepen hand in hand naar beneden en gingen even later buiten zitten met hete kruidenthee.

 

'Hoe kwam dat nou Joannes, vanochtend?'

'Ik was zo geschrokken van jouw gezegde dat dit eigenlijk niets met christendom te maken had! Ik kon er niet van slapen. Ik kon nergens anders meer aan denken! Ik was ineens zo bang en in de war. Ik heb later maar rond en rond gereden. Ik vond het zo moeilijk om alles wat ik als goed ervaren had, los te laten. En jij had gelijk. Maar ik kon dat allemaal niet aan.

Ik zag ook niet hoe ik alles op kon lossen. Ik was zo bang voor al die tegenstand en werd bij voorbaat moe vanwege al dat geargumenteer. Ik dacht óf te moeten opstappen, óf jou wegsturen en op de oude voet doorgaan...

Op een gegeven moment ben ik ergens uitgestapt en op een bankje gaan zitten. Er kwam een man naast me zitten die een praatje begon. Achteraf gezien stúúrde hij dat praatje, want hij had in de gaten dat ik wanhopig was. Het was de plaatselijke dorpspastoor, een fijne, gevoelige man. Ik vertelde hem zo goed en zo kwaad als dat ging mijn verhaal. Hij had me herkend, dat scheelde iets. De rest kon ik natuurlijk maar heel gebrekkig overbrengen.

Hij was erg lief en bezorgd voor mij en zei: "je hebt behalve vrouwen ook een man naast je nodig om je te adviseren. Ik vind het geweldig wat je totnutoe gedaan hebt, ik heb veel beter contact met de vrouwen hier en de mannen beginnen om te turnen. Mijn moeder was een "harde" vrouw, ik heb haar nu leren zien als een vooral eenzame feministe! Maar deze verandering gaat te ver! Ook al zou je mensen kunnen genezen: dit gaat gewoon te vér. De sprong is te groot! Je moet hier een punt achter zetten. En de bewering van je vriendin dat dit geen christendom is, zou jou toch al genoeg moeten zeggen! Stuur haar naar huis, want dit kán niet." Ik ben verbeten naar huis gegaan.'

'Ik wist niet wat ik zag. Ik herkende je gewoonweg niet: je gezicht niet, je stem niet, je houding niet: je was een vreemde!'

'Een vreemde,' zei hij, met tranen opnieuw in zijn ogen, 'ja, dat was ik: een vreemde! Zo voelde ik me ook en dat had me iets duidelijk moeten maken! Na mijn gesprek met jou ben ik naar boven gegaan en heb daar een tijd voor me uit zitten staren. Ik was een puinhoop. Je had me heel diep geraakt, tot op het bot. Ten slotte heb ik Myriam gebeld. Ze heeft me uit alle macht gesmeekt jou niet weg te sturen, en ze riep me op om niet zo ver vooruit te kijken. Ze zei ook keer op keer dat ik niet alléén stond, dat méér dan de helft van de mensheid achter mij zou staan... Over mijn gehechtheid aan alles zei ze: "dat moet slijten! Ina zelf heeft er immers ook nog last van! En we zullen steeds beter in gaan zien, hoezeer we gehecht waren aan schijnzekerheden, aan vluchtwegen en afhankelijkheden!"

Op een gegeven moment stonden we allebei te huilen! Uiteindelijk had ze me óm. En dat was een bevrijding voor me. De spanning viel uit mijn lichaam weg, de ijzige kou waar ik in gevangen had gezeten, merkte ik toen pas op, doordat ik helemaal warm werd. "Ga maar gauw naar Ina toe, want die is wanhopig nu!"

Ik ging naar beneden, naar buiten, maar jij bleek daar niet te zijn. Ik holde weer naar boven. Je kamerdeur stond open. Daar was je ook niet en je spullen waren weg, je bed afgehaald. De kleerkast stond open... de mantel knalde oranje me verwijtend in de ogen... Dat was de druppel... Ik wist waar je heen moest zijn en hoopte dat je nog niet weg was... Ik snap nog niet hoe ik heelhuids op Termini aangekomen ben. Ik herinner me niets van de autorit!

Op het station stond je trein al klaar. Ik heb hem van voor naar achter uitgekamd, onderhand voortdurend naar buiten kijkend, om je te kunnen onderscheppen als je langs zou komen. Gelukkig is het een kopstation. Je kon dus maar van één kant komen. Ik dacht dat ik gek werd. Ik holde het perron af en zocht je overal waar je maar wezen kon. Ik ging uit mijn dak toen ik je uiteindelijk op dat bankje zag zitten!'

 

Stil zaten we op het terras, dat nog nawarmde van de overdagzomerzon. Overweldigd door een nieuw gevoel van deel te hebben aan, mede-uitvoerders te zijn van een nieuwe toekomst voor elkaar en vandaaruit voor miljarden. Hoe tegenovergesteld was dit ervaren voor ons aan dat van vier dagen terug over de mannenmacht en godsdiensten!

'Dit nu en hier betekent leven,' zei hij.

'"Bron van eeuwig leven...", zei Jezus, nu mag jij het zeggen, omdat je het zelf bent! Je hebt het herkend Joannes! Je mag nooit iets doorvertellen van een ander, als je het zelf niet bent, dan praat je anderen iets aan, je dwingt ze tot tenenlopen en verkrampt leven, je veroorzaakt nodeloze schuld- en minderwaardigheidsgevoelens en hebt dreiging met straffen nodig om de gelovigen er onder te houden! Maar je steelt ook van de grootheid van wie je dingen verkondigt, je ontkent diens leven van strijd, pijn, wanhoop, verwarring en verdriet, terwijl hij juist dáár groot door is geworden en wijs!

Dát heeft de kerk altijd gedaan: aanpraten en stelen, zonder die dingen zelf te zijn! Dát doen alle religies... Het was wel lekker makkelijk voor de evangelisten, de apostelen en hun opvolgers om te zeggen: "Jezus was DE weg, DE waarheid en HET leven"! Hoefden ze niet tot op de bodem over zichzelf na te denken en over hoe ze met zichzelf, hun eigen leven en met andere mensen omgingen! Jij bent zelf waarheid, omdat je eerlijk leeft en op die manier jouw weg gaat, jouw leven leeft! Jezus leefde ZIJN leven, anderen kúnnen zijn leven niet leven of na-leven! Zie je dat alle legpuzzelstukjes op hun plaats gaan vallen? Joannes,' en ik schudde hem aan zijn arm, 'als alles een leugen was, dan kón dat toch niet! Elke mens kan álles en méér zijn binnen zijn of haar mogelijkheden!'

Mijn vriend keek me warm aan en zei:

'God is een vrouw, nog lang geen man!'

'Dat heb je weer mis: God/Godin oftewel Het Grote Gebeuren, Natuur, Het Al of hoe je het noemen wil, ben JIJ, God ben IK. Niks: man of vrouw.

En het is inclusief!', zei ik met nadruk op iedere lettergreep, 'inclusief voorgeprogrammeerdheid, inclusief brokken maken, kwetsen, wanhoop, weglopen, dingen vergeten, zelfs inclusief angst voor bewustwording! Als je het maar wil weten en er wat mee doen!

Het hangt alleen van de mensen af of die God of Godin zichtbaar wordt! Ik durf zelfs zeggen: het hangt van de mensen af of die God/Godin GROEIEN, ONTWIKKELEN kan: dé volgende stap in de evolutie! De rest van de natuur is wel OK: de dieren zijn eerlijk, de planten zijn eerlijk, alleen de mens is door het macho-dom gedwongen om dagin daguit allerlei rollen te spelen en te liegen dat ie barst. Zie de hartinfarcten, beroertes, parkinsons, reuma's, cara's enzovoorts.'

'Ik begin te ervaren wat je bedoelde, toen je zei dat geloven een weten, een kénnen, een ZIJN zou worden. Je hebt niets teveel gezegd Ina!'

 

Een hele tijd zaten we zo bij elkaar. Er was alweer zoveel gezegd en gebeurd.

'Hoe is het met je hand? Ik heb je hard geslagen,' zei Joannes ineens schuldbewust, toen hij zag dat ik onbewust over mijn hand zat te wrijven.

'Die doet pijn,' zei ik naar waarheid, 'ik ben er nog niet toe gekomen om er zelf wat aan te doen.'

'Dat moet JIJ ook niet doen, dat moet IK doen!' Hij pakte mijn hand tussen de zijne en ik voelde de energie tintelen van zijn rechterhand naar zijn linker, dwars door mijn hand heen. Al spoedig begon hij zacht en langzaam met zijn rechterhand vanaf mijn elleboog te strijken naar de toppen van mijn vingers toe, terwijl zijn linker onder mijn hand bleef liggen. De pijn begon zich te verplaatsen naar mijn vingertoppen. Dat werd steeds erger en ik piepte even. Hij wilde stoppen, maar ik beduidde hem dat hij door moest gaan. Toen trok de pijn via mijn vingers weg.

'Het is over hoor! Dankjewel!'

'Daar mag je me niet eens voor bedanken. Ik heb het veroorzaakt en ik ben blij dat ik de schade kan herstellen!' Hij drukte een kus op mijn hand en gaf hem weer aan mij terug.

 

'Het is een turbulente dag geweest voor ons allebei.'

'Maar zeer vruchtbaar,' zei Joannes, 'zéér vruchtbaar: leven uit dood! Alsof er weer een nieuwe deur open is gegaan.'

'Leven uit dood! Inderdaad. Maar geen enkele religie heeft als basis de nare gebeurtenissen, de rotgevoelens, terwijl die van levensbelang zijn voor het boven krijgen van de waarheid. Alledaags!'

'Ik begin aan den lijve te ervaren dat dit de enige basis kan zijn van die ene echte religie! Maar Jc had het zelf nog niet goed door en had bovendien, zoals jij al zei, de woorden niet!'

"Hij wist ook niets van de werking van het menselijk lichaam, van de rotgevoelens die de waarheid in je lijf en leven boven willen halen. Hij wist dit niet: dat vaak een definitieve breuk, doodsangst, ergens op kapotlopen en uiterste wanhoop heldere signalen zijn, waardoor mensen hun échte eigenbelang, hun eigen weg, hun eigen-wijs-heid kunnen terugvinden. Tenminste; dat is niet uit de evangeliën en niet uit de handelingen enz te halen. Die helder signalen in de vorm van rotgevoelens en akelige gebeurtenissen, nare mensen die averechts reageren, zijn zeer kostbaar!'

'Amen!' zei Joannes hart-grond-ig. En ging eten maken. Ik hielp hem en al gauw zaten we aan tafel.

 

Tijdens het toetje zei Joannes, mij onderzoekend aankijkend:

'Er zit je nog iets dwars Ina!'

'Ik kan het niet uitstaan van mezelf: ik heb weer zulke mooie dingen gezegd vandaag, maar ik zat er toch maar verloren bij op dat station!' En ik vertelde hem, hoe ik voelde dat ik zo gehecht was aan hem, aan zijn groei en mijn nieuwe mogelijkheden, aan die groeiende nieuwe "kerk", aan het weten dat dit voor mensen verlossing en genezing zou betekenen. Hoe die gehechtheid lijnrecht inging tegen mijn stelling van alles-loslaten... Hij voelde dat het me dwars zat.

Een poos zeiden we niets. Ik was weer helemaal in de war. Ineens pakte Joannes mijn pols en tilde met zijn andere hand mijn gezicht op:

'Ina, het klopt alweer! Het was niet zozeer gehechtheid wat je voelde. Maar... hoe zeg ik dat nou...' Hij liet me los en zette zijn handen onder zijn kin, bleef me aanstaren. Ik keek hem wat gespannen en nieuwsgierig aan.

'Je moet het zó zien: het hóórt bij volwassen mensen om telkens te kiezen voor grotere mogelijkheden. Dat was het wat je voelde: die nieuwe mogelijkheden waren je afgepakt. Je kon niet meer verder en je had geen uitzicht op nieuwere, nog grotere mogelijkheden... Snap je dat?'

En óf ik hem snapte, ik stráálde gewoon en was al m'n getob kwijt. Ook al omdat ik blij was dat hij al zo'n diep inzicht bleek te hebben in wat ik Het Grote Gebeuren noem.

'Het was dus geen gewone gehechtheid, maar diepmenselijke teleurstelling, omdat een fundamenteel recht en een volgende stap in de evolutie mij onmogelijk was geworden, want ik wist tevoren zéker dat dit mijn weg was...'

 

Na het eten gingen we buiten zitten met thee. We zeiden niet veel, dat hoefde ook niet.

'Ik heb nog dorst,' zei ik een hele tijd later, 'ik ga wat in de koelkast zoeken.' Toen ik met twee glazen vruchtensap terugkwam, zat Joannes me op te wachten. Hij had me weer eens na zitten kijken.

'Wat ben je toch een lieverd,' zei hij, terwijl ik de glazen op tafel zette, 'ik hou zo verschrikkelijk veel van je. Ik moet er niet aan denken dat je nu in die trein had gezeten. Ik wil je niet meer missen Ina!'

'Ssst! Nou ophouden! Dat is niet gebeurd! We gaan nu verder leven! Sámen verder leven!'

Hij stak zijn armen naar mij uit, opende ze dan wijd, alsof hij een poort opengooide. Een poort van een huis waar ik in thuis hoorde.

Ik zag zijn warme ogen glanzen in het licht van de lantaarn schuin boven zijn hoofd. Mijn hart smolt en mijn armen strekten zich als vanzelf naar hem uit. Ik ging naast hem zitten, dicht naast hem op de bank. We warmden ons aan elkaar, omhelsden elkaar, kusten elkaar het gezicht vol. Dan zaten we weer een tijdje met het hoofd op elkaars schouder. In-nig.

* * * * * *

 

 Lief

 

Ik kuste hem op zijn dik golvend haar en streelde even zijn rug. Hij kuste me in de hals. We hadden een arm om elkaar heen en streelden met de ander elkaars gezicht. Keken elkaar stralend aan, alsof we nu pas ontdekten hoezeer we bij-een hoorden, alsof onze geesten zich nu pas in elkaar herkenden, als zijnde zoiets als een tweeling. Zijn ogen glansden bijkans zwart in het schaarse licht van de lantaarn, in de schaduw van zijn donkere wenkbrauwbogen. We fluisterden van alles, zoals het boekenvol geschreven staat. Dingen als: "wat ben je lief" en "ik hou verschrikkelijk veel van je", "je haar glanst zo mooi", "ik ben zo gelukkig met jou", "ik wil je nooit meer kwijt". En dan weer de armen om elkaar heen, heel dicht tegen de ander aan. Een hele tijd zaten we zo. Minuten? Uren?

We stonden tegelijk op, Joannes trok me stevig tegen zich aan. Hij kuste me lief en warm over mijn hele gezicht. We deinden een beetje samen. Zeiden weer allemaal van die zoete dingen, stráálden, kusten. Ik maakte me een beetje los en nam hem mee naar een van de treetjes die in het terras waren ingebouwd. Nu stond ik op ooghoogte met hem. Een nieuwe ervaring: we keken elkaar recht in de ogen en zagen er enkel liefde in. We omhelsden elkaar heel stevig, stonden van top tot teen dicht tegen elkaar aan. Ik voelde mijn borsten breed tegen zijn harde ribben en zijn kloppend hart. Mijn buik leek groot en warm te worden, open te bloeien. We kusten met kleine hapjes, als twee speelse jonge hondjes. Aarzelend, nog een beetje verlegen en onzeker, zochten we met onze tong beurtelings in elkaars mond, dronken het zoete water van de ander. Streelden elkaar. We knuffelden, kusten... Al gauw gingen we als vanzelf stevig gearmd op weg naar boven.

'Net een bruidspaar,' zei ik.

'Mijn bruid, mijn bruid!' jubelde Joannes door de galmende ruimte.

We moesten even stilstaan op de plechtige, oude trap en kussen en knuffelen en lieve dingen zeggen. Toen klommen we weer verder.

'Mijn bed is groter dan dat van jou,' zei hij boven aan de trap, 'zullen we dáár...?'

'Het pauselijke bed, ongerept en braaf!' zei ik lachend.

Hij bloosde ineens verlegen.

'Staat je goed dat kleurtje!'

Hij opende de deur van zijn kamer, tilde me over de drempel, ontroerd in mijn oor fluisterend:

'Welkom mijn bruid, in mijn leven, mijn huis en mijn bed!'

'Dank je mijn bruidegom, jij ook welkom in mijn leven en mijn lijf, in véél betekenissen!' antwoordde ik overgelukkig.

Hij zette me neer, knielde, trok mijn sandalen uit, tilde me opnieuw op en legde me op zijn grotere bed, dekte me toe, kuste me:

'Mijn lief, ik moet me even wassen...'

'Kom gauw terug!' Ik keek hem na: zo'n fijn mens, zo'n heerlijk, soepel lijf.

Daar lag ik dan, zo kort na onze kennismaking: acht dagen geleden. Eigenlijk hadden we beiden van het begin af het gevoel gewoon bij elkaar te horen, voor elkaar bestemd te zijn. Ik glimlachte bij de gedachte aan die eerste ontmoeting. Zou dit wel zijn gaan gebeuren als die breuk vandaag er niet geweest was? We waren steeds terughoudend, ondanks onze vrije manier van omgaan met lichamelijke uitingen van steun, bevestiging en zo. Nu was er ineens een poort opengegaan die anders misschien voor eeuwig gesloten was gebleven...

Ik rook zijn geur aan het bed en ik wreef verzaligd mijn neus, mijn hele hoofd in het kussen.

Daar kwam hij aan. Zijn lieve, stralende gezicht, zijn warme ogen, zijn soepele gang: mijn liefste! Mijn hart, mijn hele lijf ging naar hem uit. Ik ging overeind zitten, gooide de deken van me af en stak mijn armen naar hem uit. Hij legde het extra kussen dat hij meegebracht had, ergens op bed en kwam naast me zitten. Weer sloegen we de armen stevig om elkaar heen. Zaten lang zo. Overgelukkig in elkaars nabijheid.

Als vanzelf gingen we liggen. Heerlijk weggedoken bij elkaar. Met de armen om elkaar heen lagen we een hele tijd zomaar, zeiden weer allerlei van die boekenwijsheden, die zo heel erg klopten met wat we voelden. Ik kon niet genoeg krijgen van zijn lieve gezicht, zijn stralende ogen, zijn een beetje stoppelende kin.

'Ik ben zo gelukkig met jou,' fluisterde ik. We kusten en straalden elkaar tegemoet.

'Mijn lief,' fluisterde hij in mijn oor.

Hij omhelsde me en we zoenden elkaar dat de stukken er van af vlogen.

 

Hij was heel lief en ging verrukkelijk met me om. Ik liet hem begaan, vond het heerlijk: me overleveren, hem laten begaan, hem met me laten sollen: zo sterk als hij was, me zomaar om kon leggen. Heel ouderwets en on-feministisch hield ik me passief, gaf enkel hier en daar wat mee. Wel lekker egoïstisch en dus weer juist wél feministisch... Af en toe kwam ik in actie om hém...

 

Toen mijn lichaam eindelijk stil werd, was ik wel hartstikke moe, lag met mijn ogen dicht bij te komen.

'Hallo lief,' fluisterde een stem dicht bij mijn oor, terwijl mijn natte haren lief en zorgzaam uit mijn gezicht werden weggestreken, 'ben je er nog?'

'Joannes, liefste, wat een féést! Jij, zo lief... zorgzaam. Ik ben zo gelukkig met jou! Je bent een ongelooflijke artiest!'

'Ina-mijn, jij was voor mij ook zalig!'

'Ik kan het nog veel fijner voor je maken!'

'Daar twijfel ik geen moment aan mijn lief! We beginnen pas!'

We gingen tegen elkaar liggen met onze ogen op scheelkijkafstand. Met één arm om de ander en de andere tussen ons, hand in hand. Kijken, kijken, beetje kussen, dingen fluisteren als lief, zalig, hou-van-jou en zo.

 

Zijn geroutineerd omgaan met mij verbaasde me van een celibatair. Dat zó goed aanvoelen van wat ik fijn vond, wat me opwond en die terughoudendheid van hem om mijn aanloopjes tot een orgasme zo lang mogelijk te rekken... Elke keer weer, tot ik er haast gék van werd. En dan precies op het goede moment... Het flitste messcherp door me heen dat daar een verhaal achter moest zitten, een van een grote liefde en achteraf grote pijn...

Beschroomd, aarzelend vroeg ik hem:

'Mag ik je wat vragen mijn liefste?'

'Jij mag mij altijd alles vragen. Ik weet al wat je vragen wilt, maar zeg het toch maar.'

Ik nam zijn gezicht tussen mijn handen en voelde tranen in mij opkomen:

'Je moet een heel goede relatie, een grote liefde hebben gehad, dat je zó zalig met me overweg kon. Daar moet je veel pijn van hebben gehad toen die verbroken werd. Wil je me daar een keer over vertellen?'

'Ik heb geen relatie gehad Ina, ik heb les gehad, meer wil ik er niet over kwijt,' zei hij verlegen blozend.

'Ik ben blij dat je de pijn van zo'n breuk niet gehad hebt! En ik vind het goed van je: les nemen! Maar hoe vond je iemand, op deze zo geïsoleerde post?' vroeg ik door.

Joannes glimlachte en zei:

'Mijn moeder... Ze begreep me toen ik zei dat ik hier het een en ander van af moest weten, omdat ik anders geen goed oordeel kon vellen, geen goed antwoord zou kunnen geven. Ze heeft seksuologen opgebeld en een vrouw gevonden die veel samenwerkte met een andere vrouw, die de therapie op praktische wijze aanvulde. Zij gaven samen ook cursussen in zelfbevrediging aan vrouwen.

Mijn moeder heeft geregeld dat ze hierheen wilden komen. Alles onder de strengste geheimhouding natuurlijk. Voor mijn omgeving logeerde ik gewoon een paar weken hier en ging enkel naar Rome terug voor de audiënties. Ik wilde niet dat iemand argwaan kreeg.

Beide vrouwen hebben me begeleid. Ik moet zeggen dat ik het in het begin heel moeilijk vond: ik had nog nooit met vrouwen op die manier te maken gehad. Ik had door mijn omgang met veel vrouwen wel geleerd om haar intuïtief aan te raken, te omhelzen en zo, maar dit ging toch wel een beetje verder... Die diepgewortelde seminarie-kuisheid... Maar de praktijk-seksuologe was heel zorgzaam en terughoudend. Daardoor ging alles eigenlijk vanzelf.

De een leerde me van alles over seks van mannen en die van vrouwen, de ondersteuning in een relatie, de ook voor de seksualiteit moordende invloed van rolpatronen, culturen en religies, de psychische schade bij misbruik, de seksualiteit van kinderen, allerlei seksuele stoornissen en zo. Ze liet me ook de politiek achter het misbruik zien in allerlei religies, culturen en maatschappelijke lagen, want ze was feministe.

De ander leerde me eerst mijn eigen seksualiteit verder uitbouwen en daarna hoe met vrouwen om te gaan. Ze ging met me om, alsof ik echt een relatie had of zou gaan hebben... Ze leerde me hoe ik mezelf kon tegenhouden en ook om, als ik klaargekomen was, toch met haar door te gaan, omdat vrouwen veel meer orgasmes achter elkaar kunnen krijgen. Ze liet me allerlei techniekjes doen om af te kunnen wisselen. Ik vond het leuk om door te gaan met haar, zoals nu met jou, als ik al mijn orgasme gehad had.

Ze leerde me ook op mijn gevoel af te gaan. "Maar," zei ze, "er ontbreekt tussen jou en mij iets, waardoor dat gevoel op een laag pitje staat, niet voldoende ruimte kan krijgen. Ik ben dan wel een beetje verliefd op jou geworden, dat is de pijn van mijn vak, maar houden-van, een gevoel van wezenlijke eenheid hoort er bij om je gevoel álle ruimte te kunnen geven. En dat is er tussen ons niet. Dat tussen ons is op basis van louter seks en waardering. En dat is niet genoeg. Al ben je zo'n fijn mens en een uiterst goede leerling!"

We zaten samen op de rand van het bed nog wat na te praten. Ik was ook verliefd op haar geraakt en zei haar dat. Ze glimlachte: "een bewijs dat we goed bezig zijn. Maar die pijn moet ook jij er maar voor over hebben. Je denkt misschien wel dat dit het is, maar er komt al spoedig iemand in je leven, waarbij een diepe band jou duidelijk zal maken dat liefde, eenheid, dé basis is voor een fijn seks-leven! En de seks zal omgekeerd je relatie verdiepen. Ook al schud je nee, omdat je geen relatie wilt." Kennelijk voorzag ze jouw komst...!'

'Joannes,' vroeg ik, 'heb je er pijn van gehad toen ze eenmaal weg was?'

'In feite heb ik dat nog een beetje,' zei hij wat aarzelend, 'vind je dat erg Ina?'

'Ik vind het naar voor jou, niet voor mezelf. Het moet een fijn, eerlijk mens zijn dat ze je zo goed begeleid heeft, met het niet uitsluiten van eigen pijn achteraf. Je moet groots zijn als je zó open met iemand om durft gaan, beseffend dat er verdriet achteraan kan komen. Hoor je nog wel eens iets van haar?'

'Nee, we hebben definitief gebroken. Dat doet ze trouwens altijd.'

'Wat een geweldige vrouw is dat!'

'Ik was haar voorzegging vergeten, tot het me nu te binnen schoot, nu jij er naar vraagt. En nu, met jou, begrijp ik wat ze bedoelde met dat iets wat ontbrak tussen haar en mij...'

'Mag ik nog vragen wanneer dat is geweest?'

Joannes keek me verlegen aan:

'Na de drukte van de kerstdagen.'

'Dus een half jaar geleden. Wat kunnen dingen toch raar lopen. Ik begrijp nu beter dat je bloosde toen ik je plaagde met dat ongerepte pauselijke bed...'

Joannes bloosde ten derden male en ik zoende hem op beide wangen.

'Ik heb deze slaapkamer van tevoren opnieuw laten inrichten, met moderne meubels en een comfortabel breed en lang bed. In het Vaticaan deed ik dat meteen ook maar. Ik vond het heerlijk dat ik me die ruimte veroorloven kon. Die oude, vreselijke dingen, veel te kort en te smal... Al die pausen vóór mij er in. Daar kon ik niet goed tegen! En nu heb ik toch meer verteld dan ik wilde.'

'Bij mij is het veilig, dat weet je toch!' zei ik quasi verontwaardigd, 'en ik moet toch alles van je weten! Wat heeft het voor jouzelf betekend?'

'Het was een openbaring. Er ging een nieuwe wereld open. Mijn lichaam voelde veel warmer en opener aan. Het leek of ik dingen anders zag: kleuren leken dieper. Ik kon fijner genieten van andere dingen. Myriam begon argwanend te worden: ze heeft röntgenogen. Ze vroeg me wat ik aan het doen was hier: mijn ogen straalden zo en ik was zo hartverwarmend. Ik heb gezegd dat ik in een soort retraite was, hetgeen eigenlijk ook zo was. Ja toch? Ze zei: "dat doet jou dan heel goed! Moet je vaker doen, je bent gewoonweg ópgeleefd!"

Ik heb een fijne tijd met de beide vrouwen gehad: we praatten ook over ander dingen, gingen veel wandelen en stadjes bezichtigen en zo. Het zijn goede vriendinnen van me geworden.'

Hij zweeg een poosje.

 

'Ik ben er van overtuigd geraakt dat jongens en meisjes lessen zouden moeten krijgen. Allereerst over hoe hun eigen lichaam aanvoelt, wat ze fijn vinden, hoe ze dingen kunnen aanvoelen van een ander en vooral: leren er over te praten!'

'Ik vind het schitterend dat je zelfs deze stap hebt durven nemen, terwijl je toch zo celibatair was als de pest! Gefeliciteerd er mee en ik feliciteer mezelf er ook mee, omdat ik er van mag genieten!'

Hij wou iets gaan zeggen, maar ik legde mijn hand op zijn lippen:

'Niets zeggen! Dat hoeft niet. Ik weet het toch al. Laat mij dat maar doen. Ik ben al vierenzestig en jij staat verbaasd dat dit nog allemaal kán. Het is een boos sprookje dat vrouwen van boven de vijftig geen lekker lijf meer hebben, geen seks meer kunnen hebben, of maar beperkt...'

Joannes glimlachte.

'Ik vind je een wonderlijke vrouw en ik wil je nooit meer kwijt.'

'Jij bent zoveel jonger dan ik, dat ik waarschijnlijk eerder het loodje leg dan jij,' zei ik plagend.

Voor straf begon hij me opnieuw te kussen en te strelen, en ik deed braaf mee! We speelden en stoeiden, bewogen in een gezamenlijke dans... Toen waren we wel moe... genoeg...

Ik bleef zo bovenop hem liggen, hijgend, uitgeput. Hij graaide met één hand naar de deken en trok die over ons, allebei nat van het zweet, heen. Zo lagen we een hele tijd samen in ons laken/deken-holletje, waar ook onze geuren zich vermengden tot één geheel.

 

Ik sliep al haast toen hij behoedzaam onder me weg schoof, zodat ik op mijn zij naast hem kwam te liggen. Ik had mijn ogen dicht, voelde hem bewegen en liet mijn arm over hem heen vallen, maar die viel op een lege plek. Ik opende mijn zware ogen, zag hem weglopen.

'Gauw terugkomen,' zei ik vermoeid.

Hij keerde zich om en glimlachte slechts.

 

Er klonk een muzikaal gerucht achter mij, als de kleine waterval van een washandje dat uitgeknepen wordt en het slep-slep-geluid van zeep die in een washandje rondgedraaid wordt. Ik rook zeep, maar ik sliep half en liet het maar zo. Iemand haalde de deken van me af en legde er een groot badlaken voor in de plaats, draaide me op mijn rug en ik voelde een nat, warm washandje met heerlijk geurende zeep teder over mijn gezicht aaien.

'Lief van je, maar ik ben er te moe voor,' fluisterde ik.

'Daarom juist. Je hebt zo'n zware, warme dag gehad, jij hoeft niets te doen, laat mij maar begaan, slaap jij maar. Je bent de koningin van mijn bed.'

Even later deed ik mijn ogen open en zag met welk een intense aandacht hij met mij bezig was.

'Lief...' mompelde ik.

Hij keek op en glimlachte naar me. Hij waste mij helemaal, sloeg geen plekje over. Toen hij aan de voorkant klaar was, legde hij me op mijn buik en begon mijn rug te wassen. Hij stokte even en ik wist waarom. Daarna leek het of hij nog zachthandiger verder ging.

'Die longoperaties,' zei hij, 'ik had er niet meer aan gedacht. Je schreef er over in je boek. Wat een littekens!' Hij tilde me een beetje op om zo'n litteken te kunnen volgen. 'Ze lopen helemaal door naar voren! Ik heb dat zojuist niet opgemerkt. Ze vallen weg tegen de plooien in je huid daar. O God! En dat verhaal er achter.'

Ik keek hem aan en zag zijn ogen zich met tranen vullen. Hij legde me terug op mijn buik en wreef zijn betraande gezicht tegen de littekens en kuste ze.

Nadat hij met de achterkant klaar was, rolde hij me weer om en dekte me toe met het badlaken. Ik had nauwelijks benul van wat hij allemaal deed. Hij liep weg, dacht ik. Even later was hij terug.

'Ik heb schoon water gehaald. Ik ga je fijne plekje wassen.' Hij schoof het badlaken omhoog, spreidde mijn benen een beetje en waste me zorgvuldig.

'Zalig, liefie!'

Hij glimlachte slechts.

 

Toen hij me afgedroogd had, legde hij me op mijn zij, schoof de deken over me heen, stopte me in. Kort daarna gleed hij naast me in bed. Hij rook zelf ook naar zeep.

'Je ruikt lekker,' fluisterde ik.

'Ik heb even gedoucht.'

'Ben je dan niet moe?'

'Ik kan meer hebben dan jij mijn lief!' Hij sloeg een arm om me heen, trok me dicht tegen zich aan. Ik legde mijn handen om zijn gezicht:

'Wonderlijk dat je me ging wassen. Waarom deed je dat?' vroeg ik, door het verfrissende bad eventjes een beetje wakkerder nu, 'ik vond het zalig hoor!'

'Ik ging gewoon op mijn gevoel af, vond het fijn om te doen voor jou, na zo'n zware, spannende, warme dag. En je hebt geen gelegenheid gehad om te douchen.'

'Je bent een schat! En ben je nou je pijn een beetje kwijt? Je moet maar denken: als dat andere niet gebeurd was, was dit ook niet gebeurd. En misschien wel nooit, want we gaan een drukke tijd tegemoet met altijd veel mensen om ons heen. En weinig echt tijd voor elkaar.'

Ik zag tranen opwellen, kuste hem op zijn ogen, streelde zijn gezicht. Hij huilde, snikte, snikte heftiger. Stom van me om dat nu te zeggen! Hij was óók moe. En ik wist toch dat het zó niet werkte, dat knuffelen en vrijen wel vaak gebruikt worden om te troosten en om dingen "goed" te maken, maar dat pijn, teleurstelling en zo, daardoor juist vastgezet werden: zijn pijn zat er nog en die kwam er nu uit.

'Ga maar op je buik liggen liefie, met je benen onder je getrokken, dat is gemakkelijker,' zei ik zachtjes, op mijn elleboog steunend naast hem, klaarwakker nu. Dat deed hij en zijn snikken werden jammeren en schreeuwen en met zijn hoofd in het kussen bonken:

'Stom ben ik geweest! Zo stom! Ik heb zo'n groot risico genomen: de kerk... jij...! O God! En ik heb je zo'n pijn gedaan! Het spijt me zo! Het spijt me zo!'

Het deed me zeer zijn verdriet te zien. Met mijn hand op zijn schokkende rug en tranen in de ogen zei ik:

'Toe maar lieverd, toe maar. Het is goed zo! Werk het er maar uit!'

Hij bedaarde na een poosje, kroop opgerold, kleumerig en uitgeput in mijn holletje. Ik trok de deken over hem heen, legde een kussen in zijn rug. Hij lag met zijn hoofd in mijn armboog, tegen mijn borst. Tot mijn verrassing had ik het gevoel dat er energieën van goedheid, warmte en kracht naar hem uitstroomden. Maar: alles tussen alles, álles tussen mensen is voertuig van energieën, waarom dan niet op deze wijze? Mijn handen op zijn rug gingen tintelen: een bewijs dat die energieën inderdaad van mijn borst en feitelijk van mijn hele lichaam uit dwars door hem heen stroomden naar ook mijn handen.

Toen hij uiteindelijk weer opkeek naar mij, nam ik mijn arm onder hem vandaan. Hij strekte zich uit, schoof tot ooghoogte op en zei stralend:

'Wat heerlijk was dat. Ik kreeg liefde, kracht, warmte! Ik was uitgeput, voel me nu een stuk beter! En weer in evenwicht met jou!' en hij kuste me liefdevol.

Ik nam zijn gezicht in mijn handen, al kon ik mijn ogen weer haast niet meer openhouden:

'Is je pijn nu dan weg?'

'Mijn lief, mijn lief,' zei hij slechts, nam ook mijn gezicht tussen zijn handen, kuste me op mijn moeie ogen. We lagen een tijd zomaar wat tegen elkaar aan, ik half slapend, alle handen in elkaar gestrengeld.

'Ik moet nog één ding doen als boete,' zei hij. En toen ik met moeite mijn ogen opengeklapt had: 'jouw kleren strijken.'

Ik glimlachte, mompelde iets van 'morgen'.

'Je bent en blijft een fijne vrouw, zelfs als je bijna slaapt! Dank je mijn lief, voor alles. Slaap maar lekker, het is zo'n zware dag geweest.'

Ik nestelde me in zijn armen en was vertrokken.

* * * * *

 

 Volgende dag

 

De zon schaterde mij wakker (we hadden 's avonds de gordijnen niet gesloten) en ik ontdekte zijn volle haardos naast me. Ik lag een hele tijd naar hem te kijken. Zo lief, zo lief als hij was... Ik wou hem heel graag zien ontwaken en bleef hoopvol naar hem liggen kijken. Maar ik werd er scheel van en was aan de andere kant bang dat ik hem wakker zou kijken en ik wilde hem toch ook laten slapen. Bovendien kwam na een tijdje mijn ongeduldige aard boven en ik besloot op te staan. Ik kuste hem, samen met een opgeschoven zonnestraal, heel voorzichtig en gleed behoedzaam uit bed. Om hem te plagen spreidde ik mijn kleren over de grond uit in een lijntje naar de deur. Mijn broekje legde ik midden op de overloop en ging zwemmen. Zonder badpak: dat had ik hier niet meer nodig.

 

Toen ik er al over dacht het water uit te gaan, kwam Joannes binnen. Hij straalde me tegemoet en vond het schitterend dat ik geen badpak aanhad. We stoeiden als een stel jonge honden, zaten elkaar in en uit het water achterna, duwden elkaar onder, petsten golven over elkaar heen, kusten elkaar en al spoedig schaterden de kuise wanden van de zwemzaal elkaar allerlei schuttingtaal toe. Dat van de avond ervoor deden we nog eens dunnetjes over. Heerlijk: stoeien en vrijen in het water! Je hebt geen last van je gewicht immers. Wij waren een heel ander stel dan die keurige twee van de dagen ervoor.

 

Op een moment dat we even aan de kant hingen uit te blazen, betrok mijn gezicht. Joannes boog zich bezorgd over me heen:

'Lief, wat is er? Waar denk je ineens aan? Vertel het mij!'

Ik keek hem treurig aan, maar met een buik vol pret:

'Joannes, bij wie moet ik dit nou biechten?'

Hij keek verbaasd. Toen zag ik langzaamaan begrip doorbreken: het hele filmpje speelde zich haarfijn uitgetekend op zijn gezicht af. Zijn mond begon te bloeien, brak open in een onstuitbare schaterlach!... Want: als een vrouw naar bed geweest was met een andere man dan haar eigen, moest ze dat biechten. Als ze naar bed geweest was met een priester, moest ze dat biechten in Rome, bij (iemand namens) de paus... Ik echter...

 

Maar toch:

'Wat hebben vrouwen ook hierin weer veel geleden.' zei Joannes later, 'plus die moeilijke, gevaarlijke en kostbare reis en die vernedering om aan je omgeving uit te moeten leggen waaróm je naar Rome moest... En als je die reis dan niet betalen kon...'

'De hele schuld én de boete werden weer op de nek van de vrouw geschoven,' zei ik er bovenop.

Hij zuchtte als enig antwoord.

 

Bij het ontbijt greep Joannes ineens mijn hand over de tafel heen:

'Je bent écht de koningin van mijn leven, mijn huis en mijn kerk. In die volgorde!'

Ik glimlachte hem toe:

'De kerk zal toch vóór mij moeten komen als het er op aankomt, liefste!' Hij keek verontwaardigd. Maar ik ging verder: 'als ik oud en seniel ben, zal jij de kerk vóór laten gaan, want dan ben jij nog jong genoeg.'

'Jij wordt nooit oud en seniel! Ik denk dat, als mensen seniel worden, er iets niet goed gegaan is in hun leven!'

'Toch, hoe lief ook bedoeld: ik wil zelf dat je de kerk op de eerste plaats zal zetten.'

'Goed, jij je zin,' en hij liet geïrriteerd mijn hand los.

'Nee, niks: jij-je-zin! Het móét zo, het hóórt zo. De kerk is belangrijker dan ik, want daarin heb je met miljarden mensen te maken.'

'Ik hou toevallig teveel van je om de kerk op de eerste plaats te zetten!'

'Ik voel me zeer vereerd, maar je zit fout!'

'Je voelt je zeer vereerd? Meer niet?' vroeg hij verbijsterd.

O God, dat ging mislopen! Zijn bezeerde blik deed me pijn. Ik pakte over de tafel heen zijn beide polsen, met zijn boterham nog in de ene hand (we hielden geen van beiden van met mes en vork eten):

'Je ziet het nu al: ondanks dat we zoveel van elkaar houden, zitten we na zó'n dag en zó'n liefdevol gebeuren in een spinnenweb. Houden-van is iets anders. Ik hou van je, ik hoor bij je, maar toch ben ik minder belangrijk dan de kerk. Ik ben maar één persoon en de kerk, daarin zijn miljarden mensen afhankelijk van een eerlijke, warme, begrijpende, profetische, genezende paus...'

'Ik voel het als een stukje jou-verliezen. En dat doet zeer.'

'Ik ben er voor jou en vandaaruit voor de kerk. Je verliest me nooit, zelfs niet als ik seniel zou worden en ver vóór jou zou sterven: wat wij samen hebben gehad en nog zullen hebben, alles waarin ik jou en dóór jou al die miljarden heb mogen verder helpen, en alles wat jij mij leerde, mij gaf: je openheid, je warmte, je kracht, daarin blijf ik voor altijd aan je vastgeklonken!'

Joannes stond op, liep om de tafel heen, sloeg woordeloos zijn armen om me heen. Pas na een hele poos stamelde hij:

'Mijn lief, mijn grote, lieve lief!'

 

Toen hij weer zat, zei ik:

'Gisteren, toen ik bijna sliep, heb ik iets gezegd van dat we het zo druk zouden krijgen. Ik denk écht dat dit een van de laatste dagen is die we samen kunnen hebben. We moeten aan de gang!'

'Laten we dan vandaag voor onszelf houden, want ik denk dat je gelijk gaat krijgen. Laten we ergens heen gaan, wat wandelen en zo!'

'Een soort huwelijksreis,' lachte ik.

En zo deden we.

 

Op vijftien juli loste Joannes het startschot.

* * * * * *

 

 De stroom

 

Nu begon er een stroom van gebeurtenissen op gang te komen.

Ik had met Joannes afgesproken dat ik op CG wilde blijven wonen en niet in Rome.

'Dan kom ik ook hierheen verhuizen,' zei hij en drong er bij me op aan dan zoveel kamers uit te zoeken als ik dacht nodig te hebben: ruimte zat. Dat had ik gedaan. Twee kamers met een groot balkon op het zuidoosten: wel wat zon, maar niet te veel. Ernaast zou een keuken ingericht worden. Ze lagen vlak bij die van hem. We waren het er allebei over eens dat we apart zouden blijven slapen. Wel mocht de ander altijd "komen buurten", om wat voor reden dan ook. We waren thuis bij elkaar.

 

Myriam kwam naar CG. Joannes haalde zijn moeder over om hierheen te komen. Myriam was er helemaal doorheen, Riek zag het ook zitten en zou hier een tijdje logeren. Wonen kon ze nog niet aan: ze hing teveel aan Nederland.

Beide vrouwen konden genezen, zoals ik weet dat veel feministes genezen kunnen, maar ze timmeren er niet mee aan de weg. Dat Riek en Myriam het konden, was een bewijs temeer dat het bij eerlijk en open leven hóórt, bij de volgende stap in de evolutie die de mens totdantoe niet gezet had. De enkeling die die stap wel gezet had, werd uitgebannen, opgesloten, gemarteld en vermoord. Ook door de katholieke kerk. De waarheid mocht nergens!

We hadden met z'n vieren veel gesprekken. Ook genoten we van elkaar, omdat mensen die bewust leven een diepe band krijgen, waar je kracht in vindt en ook humor.

 

Een week of drie na de dag van mijn aankomst, begon in de pers de vraag boven te komen waar de paus bleef. Speculaties werden geopperd: hij zou ziek zijn, hij zou in een crisis zitten. Er werd naar hem gezocht, maar Men kreeg hem niet te pakken.

Op een gegeven moment overlegde Joannes met ons wat hij zou doen. Hij móést ooit naar buiten komen, maar wanneer? Wij kwamen echter al spoedig tot de slotsom dat we niet verder konden, zolang Joannes nog niet in het openbaar was getreden. En dat kón niet: de bisschoppen en de priesters wisten van niets.

Ten slotte gaf hij een perscommuniqué uit, waarin hij aankondigde een nieuwe encycliek aan het schrijven te zijn, waar hij alle rust voor nodig had, dat hij overlegde met mensen die wijs en nuchter waren, hetgeen hetzelfde is. Hij gaf ook aan een nieuw concilie voor te bereiden, wat we door onze gesprekken eigenlijk ook deden!, maar dat zou tijd kosten, omdat daar zoveel mensen bij betrokken waren. Dat hield de pers een tijdje zoet. De audiënties die door zijn staf gehouden werden, voldeden nog steeds en hadden zeer dikwijls goede gevolgen. Die kregen nu weer even wat meer belangstelling van de pers.

* * * * * *

 

Naar Deel 7

home

boeknpl

trefwrdn

links

reageren?

engls/dts

aan studntn

oproepn

colum

VAN INA MIJLING