| home | boeknpl | trefwrdn | links | reageren? | engls/dts | aan studntn | oproepn | colum |
VAN INA MIJLING
JOANNES XXIV,
ZOALS EEN PAUS ZOU MOETEN ZIJN!Inhoud: Juli '97. Conclaaf, twee jaar eerder. De weg erheen. Op het matje. Augustus twee jaar eerder. twee vrouwen. Reis en aankomst. Op reis. Verkiezing. Habemus Papam!
(Zie voor de wijze van bestelling van het hele boek BOEKENPLANK)
JOANNES XXIV
Ina Mijling
ZOALS EEN PAUS ZOU MOETEN ZIJN!
Inhoud: Juli '97. Conclaaf, twee jaar eerder. De weg erheen. Op het matje. Augustus twee jaar eerder. twee vrouwen. Reis en aankomst. Op reis. Verkiezing. Habemus Papam!
Juli '97
De paus was totaal van slag. Zijn zachte, bruine ogen stonden te groot in zijn magere, lichtgebruinde gezicht. De lijnen rond ogen en mond streepten dieper. De hele nacht had hij opgezeten, het boek verslindend dat zijn moeder hem had toegestuurd. Hij legde het met een diepe zucht op het tafeltje naast hem, onder de leeslamp die hij vergeten was uit te doen. Hij kon even niet verder lezen, zó greep alles hem aan in het diepst van zijn wezen, zijn leven, zijn priesterschap en zijn ambt. In zijn lichaam laaide de strijd hoog op. Alles wat natuur was in hem, dat wat in zijn genen zat, vocht in al zijn organen verstikkend, benauwend tot misselijkmakens toe tegen de opspelende gevoelens die zich ontwikkeld hadden vanuit frustrerende, want opgedrongen normen en wetten van maatschappij en 'christendom'. Zijn gevoel van wijsheid, van natuur en evolutie, zoals zo goed in dat boek beschreven stond, was al ver ontwikkeld. Maar die oude structuren en zijn afhankelijkheid van allerlei dingen zaten hem danig dwars. Die tegenstrijdigheden tussen groei, ontwikkeling, evolutie enerzijds en anderzijds de hem fractaal keihard ingetrainde on-mens-elijke macho-structuren herkende hij nu aan den lijve. Hij wist zich geen raad, ondanks de groeiende kracht, de zekerheid en de wijsheid die hij onhoudbaar in zich óp voelde komen.
Hij poogde zich uit zijn stoel op te zwiepen, zoals hij altijd energiek opstond, maar het lang in één houding zitten eiste zijn tol: hij was pijnlijk stijf en kraakte in zijn voegen als een oude kast die moet verhuizen. Echter dat zijn benen zo trilden en zijn knieën bijkans onder hem vandaan knikten, kwam niet geheel van die stijfheid! en hij viel kreunend terug. Iets meer geconcentreerd kwam hij nog eens overeind. Nu ging het beter. Hij rekte zich uit in zijn volle lengte van 1.82 meter en strekte zijn armen naar het plafond. Dat hielp en het leidde hem een beetje af van wat dit lange leesuurtje in zijn lijf en leven had opgewoeld.
Hij wankelbeende de kamer door, stond een poosje uit het openstaande raam te staren, zonder iets te zien van de oranje/roze lucht, die de opkomende zon begeleidde. Zonder het verkeersgedruis op te merken, dat vanuit Rome op de nog frisse ochtendwind bij vlagen werd aangevoerd. Een enkele vogel zong nog zijn territoriumlied, of was hij zijn zoontjes aan het onderwijzen? en de kamer kwinkeleerde voluit mee met de zanger. Even luisterde hij naar het lied: zijn kamer volgeregen met het grote geluid in lieflijke tonen uit zo'n allemachtig klein keeltje. Maar dan schakelde hij, alsof hij betrapt was, zijn aandacht terug naar de grote omwenteling die in zijn lijf en leven bezig was zich te voltrekken. Hij liet zich, bijna gehaast, terugvallen in de bronskleurige, leergeurige fauteuil en greep opnieuw naar het boek.
Sinds zijn verkiezing tot dit hoge ambt in augustus, twee jaar ervoor, had hij dagin daguit de zwaarte van deze taak op zijn nek voelen drukken. Ondanks het geluk dat hij zich al spoedig na zijn verkiezing had weten te omringen met o.a. feministische theologes. Die steunden hem in zijn eigen veranderingsproces en gaven hem inzicht en advies bij de ontwikkeling van een menselijker christendom. Maar dit...
Rusteloos gooide hij het boek neer, sprong opnieuw op en poogde de spanningen die zijn lichaam in een ijzeren greep gevangen hielden, een beetje los te schudden, wat niet lukte. De bijna ondraaglijke last van die twee jaar verantwoordelijkheid was niets vergeleken bij deze revolutie. De consequenties hiervan waren niet te overzien. Hij wist dat dingen nu anders móésten en dat hij ontzettend tegenwerking zou ondervinden. Tegenwerking en regelrechte vijandschap. Méér dan ooit, meer dan gedurende die twee jaar knokken tegen de oude knarren in de bovenleiding van de kerk.
Zelfs van "begeesterde" vrouwen kon hij tegenstand verwachten. Al zouden zij soepeler zijn dan de oude kardinalen en bisschoppen die vastgeketend zaten aan eer, tradities en dogma's en die als de dood waren voor het verlies van hun zekerheden, hun aanzien en hun ambt. Die heren voelden zich sinds zijn keuze toch al de poten onder hun troon vandaan gezaagd worden! Hun angsten voor verandering, voor het ondergraven krijgen van hun schijnzekerheden, gistten in hun bloed. De meeste van "zijn" vrouwen leefden echter allang vanuit het gevoel: "niks meer te verliezen..." Dat ligt dichterbij bij vrouwen, omdat ze vanaf de bewustwording van de mens, van de mán, altijd onderdrukt waren en omdat haar altijd alles afgepakt was: eigen mening, eigen beslissingsrecht, eigen LEVEN! Dan heb je ook niets meer te verliezen... Immers!
* * * * *
Conclaaf, twee jaar eerder
Hij was gekozen, na een moeizaam conclaaf van stemmen en herstemmen, van ruzies en overleg in de wandelgangen tussen de strikt conservatieve en de jongere, vaak gekleurde vooruitstrevender kardinalen.
Het was een nare tijd geweest: ze zaten met velen opgesloten in te kleine ruimtes. Overal hing de geur van zweet: dat van de warmte en dat van de spanningen. Plus de luchtjes van ongewassen kleren, de parfums van deodorants en scheerspullen. De warmte, de slechte ventilatie in het oude gebouw en te weinig mogelijkheid om zich te baden en te verschonen, eisten hun tol.
De spanningen waren te snijden door de roep van enkelingen om een compromispaus, naast de strakke weerstand van de progressieve kardinalen tégen een compromispaus en de harde koppen van de conservatieven. Ruzies liepen hoog op.
De conservatieven voelden al nattigheid bij de eerste stemming. Daarbij was het de gewoonte dat iedereen uit beleefdheid een stem gaf aan een kardinaal die hij wilde eren, maar er vielen er reeds vier op de niet aanwezige, betrekkelijk jonge professor uit Nederland.
Toen begon het gekrakeel in de wandelgangen en het werd bij de tweede stemming al duidelijk dat de conservatieven mikten op één van hen, om sterker te staan tegenover de gematigden en de progressieven. Op één stem na werd hun kandidaat gekozen. Wat een gigantische betekenis voor miljarden mensen, voor een hele toekomst kan dan één stem hebben... De anderen kregen echter door de dagen heen steeds betere argumenten boven in hun onderlinge gesprekken. De strategie van de conservatieven lukte niet, de hoeveelheid stemmen op hun ene kandidaat brokkelde per stemming af.
De progressieven overtuigden elke keer meer gematigden en later zelfs ook conservatieven. Ze kónden zo volhouden, omdat ze zich gesteund voelden door de demonstraties die onmiddellijk na de dood van de vorige paus wereldwijd de straten vulden. Vooral de straten van de bisschoppelijke en kardinale paleizen. Spandoeken als: "WIJ WILLEN EEN MENSELIJK GELOVIGE PAUS!" en: "GEEF ONS EEN NIEUWE JOANNES!" spraken duidelijke taal. De kardinalen die zich op weg begaven naar het Vaticaan, waren bovendien bestookt met demonstraties en reporters. De kranten hadden vol gestaan.
En heel langzaam begon zich een keuze af te tekenen die in de lijn lag van Joannes XXIII, de geliefde paus die zoveel veranderd had.
En hij: hij werd naar Rome geroepen vanuit zijn kamer op de universiteit in Nijmegen. Hij: de Nederlander, zoon van een Italiaanse vader, een gastarbeider van het eerste uur in zijn geboorteland. Zijn moeder was Nederlandse.
* * * * * *
De weg erheen...
Dat huwelijk van zijn ouders had heel wat voeten in de aarde gehad, want een Nederlands meisje met zo'n buitenlander: dat kón niet. Toch had zijn moeder doorgezet en hij dacht altijd dat de strijd die ze daarvoor gedwongen was te voeren, haar zo strijdbaar gehouden had.
Toen namelijk begin zestiger jaren de tweede feministische golf op kwam zetten, was zij er al vroeg bij. Ze was in een VOS-cursus gestapt en had er daarna een paar begeleid. Ze zat in allerhande vrouwenwerkgroepen, las veel en had voor zichzelf een klein bibliotheekje van kritische vrouwenboeken opgebouwd, waar ze best trots op was.
Hij had het als jochie erg moeilijk gevonden: zo'n moeder die je achter de broek zat met: dat het huishouden van het hele gezin was; dat ze een eigen leven wilde hebben; dat mánnen moesten veranderen; dat vrouwen het slachtoffer van de maatschappij en de religies waren en dat soort dingen. De ruzies waren thuis niet van de lucht geweest toen zijn moeder dingen niet meer pikte en haar mening ging verkondigen.
Hij maakte dat alleen mee in de vakanties: hij zat toen al op het klein seminarie. En alhoewel hij medelijden had met zijn vader, die zich machteloos in een hoek gedrukt voelde en zich moeilijk in het Nederlands kon uitdrukken, vond hij toch dikwijls dat ze gelijk had.
Op zo'n moment had hij datzelfde verwarde gevoel in zijn buik en datzelfde gegons in zijn hoofd van door elkaar spokende gevoelens en elkaar bestrijdende gedachtes als nu. Maar nu, nu hij dit boek las, begreep hij méér van die lichamelijke reacties: het was de waarheid die boven wilde komen, de waarheid die jarenlang overal in zijn lichaam onderdrukt was geworden. Ook door het christendom.
Op het seminarie kon hij niets beginnen met de dingen waar zijn moeder met hem over sprak: de leefwijze en de structuren van studie, recreatie, gebed en retraites lagen zó verankerd in betonnen tradities en dogmatische strengheid van de mannelijke, eeuwenoude religie, dat er geen doorkomen aan was. Dat hield hem verward, maar hielp hem ook juist vanuit die verwarring om dingen langzaamaan duidelijker te krijgen. Want om eerlijk te kunnen leven moet je blijven nadenken tot je uit je verwarring bent! Hij voelde steeds beter de strakheid en de angsten aan, die onder de strengheid van de vromen lagen.
Kostbaar voor hem werd de briefwisseling met zijn moeder. Zij ging zich al spoedig verdiepen in de nieuwe, menselijker theologie. Die stapel brieven was een grote steun voor hem in zijn eenzame onzekerheid en verwarring. Hij schrok nogal eens van uitspraken van haar, maar zij had hem geleerd om zich altijd af te vragen: "heeft de ander gelijk of niet?" en om dan kost wat kost de waarheid boven te willen halen.
Toen hij later in de bibliotheek van het seminarie naar boeken begon te vragen van progressieve theologen, keek men hem onderzoekend en wantrouwend aan. Ze begonnen wel binnen te druppelen, maar zo sporadisch dat hij boeken van zijn moeder toegestuurd kreeg. Achteraf besefte hij dat die argwanende reacties een diepe angst verborgen hielden. Vaak had hij het gevoel dat hij op eieren liep.
Alleen met zijn vriend kon hij nog praten. Die was in het begin van zijn veranderingsproces dikwijls erg geschrokken, een gevoel dat hij zelf maar al te goed kende. Die liet hem echter niet vallen, zoals anderen deden. Ten slotte ging ook zijn vriend inzien dat alles ánders was dan hen ingepompt werd. Ondanks de herhaaldelijke dreiging van weggestuurd-worden, haalden ze samen de eindstreep en de priesterwijding. Wijding? Nu, na dit boek zetten hij daar grote vraagtekens achter...
Na zijn wijding stortte hij zich in een parochie in bijbelgroepen, preken, liturgiebesprekingen en gespreksgroepen. En, alhoewel de kerk nog steeds een mannenkerk was, begon hem op te vallen dat vrouwen ándere dingen te zeggen hadden, origineler, logischer, dichter bij de mens zèlf. Die ervaring zette zich voort, toen hij vijf jaar later naar de universiteit gehaald werd: veel studenten waren vrouwen. Niet zomaar vrouwen, maar "begeesterd" zoals hij haar toen noemde. Nu, na dit boek, zou hij die uitdrukking nooit meer gebruiken.
Hij verbaasde zich er meer en meer over, en was nu en dan zelfs jaloers, als hij de spiritualiteit ervoer van jonge en oudere vrouwen. En hij volgde de ontwikkeling van haar spiritualiteit gedurende de vier of meer jaren dat ze bij hem college liepen met verwondering en eerbied. Vooral in gespreksgroepen die hij buiten de universiteit om begeleidde, ervoer hij die spiritualiteit.
Inzicht in theologie, in spiritualiteit wisten vrouwen te doen overvloeien in en samen te laten vallen met diepgang, menselijkheid, warmte, intens contact met anderen, met het gewone alledaagse leven. Zó als vanzelf, dat het leek of deze spiritualiteit haar van nature meegegeven was. Alsof ze het aangewaaid kregen, maar het zat in haar ziel besefte hij, in haar manier van omgaan met het leven. Het kwám niet van buitenaf. En in hoeverre had deze natuurlijkheid te maken met de wereldwijde, eeuwenlange miskenning, onderdrukking van vrouwen? Ontwikkelde vooral emotionele onderdrukking juist een dergelijke vanzelfsprekende openheid naar deze natuurlijke spiritualiteit? Hij kwam er niet uit...
De mannen-studenten hadden dat niet zo. Die discussieerden meer over onderwerpen uit de bijbel, of een of ander theologisch geschrift, zij waren verstandelijker bezig. Ze poogden wel de link naar menselijkheid te leggen, maar de diepte van vrouwen misten ze. Het leek ook alsof ze er veel moeite voor moesten doen, dat het hen meer kostte, alsof die bron van leven voor hen maar niet open wilde gaan. Hun gevoel was te beperkt.
Hij voelde heel scherp het verschil in sfeer aan tussen een groep vrouwen die bij elkaar zaten en die van een stel mannen. De vrouwen hadden een soort wasem van energie, een ander woord had hij er niet voor, om haar heen hangen, een kracht. Hij besefte echter niet dat hij, doordat hij dat verschil kon aanvoelen, kon zíén, zelf als mens ver gevorderd was op het pad van spiritualiteit. Verder dan de doorsnee man.
Al zijn studenten droegen hem op handen: hij was naast een goede leraar, een warmvoelend mens en een goede begeleider. Wie een gesprek nodig had, kon zelfs midden in de nacht bij hem aankloppen.
Kort na zijn benoeming op de universiteit raakte hij wereldwijd bekend door zijn boek over een ander pausdom in een ander christendom, geïnspireerd door nieuwe theologen. Als hij gewild had, was hij door dat boek nu steenrijk geweest, maar daar had hij geen behoefte aan: hij bleef op zijn kamer bij de universiteit wonen, werkte hard.
* * * * * *
Op het matje
De kerk was niet gelukkig met hem, met zijn boek en alle reacties eromheen, en hij werd op het matje geroepen. Hij dreigde een spreekverbod opgelegd te krijgen en ontslag van de universiteit. Alhoewel zulke zittingen geheim waren, stonden de kranten meteen de volgende dag vol en werden de bisschoppelijke paleizen bestookt met brieven, telefoontjes en demonstraties. Iemand in die rechtszaak moest zijn kant gekozen en dingen naar buiten gebracht hebben. Noodgedwongen moesten daarop zijn rechters hun vonnis intrekken.
Hij werd bij zijn terugkomst in Nederland, die ook uitgelekt was, ingehaald als een vorst. Hij schrok ervan: zoveel waardering en enthousiasme. Overstelpt met bloemen en helemaal in de war, kwam hij terug op de universiteit, alwaar men de inhaalmanoeuvre van Schiphol nog eens dunnetjes overdeed.
Al die reacties deden het besef in hem groeien dat men dingen van hem verwachtte, dat men hoop op hem gesteld had, als schapen die belaagd worden door een wolf, die redding zoeken bij een herder. Maar hij wist niet hoe hij daaraan anders kon voldoen dan door lezingen, publicaties en het goed begeleiden van studenten...
Daarna werd hij veel gevraagd voor lezingen, wereldwijd, tot in Japan en India toe. Hij begeleidde weekeinden en workshops. Steeds weer viel hem op dat zijn toehoorders voor rond de zeventig à tachtig procent uit vrouwen bestond. Het bleef hem verbijsteren. Vaak zei hij dan ook dingen als:
'Waarom vragen jullie MIJ? Ik moet nog zoveel leren van JULLIE! Mannen moeten van alles leren van VROUWEN!'
Eéns sprongen hem de tranen in de ogen, toen hij vóór een lezing die honderden ogen zo vol vertrouwen, vol verwachting en hoop op zich gericht voelde: hij zag ineens waarom vrouwen Jezus volgden op zijn lijdensweg, waarom zij schreiden over hem, terwijl de apostelen, die zich zijn "vrienden" noemden, in geen velden of wegen te bekennen waren.
Er moest iets gebeurd zijn, waardoor de vrouwen alle hoop op een beter leven, een nieuwe toekomst op hem gevestigd hadden. En nu dreigde die hoop de bodem ingeslagen te worden... Waarom was er in de evangeliën niets over zo'n ingrijpende gebeurtenis geschreven? Toch weer omdat mánnen die boeken geschreven hadden immers... Had Jezus in die laatste dagen de gigantische waarde, de haast natuurlijke spiritualiteit van vrouwen ontdekt? Háást natuurlijke? Was het niet de geheel natuurlijke? Dat natuurlijke, wat mannen met geweld afgepakt was en nog dagelijks wordt vanaf de allereerste kreet, door alle eeuwen en culturen en religies heen.
Het zweet brak hem uit en in zijn vingers trilden de papieren met zijn lezing. De letters dansten een wazig spel en ineens besloot hij datgene te zeggen wat net door hem heen gegaan was. Alles wat hij zei, zag hij weerspiegelend opbloeien op de naar hem opgeheven gezichten van vrouwen... Bij de mannelijke toehoorders zag hij bij dit inzicht in hun eigen leven, verbijstering en een vorm van verdriet, wat echter niet door wilde breken.
Nog weken later vroeg men hem om een uitdraai van die lezing. Maar die bestond niet, omdat hij hem onvoorbereid uitgedragen had. En hij besefte, en dat besef deed hem pijn, omdat hij nog altijd een man wist te zijn, dat de toekomst bij vrouwen lag. Ook de toekomst van de kerk.
* * * * * *
Augustus, twee jaar eerder
Die avond zat hij met een boek van een feministische theologe op zijn knieën toen de telefoon ging. Het was de secretaris van de bisschop, die hem opdroeg onmiddellijk naar Rome te vertrekken, naar het Vaticaan. Op zijn vraag naar het waarom, werd hem slechts te verstaan gegeven dat hij dit aan niemand mocht vertellen en dat er een vliegtuig klaar stond op vliegveld Eindhoven.
Hij zat een hele tijd als verlamd in zijn stoel, want hij begreep onmiddellijk wat dat betekende: bij de verkiezingen voor de nieuwe paus moest een flink aantal stemmen op hem gevallen zijn. Hij trok wit weg en zijn handen werden klam. Hij moest zijn moeder bellen! Maar hij besefte meteen dat dat niet mócht. Toen barstte hij in tranen uit, omdat degene die hem op dit spoor gezet had, niet eens mocht weten dat dit zo'n enorm gevolg had... Maar hij moest gaan inpakken en met de tranen biggelend over zijn wangen, begon hij het allernoodzakelijkste bijeen te zoeken. Halverwege het inpakken van zijn koffertje werd er op de deur geklopt. Hij veegde zo goed en zo kwaad als dat ging zijn gezicht droog en riep:
'Binnen!'
Het zwarte van de vrouw die binnenkwam was in dit kikkerland-klimaat gebleekt tot lichtbruin. Ze was halverwege de dertig en een van zijn meest-belovende studenten. Een begeesterde vrouw, van wie hij veel leerde en van wie hij in de toekomst veel verwachtte. Van iedereen had hij háár, met haar allesziende röntgenogen, in dit laatste ogenblik het minst graag hier gehad. Of misschien juist zij wèl?
'Wat zie je er uit!' riep ze uit, 'is er wat gebeurd? Het lijkt wel of je het einde van de wereld gezien hebt!'
Hij vocht tegen zijn tranen, balde zijn handen tot vuisten, maar de verkrampte hand die hij al naar haar uitgestoken had, viel slap langs zijn lichaam, zijn hoofd knikte voorover en opnieuw stroomden hem de tranen over het gezicht. Ze pakte hem bij zijn schouders, hielp hem als een zieke in zijn stoel en knielde naast zijn voeten. Hij schreide met zijn hoofd in zijn handen en zijn ellebogen op zijn knieën, met snikken, die wel van onder uit zijn tenen leken te komen. Ze sloeg haar armen om dat brok ellende heen en voelde haar schouder nat worden.
Na een hele poos bedaarde hij wat en ze vroeg:
'Wat is er gebeurd Johan, ga je weg?' Haar oog viel juist op het koffertje. Toen boos: 'hebben ze je er eindelijk uitgeschopt?' En nu begonnen ook bij haar de tranen in de ogen te prikken.
'Ik mag het je niet vertellen Myriam,' zei hij verdrietig.
'Jij, die zoveel betekent voor mensen, jij mag niet iemand hebben die jou helpt in een zó moeilijk ogenblik? Jij laat je dat bevelen? Ze dragen je iets op, of pakken je iets af, of allebei, iets heel belangrijks en laten je dat in je eentje dragen! En jij staat dat nog toe ook! En jij leert iedereen zich niets van dat instituut aan te trekken, maar in dit voor jou zo ingrijpende ogenblik, doe je het zelf wel! Heb jij ons dan leugens geleerd?'
Geschrokken keek hij haar over zijn natte handen heen aan en voelde woede in zich opkomen, woede tegen dat machtsinstituut, dat zó gruwelijk kon sollen met mensen. Ze had alweer gelijk, zoals zo vaak.
'Vertel op!' riep ze uit, 'wat doen ze je aan?'
Toch aarzelde hij nog. Toen, bevend van emotie en er op aan dringend dat ze beslist haar mond moest houden:
'Ik ben naar Rome geroepen. Ze hebben niet willen zeggen waarom. Ik heb daaruit de conclusie getrokken dat er stemmen op mij zijn gevallen...'
Ze verstrakte en raakte totaal in de war. Ze greep zijn handen, hem met haar grote, bijkans zwarte ogen aanstarend. Allerlei gedachten en gevoelens spookten haar door het lijf. Van: "ik zal hem missen", tot: "dit is het wat de kerk nodig heeft! Op hém zitten we te wachten!" en: "wat een zware taak voor hem! Wat heb ik met hem te doen! Al die strijd die hij te leveren krijgt!" en: "wat rijk zijn we met hem!"
Ten slotte pakte ze zijn gezicht tussen haar handen, wárme handen voelde hij:
'Nou moet jij eens goed luisteren,' zei ze zacht maar dringend, 'ik weet dat dit ontzaglijk zwaar voor je is: deze taak. Ik weet ook dat je gekozen zal worden, omdat dit in de lijn ligt van wat er gebeuren moet. Nee,' zei ze en legde een vinger op zijn mond, die hij diep ademhalend opende om iets te zeggen, 'niet zeggen. Ik ken je zo goed: ik weet wat je zeggen wil, maar het kan nog niet. Er kan nog geen vrouw op die post zitten. De kerkstructuren zijn nog te strak macho! Daarom is het zo belangrijk dat juist jij daar komt te zitten!' zei ze met opnieuw tranen van ontroering in haar stem en haar donkere ogen. Ze voelde hem onder haar handen opklaren. Hij zuchtte diep en voelde zich volstromen met energie. Zijn gezicht raakte dat wanhopige kwijt en hij zei:
'Wat ben ik blij dat juist jij toevallig binnenkwam!'
'Dat is niet toevallig, dat móést zo. Daar had je recht op, omdat je het nodig had. Het valt je toe, dus toch wel toe-val-lig!'
Toch betrok zijn gezicht opnieuw, verdriet werkte zich uit zijn buik omhoog:
'Ik kan helemaal geen afscheid van mijn moeder nemen en aan haar heb ik alles te danken!'
'Dat instituut hè!' riep ze boos, 'het hoeft maar een paar minuten te duren. Je kan er best langs rijden!'
'Nee, eigenlijk denk ik niet dat ik het aankan. Er zou een heel gesprek ontstaan en al die emoties, ik heb al zoveel aan mezelf... Nee, ik doe het niet!'
'Ze is sterker dan je denkt! Je zal er zelfs veel aan hebben!' Toen, de onzekerheid en verwarring ziende die zijn hele wezen gevangen hielden: 'dan zal ik het voor je doen Johan. Ik zal naar haar toegaan. Zeg maar wat je wilt dat ik haar overbreng.'
Hij had het antwoord al klaar, het antwoord dat zijn moeder onmiddellijk vatten zou. Hij stond op en torende met zijn volle lengte boven de half knielende gestalte uit:
'Zeg haar wat te gebeuren staat en zeg haar dát wat ze me zelf geleerd heeft: "kost wat kost..." En zorg voor haar nu ze naar Rome moet reizen om mijn kroning bij te wonen. Laat haar zo spoedig mogelijk vertrekken. En, als je kan: wil je dan met haar meegaan? Ik zal jou daar trouwens graag bij me hebben!' Hij bukte zich, trok haar overeind uit haar half hurk-, half knielhouding: 'dit is een van de dingen die ik zo spoedig mogelijk af zal schaffen: niemand zal aan mijn voeten knielen, of aan die van wie ook!'
Glimlachend stond ze op en ze sloegen de armen om elkaar heen, alsof ze elkaar nooit meer los zouden laten.
'Wat ben je een goede vriendin,' zei hij warm.
Ze antwoordde met diepe stem, vanuit haar hele IK;
'Besef altijd dat ontzaglijk veel mensen er voor jou zijn. Al is het vaak op de verre achtergrond. Je staat niet alleen!'
Dankbaar zag hij haar aan en streek even over haar in tientallen kurketrekkertjes gedraaide kroeshaar.
'En nu moet ik weg!'
'Hebben ze ineens zo'n haast?' riep ze woedend uit, 'honderden eeuwen lang hebben alle religies vrouwen onderdrukt. Miljarden vrouwen zijn door hun voorschriften en opvattingen emotioneel en fysiek verkracht, verminkt, gemarteld, ontsekst, vermoord. En dat gebeurt nog dagelijks, wereldwijd in alle godsdiensten. WIJ wachten al twintig eeuwen op het christendom! Hebben ze nu ineens haast?' En ze priemde met haar vinger op het kruisje dat aan een kettinkje om zijn hals hing. Het deed bijna pijn, zo hard als ze drukte.
'Er staat een vliegtuig klaar op vliegveld Eindhoven!'
'Ik word hier zó kwaad van!' schreeuwde ze, greep hem stevig bij z'n schouders en rammelde hem door elkaar: 'als jij wat wilt veranderen, zal je nu al moeten beginnen!'
Geschrokken door haar woede-uitval, deinsde hij terug.
'Sorry lieverd, ik had niet zo tegen je tekeer moeten gaan. Als iemand dat niet verdient, ben jij het!'
'Maar je hebt weer zo gelijk! Ik raak er meer en meer over verbijsterd hoe wij, mannen, het durven wagen nog iets te zeggen over God en zo, als ik al die wijsheid van jullie, vrouwen ervaar!'
'Nou moet jij wéér eens goed luisteren: je hebt al zoveel van vrouwen geleerd. Het is góéd dat jij daar straks zit. Bovendien kan je nu echt aan de gang om de kerk om te gooien. Dáárom word je daarheen geroepen. En dat vliegtuig, dat vliegt heus niet zonder jou weg. Ik zet koffie en jij zit nog even!'
Hij liet zich terugvallen in zijn stoel en voelde nu pas hoe moe hij was: alsof hij zes weken met griep aan bed gekluisterd had gelegen. Toen hij op zijn horloge keek, zag hij dat die zes weken griep na dat telefoontje net zestien minuten oud was.
Ze dronken samen koffie. Hij was te verward om er van te genieten, maar knapte toch wat op. Zijn blik dwaalde uit het raam en ineens besefte hij dat het voor het laatst was. Hij zag dat de zon inmiddels een eind gezakt was. Hem leek die vertrouwde blik nu al een vreemd vergezicht. Dat stukje wiek van de Sint Anna-molen achter de hoek van het gebouw waar hij op uitkeek, had hij al zo vaak gezien na de restauratie, maar het leek hem nu een oud, onbekend silhouet tegen de rozige avondlucht. Hij zuchtte en ging naar zijn koffertje.
'Kom, ik help je met inpakken,' zei Myriam.
'Nee, dat wil ik zelf doen. Bestel jij vast een taxi, dan kan ik meteen naar Eindhoven.'
Hij nam niet veel mee: wat T-shirts, een extra spijkerbroek... Er begon een belletje te rinkelen in zijn achterhoofd, maar hij negeerde het. Hij pakte wat schoon ondergoed en greep zijn missaal van de boekenplank vóór hem. Waar sloeg dat nou op: zijn missaal, helemaal in het Latijn: als er iets was wat hij niet nodig had was het dát... Toch liet hij even de goud op snee blaadjes langs zijn duim ritsen, ving hier en daar een bekend Latijns woord op. Hij sloeg het dicht en besloot dat het ingebonden boek met de bruinleren kaft er na jarenlang intensief gebruik nog goed uit zag. Hij streelde even de dofleren kaft met de in reliëf opgelegde voorstelling van het laatste avondmaal, keerde het boek in zijn handen om en om. Hij was eraan gehecht en dus stopte hij het toch maar in de koffer. Met zijn gedachten bij allerlei herinneringen, klikte hij de sloten dicht. Tegelijk legde Myriam de telefoonhoorn neer. Hij vroeg haar of zij de verhuizing van de rest van zijn spullen wilde verzorgen als het zover was.
Bij de deur aarzelde hij op de drempel en kon het niet laten nog even de kamer in te kijken waarin hij zoveel doorgemaakt had: alleen, met anderen en met de brieven van zijn moeder. Geschrokken stormde hij terug de kamer in, naar zijn bureau. Trok de la haast uit de sponning, kon hem nog net grijpen, graaide er in één haal een dikke map uit, greep een schoudertas naast het bureau en propte de map erin. Toen viel zijn blik op zijn scheerapparaat op de wastafel: gelukkig maar, want dat was hij ook vergeten! Daarna holde hij naar Myriam, die hem opwachtte in de gang met de geamuseerde blik van iemand die geniet van het lachwekkende schouwspel van een man die nodeloos haast heeft. Dat stuitte hem in zijn vaart en toverde een verlegen glimlach op zijn gezicht, als van een jochie dat zich betrapt voelt op een stommiteit. Ze hoefde niet eens te zeggen: "je leert het ook nooit!"
Dat belletje bleef rinkelen...
Hij sloot de deur af en gaf de sleutel aan haar. Stevig gearmd liepen ze de trap af naar buiten, waar de taxi inmiddels voorgereden was. Woordeloos sloegen ze nog een keer de armen om elkaar heen, tot ze in zijn oor fluisterde:
'Habemus papam!'
Ondanks alles barstte hij in lachen uit. Zijn zware, warme bas rolde door de stille zomerstraat en stuiterde tegen de muren van een universiteit in vakantierust. Schaterend stapte hij in de taxi, zodat de chauffeur onwillekeurig mee grinnikte:
'Dat is kennelijk een grappig wijfie mijnheer!'
'Dat,' antwoordde hij, 'is een prachtvrouw. Naar vliegveld Eindhoven alstublieft.'
'U bent nogal wat van plan!'
'Jazeker! Dat merk je wel dezer dagen...'
De auto trok op en hij zwaaide, met het plezier nog rond zijn mondhoeken, door de achterruit naar zijn stralende vriendin. De zon schampte paarsig de linkerkant van haar donkere gezicht zag hij nog net. Toen onttrok een grote kastanjeboom haar aan zijn gezichtsveld. Echter niet voorgoed wist hij...
* * * * * *
Twee vrouwen
Haar lach bloeide nog om haar mondhoeken, toen Myriam zich omdraaide en haar fiets pakte. Automatisch reed ze de weg naar huis. Gelukkig dat zijn moeder in de stad woonde, al was het een eind van haar vandaan. Nu kon ze vanavond nog naar haar toe en hoefde ze de boodschap niet per telefoon over te brengen. Even ging ze thuis aan aan de Scheidingsweg om haar man en kinderen te zeggen dat iemand haar plotseling nodig had en dat ze waarschijnlijk een paar dagen de stad uit moest. Die waren al wat gewend van haar en vroegen niet verder, nadat ze geweigerd had te antwoorden op hun eerste vraag naar waarom en waarheen.
In de dalende zonneschijn fietste ze heuvel-op heuvel-af naar de moeder van Johan in Berg en Dal. Ondanks alles wat er door haar heen spookte, genoot ze van de rit en de nu frisse wind langs haar wangen.
Ze kende zijn moeder wel, die kwam nogal eens op de universiteit. Zo op het oog leek het een gewone huisvrouw. Ze kende echter haar waarde en stopte haar zelfverworven wijsheid niet onder stoelen of banken. Ze zei altijd: "Je mag je licht niet onder de korenmaat verbergen, maar je mag anderen jouw licht ook niet onder de korenmaat laten zetten. En dat is wat de kerk altijd gedaan heeft! Met mannen, maar vooral met vrouwen!"
Myriam draaide de straat in waar zij woonde, stopte voor het smeedijzeren hekje en zette de fiets op slot. Ze hoefde niet te bellen, want de deur ging al open:
'Hè Myriam, wat leuk dat je me komt opzoeken. Ik zag je aan komen racen, heb je zo'n haast?'
'Dag Riek, blij je te zien! Heb je even tijd voor mij?'
'Natuurlijk, dat weet je toch! Kom binnen. Zin in koffie?'
Myriam schudde haar massa kurketrekkertjes:
'Ik heb net koffie gedronken met je zoon.'
'Kom je van Johan vandaan? En dan meteen naar mij? En je hebt zo hard gefietst! Er is toch niets gebeurd?' vroeg ze ineens bezorgd.
'Niets om je ongerust over te maken, maar gebeurd is er heel veel, in zeer korte tijd!'
Toch bewolkte het gezicht van Riek. Het stond, net als dat van alle oudere moeders, vol groeven van verwerkte zorgen en spanningen. Die lijnen werden meteen dieper.
'Je maakt me nieuwsgierig en toch bezorgd,' zei ze.
Myriam wist niet goed hoe te beginnen.
'Wat ging je bij Johan doen?'
Myriam schrok ineens: dat was ze helemaal vergeten!
'Ik moest er een boek halen voor mijn scriptie en dat ben ik helemaal vergeten met al die consternatie! Maar eigenlijk maakt het niet uit: ik zal voorlopig toch geen tijd hebben om te studeren als we naar Rome moeten.'
'Ga je met hem naar Rome? Ga je soms de nieuwe paus befeesten?' lachte de oudere vrouw onbekommerd. Onwillekeurig lachte Myriam mee en zei:
'Zo zou je het wel kunnen stellen ja, van dat feesten en zo! Maar om de andere kant van de reden. Daarom ga ik er niet met hém naar toe, maar met jou!'
'O, maar ik kan niet: morgen is Hanneke, mijn kleindochter jarig en die móét oma op haar feestje hebben! En bovendien interesseert het me eigenlijk niet voldoende om daar zo'n eind voor te reizen! Het zal toch wel weer zo'n ouwe sul worden...'
Myriam zuchtte en dacht: "moeilijk hoor," en zei hardop:
'Het wordt geen oude sul Riek! Het wordt een man van tweeënveertig en je zal toch móéten. Je kleindochter zal binnen een paar dagen op tv zien wat er met haar oom gebeurd is en waarom jij zo vliegensvlug naar Rome moest. Dan zal ze spijt hebben dat ze gemopperd heeft.'
Riek keek haar bevreemd aan en vroeg:
'Gebeuren? Wat gaat er gebeuren met Johan?'
'Riek, ik moet het je vertellen, maar niemand mag het nog weten, Johan is halsoverkop naar Rome geroepen!'
'Nou èn,' zei de andere vrouw, nog steeds wat afwerend, 'hij wordt wel eens meer weggeroepen, voor lezingen en zo.'
'Laat me nou even uitpraten: maar nu moest hij onmiddellijk vertrekken naar het Vaticaan!'
'Ze zijn een paus aan het kiezen,' zei Riek, 'maar wat kan Johan daar nou mee te maken hebben? Hij is toch geen kardinaal? Hij mag niet mee kiezen en ze zijn al een paar weken bezig. Ze moesten eigenlijk maar eens opschieten: die kereltjes daar. Ik word het zat om twee keer per dag aan de tv gekluisterd te zitten wachten of er witte rook uit dat schoorsteentje komt!'
'Nee, mee kiezen mag hij niet, maar hij kan wel gekozen worden! Dat bedoel ik met: de andere kant van de reden om feest te vieren!'
Rieks mond viel open van verbazing en bozig zei ze:
'Je maakt een grapje. Een grapje wat ik helemaal niet leuk vind!'
'Dat kan ik me voorstellen, maar het is geen grapje Riek! Hij is daarstraks opgebeld om onmiddellijk naar Rome te vliegen, omdat er stemmen op zijn naam vallen! Hij zit nu wijd en breed op het vliegtuig.'
Tijdens haar verhaal zag ze op het fijne gezicht van de grijze vrouw vóór haar allerlei gevoelens worstelen om voorrang: verbijstering dreef voorlopig boven. Daaronder zag ze verwarring, grote verwarring, bezorgdheid, maar ook een begin van... Een begin van wat? Triomf? Van: "nou komt alles goed!"? Van: "zie je wel!"? Zelfs heel stiekem: "ik heb zoiets eigenlijk wel verwacht..."?
'HIJ is die man van tweeënveertig,' zei Myriam, 'ik moest je nog dát van hem zeggen wat je hem zelf geleerd hebt,' en ze ging erbij staan: "kost wat kost!"!'
Het bleef een poosje stil. Zijn moeder zat verbouwereerd het raam uit te staren. Haar handen echter lagen rustig voor haar op tafel.
'Kost wat kost,' mompelde ze, 'dus dat betekende die droom! (tegen Myriam): ik droomde dat ik op een balkon stond met hem en onder ons een heleboel mensen. Ik snapte er niets van.'
Myriam zei niets terug, ze voelde dat de ander even voor zich heen moest praten en ging weer zitten. Plotseling stond Riek op:
'Ik ga koffie zetten,' en liep naar de keuken.
Myriam liet haar begaan, luisterde naar de verdwijnende voetstappen in de holle gang van het oude huis. Soms moet een mens alleen zijn. Ze kende dat gevoel...
Haar gedachten dwaalden naar het vliegtuig, dat nu misschien al boven Frankrijk de eeuwigheid doorkliefde. "Alles is eeuwigheid," bepeinsde ze, "Men heeft ongelijk met te beweren dat alles maar tijdelijk is!" Ze schrok zelf van die inval: "zou dat waar zijn? Hoe belangrijk is dan elk ogenblik, voor mij, voor haar, voor hem..."
Ze schrok op, alsof ze in een andere wereld had vertoefd, toen Riek met twee koppen koffie uit de keuken terug kwam.
'Jij zat een eind weg met je gedachten! Zeker boven Frankrijk?'
'Kun jij ergens anders aan denken? Maar: hoe voel jij je nu?'
'Zo raar dat ik enkel kan zeggen: puinhoop! Slap in de benen, verward, gerommel in mijn buik en zo. Maar ik denk dat we nu onze hersentjes bij elkaar moeten schrapen en een plan maken. We zullen toch op reis moeten! Onderweg kunnen we praten. En misschien dáár ook nog. Dágenlang, als die kereltjes niet opschieten.
Maar eerst bel ik even mijn dochter op (kijkend op haar horloge): ik moet haar zeggen dat ik morgen niet op de verjaardag van Hanneke kan komen. Hoe moet ik dat brengen, zonder dat ze boos wordt? Ze heeft zulke lange tenen! En op de verjaardag van Erik van Flip ben ik wel geweest. Ik bel haar nu meteen. Ze moet me maar vertrouwen! Het is jammer dat jonge vrouwen van nu niets van het feminisme willen weten, en zich afzetten tegen vrouwen als ik. Trouwens: binnen een paar dagen zal ze zien wat er aan de hand was.' Ze greep de telefoon en tikte het nummer in.
Terwijl ze het inderdaad onaangenaam verlopende gesprek voerde, had Myriam alvast iets te schrijven gepakt om een plan te maken voor de komende dagen. Ze moesten voldoende meenemen en ook waarschijnlijk iets chiques voor een eventuele receptie. Er moest een vliegtuig besproken worden en er moest ook nog geslapen worden. Daarom, om dat noodzakelijke slaapje, schreef ze van alles op: dan lig je daar niet wakker van.
'Wat voelt dat rot, zo'n gesprek!' zei Riek met een diepe zucht en blosjes van onderdrukt ongeduld op de wangen toen ze de hoorn neerlegde, 'dat komt er dan nog eens boven op. Er viel met mijn dochter niet te praten. Wat een vertrouwen in een moeder als ik! Ze zou toch onderhand moeten wéten...' Ze zuchtte nog eens. Keek naar de blocnote vóór Myriam op tafel: 'ik zie dat je al van alles op papier hebt staan.'
'Heb jij een chique jurk?'
'Aggot, ook dat nog! Je hebt gelijk: die zullen we nodig hebben. Alhoewel: gáán kritische vrouwen als jij en ik wel op chique? Voor alle zekerheid toch maar doen? We zullen het daar Johan vragen, want het gaat om zijn feest. Waarschijnlijk hoeft het niet van hem. Ik heb gelukkig nog de jurk van toen mijn jongste dochter trouwde. Die kan heel goed. En jij, heb jij iets als arme studente?' en bij het neeschudden van Myriam: 'weet je wat: ik bel mijn jongste dochter: ik heb een jurk voor haar gemaakt, voor een concert wat ze kort geleden gegeven heeft. Ze heeft ongeveer dezelfde maat als jij.'
Alweer tikte ze een nummer in en voerde een heel wat prettiger gesprek.
Die dochter was heel anders: zij voelde meteen aan dat er iets bijzonders was en zegde toe dat ze de jurk wel even zou brengen. Nu? Ja: nú. Binnen tien minuten stond ze op de stoep en zag even later vol bewondering hoe prachtig de oranje met paarse japon de haar onbekende zwarte vrouw kleedde: als een koningin!
De opwinding van haar moeder bespeurende, probeerde ze te weten te komen wat er aan de hand was met al die haast, vooral toen haar blik op de blocnote met de lange lijst aantekeningen viel.
'Ik ga een paar dagen het land uit,' zei Myriam, 'en het is nogal onverwacht!'
Wantrouwig keek Liesbeth haar moeder aan: die stond duidelijk op springen. Ze probeerde haar zelfs de deur uit te werken.
'Mama, jij gaat ook weg hè?'
'Voor jou kan ook niets verborgen blijven,' lachte Riek.
'Dat heb ik van jou geleerd mamaatje!'
Riek en Myriam wisselden een blik van verstandhouding en toen zei Myriam:
'Je broer is naar het Vaticaan geroepen. Er zijn stemmen op hem gevallen. Maar hou het nog even stil tot wij het land uit zijn!'
Liesbeth stond aan de grond genageld en kon geen woord uitbrengen. Ze keek verbouwereerd van Riek naar Myriam en weer terug. Zag in hun ogen de bevestiging van de boodschap met allerlei emoties erdoorheen. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht, alsof ze het niet meer zien kon. Met tranen in haar ogen stamelde ze:
'Mijn broer, onze Johan paus?'
Toen ze het na een kleine eeuwigheid een beetje begon te bevatten, brak er echter een stralende glimlach door en ze zei: 'dat is nog eens een prachtig bericht! Geweldig! Iemand als hij heeft de kerk zo nodig! Ongelooflijk!' Ze keek haar moeder aan: 'dus daarom sta je zo op springen mam! Weet je wat, laat mij je helpen met inpakken, dan kun jij eerder gaan slapen!'
Dankbaar aanvaardde haar moeder die hulp.
Myriam ging als de bliksem naar huis om ook in te pakken en haar man voor te bereiden. Tegen elf uur kwam ze met haar koffer per taxi bij Riek aan. Omdat ze de volgende ochtend al vroeg vandaaruit naar Eindhoven zouden rijden, sliep ze bij haar. Riek vertelde dat ze nét het Vaticaan aan de telefoon gehad had. Ze zouden afgehaald worden en konden logeren in het paleis.
* * * * * *
Reis en aankomst
De reis naar Rome leek Johan een sprong in het duister. Een eeuwigheid vol zwetende verwarring, zenuwen en onzekerheid lang zat hij in het speciaal voor hem gecharterde vliegtuig. Ondanks alles wat Myriam hem gezegd had, voelde hij zich méér alleen dan ooit tevoren in zijn leven. En weer prikten hem de tranen in de ogen.
Bij aankomst wachtte een prelaat hem op, die hij herkende als een van de rechters in dat proces over zijn boek. De moed zonk hem in de schoenen: dat ze nou juist een van zijn vijanden gestuurd hadden!
'Hebben ze je helemaal alleen laten reizen? Hoe kunnen ze dat doen? Waarom is je bisschop niet met je meegekomen?'
'Mijn bisschop moet niets van mij hebben!'
'Maar dat is toch geen reden om iemand met zó'n missie dit alleen op te laten knappen? Zo'n zware stap, zo'n moeilijke beslissing! Wat zal jij je rot gevoeld hebben: díé boodschap en dat dan helemaal op je eentje verwerken en die reis maken! Is hij het je komen vertellen?'
'Nee, zijn secretaris belde op. Maar die gaf alleen opdracht om onmiddellijk naar Rome te vertrekken. Ik heb zelf de conclusie getrokken dat er stemmen op mij moesten zijn gevallen!'
'Het is meer dan schandalig: het is onmenselijk!'
'Dank U. Uw woorden doen me veel goed, want ik voel mij erg alleen, ook al weet ik me gesteund door veel mensen. Enkel mijn vriendin, die vrij kort na dat telefoontje toevallig binnenkwam, heb ik ingelicht. Zij is een enorme steun voor mij geweest. Ze is een van mijn leerlingen die dit jaar afstudeert en een zeer begeesterde vrouw, van wie ik veel verwacht voor de kerk. Zij zal nu bij mijn moeder zijn om de reis hierheen te organiseren, want ik wil hen beiden per se hier hebben dezer dagen.'
'Ik zal zorgen dat ze hier kunnen logeren. Geef me zo het telefoonnummer van je moeder maar even, dan bel ik haar zelf op. Maak je maar geen zorgen!'
Dat was een pak van zijn hart. Nu kon hij zich helemaal concentreren op wat te gebeuren stond.
'En ik zal in je buurt blijven, je kan voor van alles op mij terugvallen!'
Wat heerlijk. Ineens ging hem een licht op:
'Bij dat proces had ik sterk de indruk dat een van de rechters mijn kant had gekozen, want alles werd naar buiten gebracht. Was U dat?'
De ander glimlachte:
'Dat was goed hè. Ik kon niet voldoende laten merken hoe ik over je dacht, dat ik áchter je stond. Ik was van tevoren al van plan om alles stiekem naar buiten te brengen en moest dus zo weinig mogelijk opvallen door allerlei uitspraken ten gunste van jou. Ze zouden me onmiddellijk eruit gegooid hebben als ze wisten hoe ik erover dacht en mogelijk daarom degene was die die lekkage verzorgde. Dat vond ik erg, had voortdurend het gevoel dat ik zat te liegen... Maar ik wist dat alles naar buiten brengen voor jou en het geloof noodzakelijk was. Ik heb nooit zo aan den lijve gevoeld dat je-mond-houden ook liegen is...
Maar nu geen ge-U meer, want straks ben jij mijn meerdere!'
'Ik zal nooit iemands meerdere zijn!'
De ander stak hem geroerd zijn hand toe. Even stonden ze zo, oog in oog, hand in hand.
'Wat zijn we rijk met jou!'
'Met jou ook als je wilt!'
Buiten de aankomsthal stapten ze in de slee van het pauselijk hof en reden naar het Vaticaan. Daar konden ze nauwelijks met de auto door de menigte komen: de fotografen verdrongen zich voor de portieren. Het onophoudelijk geflits verblindde Johan zowat. Het schreeuwende gevraag sloeg hem om de oren en deed hem zeer. Ondanks dat probeerde hij te blijven glimlachen: die mensen deden hun werk.
Alhoewel de prelaat bij zijn vertrek naar de luchthaven een achteruitgang genomen had, was er toch een journalist geweest, die hem opgemerkt had. Het plotselinge vertrek van de monseigneur in de officiële witte auto, was als een lopend vuurtje door de pers gegaan. Degenen die de terugkeer van de prelaat hadden kunnen halen, wisten hoe laat het was toen ze de tweede man in de auto herkenden. Zijn naam siste als een brandende lont door de menigte journalisten.
Ineens zag hij een hem bekende donkerblonde vrouw zich door de opdringende groep fotografen worstelen: ze had nog niet zo lang geleden met hem gesproken en een paar dagen college gelopen voor een lang verhaal in een feministisch maandblad. Ze zwaaide naar hem en hij wuifde terug. Toen ze oog in oog met hem stond zei ze:
'Ik ben hier zo gelukkig mee! En ik niet alleen!' en ze keerde zich om, gooide haar armen in de lucht en schreeuwde: 'HABEMUS PAPAM!'
Voor de tweede keer hoorde hij uit de mond van een vrouw de woorden: habemus papam. En onwillekeurig glimlachte hij. De derde keer zou op het balkon daar zijn... Luid gejuich en een hernieuwd geflits was het gevolg. De prelaat sloot de ramen, terwijl hen de weg werd vrijgemaakt door een paar man van de Zwitserse garde.
Johan werd onmiddellijk naar het conclaaf gebracht en voor een forum van kardinalen geleid, die hem zouden ondervragen. Daar stond hij in zijn vakantieplunje tegenover die massa plechtigheid. Hij wist ineens waar dat belletje voor gerinkeld had: hij had een "net" pak mee moeten nemen...
Het gaf hem steun onder de forumleden ook zijn eigen kardinaal te zien, die hem bemoedigend toeknikte.
In zijn geruchtmakend boek had hij nog slechts zijdelings gesproken over vrouwen, niet zo nadrukkelijk. Hij begón haar pas te ontdekken, zodat zijn boek slechts een voortzetting leek van de standpunten van Joannes XXIII. Vandaar dat hem daarover geen vragen gesteld werden. Had men dat wel gedaan, dan was hij vast geen paus geworden... Alleen zijn Nederlandse kardinaal was op de hoogte van zijn opvattingen over vrouwen nú. Die stond achter hem. De vorige had hem meermalen op het matje geroepen.
* * * * * *
Op reis
Een paar uur later, om half zes in de ochtend, werd Riek uit haar slaap gewekt door de telefoon: de ochtendbladen stonden vol en bekenden die het gelezen hadden, belden haar. Ze wist niet wat ze hoorde en omdat de telefoon bleef tutelen, trok ze de stop eruit. Ze moest trouwens toch gauw op.
Om half acht vertrokken Myriam en zij met een taxi.
'Vliegveld Eindhoven? Jazeker mevrouw. U bent de tweede binnen twaalf uur. Gisteravond heb ik de nieuwe paus naar Eindhoven gebracht. Maar dat wist ik toen niet natuurlijk! Hé, wacht eens eventjes: bent U misschien zijn moeder? Hij lijkt op u,' zei de taxichauffeur, 'en ik herken U (tegen Myriam), U bracht hem naar mijn taxi. Hij moest nog zo lachen om iets wat U gezegd had. Wat kunnen dingen toch raar lopen!'
Op het vliegveld kocht Myriam gauw een ochtendblad en ja hoor: daar stond een foto van een journaliste die uitriep: "habemus papam!" en daarnaast eentje van Johan! Was al die geheimzinnigdoenerij niet nodig geweest!
In het vliegtuig hadden ze wat tijd om te praten, maar ze verkeerden in een soort jachterige schemertoestand. Riek begon, mede door dat verslag en die foto's te beseffen dat Johan voortaan niet meer in de buurt woonde. Ze zou hem missen! Dat cliché, wat ze altijd zo afgezaagd vond, als ze het over anderen hoorde, of in een boek las, voelde ze nu zelf: een schrijnende pijn door haar hele lichaam heen: een gat in haar lijf en haar leven. Myriam zag de bui hangen en pakte haar hand. Riek liet haar tranen de vrije loop en het kon haar niets schelen dat mensen keken.
'Het doet zéér hè?' zei Myriam en sloeg een arm om de ander heen. Riek huilde een poos.
Toen ze een beetje bedaard was zei ze:
'Het is zo dubbel: ik ben ontzaglijk verdrietig. En toch blij tot in het diepst van mijn ziel, omdat hij daar zo op zijn plaats is. Alles in zijn leven wees eigenlijk daarheen! Iemand als hij heeft de uitstervende kerk zo nodig! "Laat de kinderen tot mij komen," maar in de kerk zitten alleen nog grijze koppies!'
Rondom haar dwarrelde een opgewonden geroezemoes. Telkens flitste weer die foto met "habemus papam" voorbij. Wel echt een foto voor een prijs: zo uitzonderlijk en dynamisch! Riek had hem eigenlijk nog niet goed bekeken. Er stonden ook foto's in van de auto, maar je kon Johan daar eigenlijk nauwelijks uit herkennen. Het artikel was één juichende pagina vol. Grote letters en koppen: "EEN NIEUWE JOANNES?" en "DE KERK GERED?", "HET BEGIN VAN EEN NIEUW TIJDPERK?" en "MEER RUIMTE VOOR VROUWEN?"...
In Rome werden ze afgehaald door de prelaat van Johan. Hij trachtte naar het Vaticaan te rijden. Zo vroeg als het nog was, was het toch al druk met straten vol opgewonden mensen. Hoe dichter ze bij het Vaticaan kwamen, hoe voller de wegen waren. Slechts met veel moeite konden ze de ingang bereiken...
Wat een rust eenmaal achter de poort, je kon zelfs de bomen in de paleistuin horen ruisen. Een geur van zomerse bloemen en bloeiende struiken vol rozen en vers gesneden gras vulden de lucht met levende energieën.
Binnen het paleis was het heerlijk koel. De prelaat bracht haar naar haar vertrekken, waar ze zich wat konden opfrissen en koffie kregen. Na een half uur werd er op de deur geklopt van haar zitkamer en daar kwam Johan binnen, zenuwachtig en moe: hij had bijna niet geslapen en was blij dat hij de beide vrouwen zag die hem zo na stonden.
'Nu voel ik me wat meer gesteund,' zei hij, nadat hij beiden stevig omhelsd had, 'je zal wel geschrokken zijn, mama, hè?'
'Ik zei Myriam al: het is zo dubbel. Ik zal je zo missen èn ik ben blij! Bovendien maak ik me zorgen, want je zal het niet gemakkelijk krijgen!'
'Er staan veel mensen achter mij en God wil me hier, dus ook van die kant kan ik medewerking verwachten. En kracht! Als je je bezorgd maakt mama, bid dan maar wat voor me. Daar word je zelf ook rustig van.'
'Als ik voor jou bid, dan wil ik dat niet doen om er zelf rustig van te worden hoor! Dan zou ik het immers niet voor jou doen, maar voor mezelf!'
Het werd weer tijd voor de eerste stemronde van die dag en Johan moest naar het conclaaf, voor het geval dát... De beide vrouwen bleven waar ze waren, te rusteloos om iets te ondernemen: wandelen of het paleis verkennen of zo...
* * * * * *
Verkiezing
Daarna duurde het nog twee dagen, vier stemronden eer men Johan binnenhaalde in het conclaaf. Hij had die dagen gebruikt om een beetje zijn gedachten en gevoelens te ordenen, die door dat overhaaste vertrek uit Nijmegen zo door elkaar geschud waren. "Zijn" vrouwen waren hem daarbij enorm tot steun geweest.
Voor Riek en Myriam waren het eveneens rijke dagen: ze leerden vérder kijken in de kerk en in het geloof, omdat Johan nu de kerk om zou gaan gooien. Alle dingen die nu mogelijk werden! Haar groeiende blijdschap hierom nam echter bij Riek de pijn niet weg om het verlies van haar zoon. Maar ook legden de vrouwen de basis voor een duurzame vriendschap met elkaar.
Johan was rustiger nu en had zijn besluit klaar.
Na de stemronde van die ochtend had de prelaat hem verteld dat 's middags de definitieve keuze wel eens zou kunnen vallen, omdat het daartoe vereiste aantal stemmen op twee na bereikt was! Tegen dat het tijd was voor de tweede stemronde en hij weer naar de kapel zou gaan, vroeg hij Riek en Myriam of ze straks naast hem op het balkon wilden staan: zijn moeder omdat hij alles aan haar te danken had en Myriam als vertegenwoordigster van de nieuwe koers in het christendom. En, op haar bevestigende antwoord, of ze zich klaar wilden houden.
'Moeten we op chique?' vroeg Riek.
'Doe maar, dat is zo feestelijk!'
"Zijn" prelaat kwam hem nu halen en zelfverzekerd, maar toch wat gespannen, liep hij zwijgend naast de man voort. Zijn spijkerbroek ratste om zijn benen, een twee-stemmig stofgeluid met het gefladder van de toog van de prelaat en het drong ineens tot hem door dat hij straks een witte toog dragen zou!
Bij binnenkomst van de Sixtijnse kapel viel er het geroezemoes onmiddellijk stil. Johan voelde alle ogen zich op hem richten. Hij keek echter strak voor zich naar de zetel die op hem wachtte en eens temeer zonk hem de moed in de schoenen: waar begón hij aan...
De voorzitter van het kiescollege trad op hem toe en begeleidde hem naar de zetel vooraan in de kapel. Daar vroeg hij hem of hij in naam van God de keuze tot paus accepteerde. Zijn rug strekkend gaf Johan met zijn zware bas als antwoord:
'In naam van God en van alle mensen accepteer ik deze keuze. Ik zal mij noemen Joannes, als een hommage aan de vorige Joannes en omdat ik zijn werk voort zal zetten!'
Een welgemeend applaus klonk op en men begon zich op te stellen om de nieuwe paus te eren en te feliciteren.
'Nog één ding,' zei Joannes, de gewoontes kennende: 'niemand knielt voor mij, noch voor iemand anders. Ik ben niets méér dan jullie en wij mannen zijn waardeloze prullen vergeleken bij de eerste de beste vrouw in de straat!' Dat was de eerste klap! Er zouden er nog vele volgen! Sommige prelaten keken elkaar geschrokken aan. Andere, vooral jongere en gekleurde kardinalen knikten elkander verheugd toe!
Na de begroeting moest hij zijn nieuwe witte toog aan. In andere gevallen was dat een kwestie van passen geworden. Met de vorige Joannes was het, vanwege zijn dikte, een probleem geweest. Het verhaal ging dat men in uiterste wanhoop een toog aan de achterkant opengeknipt had... (Er was echter niets van te zien op tv, waar ik aan gekluisterd had gezeten in het appartementje waar mijn gezin en ik toen de herfstvakantie doorbrachten. I.)
Maar omdat het duidelijk was dat hij paus zou worden, hing de zijne al klaar. Die ging over zijn spijkerbroek met T-shirt heen, want hij had Myriam niet op tijd kunnen vragen wat anders mee te brengen. Zijn prelaat had nog heel fijntjes aangeboden iets met hem te gaan kopen in Rome, maar eigenlijk vond hij het wel goed zo. Symbolisch zéér juist: het paste bij hem en bij wat hij wilde veranderen.
Intussen waren de stembriefjes met een berg droog papier verbrand in het kacheltje in de hoek van de kapel, zodat buiten een behoorlijke kolom witte rook te zien was voor de menigte op het volgestroomde plein. Vanaf het begin van het conclaaf was de drukte op het Sint Pietersplein na elke stemronde enorm geweest. Maar naargelang het langer duurde, kwamen er steeds minder mensen. Sinds echter zijn aankomst in het Vaticaan en de foto's in de kranten, stroomde het grote plein twee maal per dag tot in de verste uithoek van de Via della Conciliatione vól.
* * * * *
Habemus Papam!
Eindelijk gingen de balkondeuren open en het grote kleed, met het wapen van de vorige paus, werd over de rand gehangen. Er was wat heen en weer geloop en er verschenen een paar kardinalen. Ze werden luid toegejuicht. Toen het stil was, boog de voorzitter zich over de microfoon en sprak met een glimlach de al zo lang verbeide woorden:
'HABEMUS PAPAM!'
Een oorverdovend gejuich begeleidde het losbarstende applaus. Op de tv zagen miljarden wereldwijd dit hele gebeuren met gemengde gevoelens: velen, vooral vrouwen, dolgelukkig, anderen met angst, weer anderen met afkeer, wat ook angst is, vanwege de naam die de nieuwe paus had als progressief christen. De kardinaal vroeg om stilte en noemde de eigen naam van de nieuwe paus en daarna de naam die hij gekozen had: Joannes. En het gejuich werd scanderen:
'Jo-an-nes, Jo-an-nes!...' De mededeling dat hij de vierentwintigste Joannes was, ging verloren in het rumoer.
De begeleidende kardinalen gingen aan de kant staan en Joannes trad naar voren. Een frêle witte gestalte tegen een donkere achtergrond. Gejuich met applaus reikte nog hoger op de decibellenschaal. Eindelijk zagen de mensen thuis op de buis hun nieuwe paus, zijn zachte en toch krachtige gezicht, met de van ontroering vochtige ogen. Naast hem wenkte hij al spoedig aan weerskanten zijn moeder en zijn vriendin. Even was het doodstil, toen brak enkel een applaus los, want de mensen waren te ontroerd om te juichen. Wildvreemde vrouwen vielen elkaar huilend om de hals, vanwege de belofte die dit beeld in zich droeg.
Toen hij eindelijk de kans kreeg om wat te zeggen, sprak Joannes van een christendom dat terug wilde gaan naar de oorsprong. Dat die oorsprong blootgelegd was door nieuwe theologen, maar vooral ook door vrouwen. En niet door studie, maar door haar ZIJN. Dat hij daarom zijn moeder en zijn vriendin meegebracht had: zijn moeder omdat hij alles aan haar te danken had en omdat alle mensen zwaar in het krijt staan bij moeders (luid applaus); en zijn vriendin als vertegenwoordigster van miljarden vrouwen uit twintig eeuwen christendom, die zoveel door dat zogenaamde christendom geleden hadden, maar nu als de meest wijze mensen geraadpleegd zouden worden.
Bij die woorden haalde hij zijn kalotje van zijn hoofd, gooide het op de grond en vertrapte het met draaiende voet. Hij gebaarde de kardinalen hetzelfde te doen. Een paar hadden daar duidelijk moeite mee. Dat zagen wereldwijd de miljarden ondubbelzinnig en onbarmhartig scherp op de buis.
'Wij mannen,' zei hij en hij gebruikte dezelfde woorden als in de kapel, 'wij zijn waardeloze prullen vergeleken bij de eerste de beste vrouw op straat! Wij zijn geen hoogwaardigheidsbekleders, wij verdienen het niet zulke eretekenen te dragen en we gaan déze alvast afschaffen. Wij moeten nog helemaal beginnen met een beetje mens te worden!
Die vrouw op straat hoeft alleen maar haar ogen en haar mond open te doen. Wij moeten nog van alles leren over hoe je als méns hoort te leven! Wij mannen liggen een dimensie áchter bij vrouwen!' zei hij met nadruk. 'Er is nooit naar vrouwen geluisterd en vooral niet naar kritische vrouwen. Integendeel: zij moesten haar mond houden en werden geminacht en verguisd, uitgestoten, gemarteld en vermoord. Ze werden beladen met de bergen schuld die wij mannen op onze nek hebben. Nu zal haar zelfs gevráágd worden hoe zij over alles, over leven en geloven denken, hoe ze dat be-leven.
Dat ik hier sta, komt door de vele wijze vrouwen die ik mocht ontmoeten. Ik wil er dan ook voor jullie zijn als een moeder, niet als een vader. En kijk eens naar Jezus Christus: was hij niet een uitermate vrouwelijk mens? Behoedzaam, gevoelig, vol zorg voor anderen en eerlijk tot het uiterste. Hij had precies de eigenschappen die geëist worden van moeders! Niet van vaders!'
Hij kon niet verder spreken, omdat een overdonderend applaus hem dat belette. Echter: er klonk ook boe-geroep en er waren opgestoken vuisten zichtbaar, die woedend in zijn richting gezwaaid werden. En in miljoenen huiskamers overal ter wereld werd bij deze woorden het tv-toestel door de heer des huizes uitgezet...
Op het plein werd het een feest. Of toch niet helemaal: veel aanwezige mannen moesten er ineens niets meer van hebben en begonnen weg te gaan, hun tegenstribbelende vrouwen meesleurend. Andere maanden hun vrouw voor haar enthousiasme. Eentje sloeg zijn vrouw, omdat ze haar mond niet hield en bleef juichen. Dat zag Joannes toevallig gebeuren. Hij vroeg om stilte en zei:
'Ik zie mannen hun vrouwen wegsleuren en haar zelfs slaan. Misschien zijn er nog wel meer hier op het plein die dat doen en (kijkend in de camera) daar bij jullie thuis! Zo'n man is zijn vrouw niet waard. Zij weet beter wat belangrijk is in het leven dan hij. Ze hoeft zich niet meer aan hem gebonden te weten,' zei hij met nadruk, 'hij is haar echtgenoot niet, want goede echtgenoten behandelen hun vrouw met eerbied en ontzag! Die zijn vrienden voor hun vrouw en geen dictators en beulen!'
Applaus brak opnieuw los en hield minutenlang aan. Na voor de eerste keer zijn zegen te hebben gegeven, trok hij zich terug.
De kroning schafte Joannes af, de opgepoetste tiara ging voorgoed de (museum-)kast in, de staf ook en de pontificale kroningsmis was een stuk minder pontificaal en zou van nu af aan "bevestigingsplechtigheid" heten. Mijtertje-op-mijtertje-af, kalotje-op-kalotje-af was er niet meer bij. Hij handhaafde echter, net als de vorige Joannes, de draagstoel, omdat de mensen er recht op hadden hem te zien. Maar voor hem hoefde die niet, hij had daar absoluut geen behoefte aan.
En zo begon hij Joannes XXIV te worden, genoemd naar de man die hij zo bewonderd had en waarvan hij het met vele, vele gelovigen zo betreurd had dat die niet opgevolgd was door iemand die de deuren en ramen verder durfde laten doortochten in de katholieke kerk.
Naar Deel 2
| home | boeknpl | trefwrdn | links | reageren? | engls/dts | aan studntn | oproepn | colum |
VAN INA MIJLING