Die sprookjes over hemel en zo zijn verzonnen om mensen met een kluitje in het riet te sturen,

Catharina Mijling: www.path-of-wisdom.com

home | boekenplank | links | reageren?| aan studenten | ikzoek | colum | copyright | mijn boek

 

HEMEL? NIKS HEMEL!

Die sprookjes over hemel en zo zijn verzonnen om mensen met een kluitje in het riet te sturen, omdat de religies op dit terrein eigenlijk geen antwoord hadden/hebben waar mensen mee vèrder konden.

 

Inhoud: Sprookjes.  Mijn verhaal. Vader. Oma. Woppie. Vriendin. Broer Piet. Mijn moeder.

 

SPROOKJES

Ik denk dat we alle sprookjes die over het hiernamaals verteld zijn nu maar eens overboord moeten gooien. Er klopt namelijk niets van.

Die sprookjes zijn verzonnen om mensen met een kluitje in het riet te sturen, omdat de religies op dit terrein eigenlijk geen antwoord hadden/hebben waar mensen mee verder konden. WAAR MENSEN MEE VERDER KONDEN. Uit de sprookjes die de religies vertellen blijkt hun beperktheid. Uit die sprookjes blijkt de beperktheid van de verkondigers, en zelfs de beperktheid in menszijn van de profeten en messiassen die die religies begonnen. Ook blijkt uit wat Jc allemaal zei over de vader en zo en over 'wie mij volgt zal het eeuwige leven hebben' zijn beperktheid als mens.

We mogen het hem niet kwalijk nemen: hij had (waarschijnlijk, maar dat is tegen de natuurwet dat je altijd iemand krijgt waar je als mens mee verder kan!)(dus misschien heeft hij toch planken voor de kop willen houden!)(puntjepuntjepuntje...) niemand waar hij zelf wat van leren kon. Hij had een weg gevonden om mensen te genezen. Deze weg werd en wordt altijd gebruikt om te bewijzen dat Jezus 'van god', DE redder en verlosser was en zo. Diezelfde weg echter wordt nu veel gebruikt in allerlei therapieën. Dat genezen wordt hedentendage echter niet 'vader' genoemd, maar 'kosmische energieën'.

Ik weet dat voorspeld is dat er een antichrist zou komen in deze tijd. Dat ben ik niet, zoals mij verweten wordt: ik ben niet tegen Jc, maar ik ben verder, ik ben de volgende stap na Jc. Zoals iedereen die volstrekt eerlijk en kritisch leeft de volgende stap na Jezus IS.

Over andere profeten heb ik het maar niet, want die waren nog beperkter dan JC. Als je dit boek uit hebt en, waar ik op stá: hebt gecontroleerd in eigen lijf en leven, kun je aan de hand van de na-de-dood-fantasieën van religies hun beperktheid (h)erkennen. In welke religie je ook bent opgevoed.

Ik doe mijn verhalen aan de hand van eigen ervaringen, van dingen dus die ik gezien en gevoeld heb en niet gevoeld vanuit sentimentaliteit en dweperigheid en angst, maar als weten vanuit volgende stappen in de revolutie die ik nog dagin daguit zet. Je kunt ook zeggen: ik leef vanuit natuurwetten. Vaak gebeurden die ervaringen op momenten dat ik met heel andere dingen bezig was.

 

Mijn verhaal

Ik zal eerst iets over mijzelf vertellen om de betrouwbaarheid van mijn verhalen te ondersteunen.

Ik ben katholiek opgevoed. Van heel jong af had ik mijzelf emotioneel vastgeklonken aan het christendom. Dat christendom leerde dat je in de hemel kwam als je maar braaf genoeg leefde. Wat 'braaf' was leerde die religie aan de hand van wat men meende te kunnen uitleggen van wat Jc gezegd en gedaan zou hebben. Maar ook uit het OT en de handelingen van de apostelen en de overgeleverde tradities.

Maar: wat JC zei en deed was onhaalbaar voor gewone mensen (leerde men) en ook het voorbeeld van Maria, die zonder zonde geboren was, was onhaalbaar. Toch werden zij als idealen ons voorgeschoteld. Voel je de kneep van emotionele manipulatie en beschadiging en ziekmaken?

En ook: als je die idealen niet haalde, lag het helemaal aan jou: zonde. Het christendom had zorgvuldig uitgeplozen wat zonde was. Om je echter te troosten en jou hoop te geven waren zowel Jc als Maria helpers en voorspraken bij god: afschuifsysteem.

Bleef het feit dat die idealen onhaalbaar bleken en dat je dus dagin daguit zondig was. Dat was een zeer onzekere factor: zou je nou wel of niet in de hemel mogen? In de katholieke kerk hadden ze daar nog een oplossing bij gevonden: de biecht en de daarbij opgelegde penitentie, een klein of iets groter strafje in de vorm van een paar gebedjes of zo. Dan waren je zonden vergeven en kon je op dat moment in de hemel komen als je plotseling zou sterven: kruidenierspolitiek. Alleen al het feit dat die god of Jc jou iets kon vergeven was een afschuifsysteem.

Ze hadden echter toch nog iets waar ze niet goed raad mee wisten: als jouw zonden je vergeven waren, was je je straf nog niet kwijt verkondigden ze, zonder het gecontroleerd te hebben. Zoals ze alles zomaar verkondigden zonder het te controleren.Wat een onzin allemaal, maar het werd ons zo voorgeschoteld. Welnu: daarvoor vond Men de aflaten uit: je moest een gebed of serie gebeden doen, of een of andere noveen houden, of een bedevaart en dan werd jou de straf ook kwijtgescholden: alweer kruidenierspolitiek. Zo hing ons leven van afschuifsystemen en kruidenierspolitiek aan elkaar en ikzelf zat daar emotioneel helemaal in. Ik heb wat novenen gehouden en heel wat aflaten verdiend…

Als ik zeg: 'emotioneel' dan bedoel ik met het hele lichaam, want voelen doe je met je hele lichaam. De gang van zaken was eigenlijk een spiraal: jou werd een ideaal voorgeschoteld en afgedwongen met

  1. beloning bij streven naar dat ideaal en
  2. straffen tot zeer strenge straffen bij het in gebreke blijven.

Je ging dus steeds weer opnieuw je best doen en dwong je lichaam, je gevoel dus in de richting van wat jou geleerd werd. Omdat je steeds weer faalde, 'zondigde', kreeg je andere gevoelens in je lijf: die van minderwaardigheid, onmacht, angst voor na de dood, bewondering voor figuren die dat ideaal wel gehaald hadden, enz. Naar die gevoelens hoefde je je lijf niet te dwingen, die ontstonden automatisch als gevolg van die eerdere gevoelens. Dit kun je als gelovige allemaal controleren met je eigen lijf.

Dan kwam er wat verlichting door gebed, een ritueel, een biecht of een goed werk of zo en dat nare viel een beetje weg. Nooit helemaal, want dat kon natuurlijk niet.

Na jaren was je een gelovige robot die helemaal vastgedraaid zat in het geloof. Met lichaam en ziel. Als je niet goed met dingen omgaat, zetten die dingen zich vast in je lichaam of je steekt er teveel energieën in die je zelf nodig hebt of die je aan dingen zou moeten besteden die goed voor jou waren. Dan put je jezelf uit. In beide gevallen maak je jezelf ziek.

Mensen zitten emotioneel vast aan een persoon, bijvoorbeeld als je verplichtingen aan hem of haar hebt; ze zitten vast aan situaties, bijvoorbeeld als je er je geld moet verdienen of als het een groep is die dezelfde doelen nastreeft, dezelfde dingen gelooft enz., of je gezin. En een gezin zit vol emotionele wanorde.

Wie zich ergens aan verbonden voelt, zit emotioneel eraan vast en dat is ziek, verslaafd of hoe je het ook wil noemen.

Zo zat ik ziek te zijn aan de RK Kerk. En ik dacht dat het goed was.

Ik moet even iets anders zeggen: Men is zo gemakkelijk in het zeggen van: 'wat stom! Je kon toch beter weten! Je was er toch zelf bij bij al die dingen!' Vooral in de hulpverlening is Men zo goed in het terugschuiven van alle stommiteiten op de patiënt. Ik noem het patiënt, want iemand die in de war is is dat ook lichamelijk, dus een patiënt.

Maar als je met dingen geïndoctrineerd bent vanaf de conceptie door je hele omgeving, niet alleen door je ouders, dan kom je al voorgeprogrammeerd ter wereld. Dan blijf je te beïnvloeden tot je een robotje bent zoals jouw religie, jouw cultuur dat wil. En blijf in godsnaam (!) de schuld niet meer op de ouders afschuiven! Maar op de religies en de culturen. Dat is de stap die de hulpverlening en de religies móéten zetten! (Tweede Inzicht)

Ik was dus zeer vroom. Wat er in het evangelie stond was letterlijk waar en dat zat stevig in mijn lijf verankerd. Toen kwam de beweging op gang die zei dat het evangelie maar een verhaal was, dat je alles symbolisch moest zien en ik ging daaraan kapot. Heel mijn wereld viel in duigen, alle hoop vervlogen, alle zekerheden weg. Ik kon niet meer eten en slapen en huilde mezelf leeg. Na 4 dagen was ik kilo's afgevallen en diep wanhopig. Allemaal lichamelijk, ben je er nog?

Ik riep de betreffende priester, Frans B. die dat sprookje afgebroken had. Hij hielp mij met déprogrammeren, want dat is het. Ik werd een enthousiaste progressieve katholiek. Logisch: dit leek veel gemakkelijker, minder zwaar en met meer eigen verantwoordelijkheid. Toch bleven 'hoop' en idealen. Maar hoe het nou precies met god zat dat weet men ook in die kringen nog steeds niet. Men is er zelfs trots op dat Men zoekende is, ook 'progressieve' priesters en dominees. En er blijft nog van alles te geloven over. En te troosten en te hopen. Vergevensgezindheid en verdraagzaamheid vieren hoogtij.

Toen kwam Frans Saelman in mijn leven en we zetten samen de volgende stap: niks afschuiven op Jc of wat Men dan god noemt, geen kapstokken, geen afschuifsystemen, geen kruidenierspolitiek, maar helemaal zelf bewust leven en leren uit wat je overkomt. Dan ervaar je God, omdat je het zelf bent. Dan ga je zelf genezen en kun je anderen gaan genezen.

Zo ben ik nu dus bezig. Zo probeer ik andere bewust te maken van hun mogelijkheden en hun onmogelijkheden en de gigantische waarde van ook dat laatste. Zie vooral mijn boek: 'Het Pad der Wijsheid', grote stukken eruit staan hier op Internet.

Vanuit dit leven, zeer kritisch, ging ik van alles inzien wat tegen alle religies inging, omdat het natuurwetten bleken. Ik ging inzien dat de waarheid per moment zwart-wit is: óf je bevordert de Goede Intelligentie óf de slechte, de Kwade.

Een ander verhaal was, dat ik overleden mensen en zelfs dieren begon te zien. Enkele van die verhalen volgen nu.

De eerste was mijn vader.

 

Vader

Mijn vader heb ik 3 keer ervaren/gezien. De eerste keer was op zijn verjaardag: 9 mei 1974. Ik lag met hernia en ineens besefte ik dat hij achter mij stond. Maar ik wist daar geen raad mee, wist niet wat dat betekende. De tweede keer was toen mijn moeder net verhuisd was naar een bejaardentehuis en ons huis voor een deel leeg moest: mijn broer zou er blijven wonen. Mijn man en ik waren in zijn werkkamer en voelden beiden dat vader dáár was. Dat vertelden we elkaar later pas. Logisch ook: hij was een werkezel, zijn werk was bovendien zijn hobby en zijn talenten Dat kamertje was zijn huis.

Ik sta niet alleen met dit gevoel. Het gros van de mensen met een dierbare overledene ervaren hem of haar dagelijks om zich heen op allerlei manieren. Dat is een vorm van zien. Veel mensen beseffen niet dàt ze zo iemand zien. Ze denken dat het verbeelding is. Dat is alweer iets wat de religies ons hadden moeten leren: dat je gevoelens dat je vader of je vrouw of kind bij jou in huis is juist zijn. Niks hemel of hel...

De derde keer was een paar jaar later en dat ging heel vreemd: ik zette een plaat op: "Hamburger Concerto" en ineens klonk er een klagelijk gezang doorheen, waarbij ik onmiddellijk aan mijn vader dacht, al was het zijn stem niet. Ik pakte mezelf terug: "geen projecties! Nuchter blijven!" en zette de plaat zacht om te horen of het geluid ergens anders vandaan kwam. Dat was niet het geval. Ik zette de plaat harder en daar was het weer. Heel treurig. Die middag belde ik mijn zus op en zij vertelde mij, nog vóór ik haar mijn verhaal vertelde, dat juist op dat moment ons huis in B. verkocht was. Hij was zijn eigen kamer kwijt. Waar je emotioneel/lichamelijk aan vastzit, daar zit je na je dood ook aan vast. Dat is toch logisch!

Dat gevoel wat ik toen had ben ik nooit meer kwijtgeraakt, dat gevoel van: als een dode zó treurt omdat hij de plek kwijt is waar hij emotioneel aan gebonden was, waar zit hij dan daarna? En waar moet je heen als je dat alsnog kwijtraakt?

 

Oma

De tweede was mijn oma.

Door de VOS-cursussen en alles wat ik in andere vrouwengroepen mezelf bewust werd, kwam ik soms in een crisis. Toen ook weer.

We hadden nabespreking en ik raakte ineens helemaal van de kook: huilen. 'Toe maar', zei mijn vriendin, 'gooi alles er maar uit, wat wil je het liefste doen?' 'Schreeuwen', zei ik huilend. 'Schreeuw maar.' 'Maar de buren', zei ik weer. 'Niks mee te maken, en die zijn hier wel wat gewend!'

Ik boog voorover en begon te schreeuwen. Mijn vriendin ging intuïtief dwars over mij heen liggen, alsof ze een citroen uit wou persen. Wat werkte dat goed! Dat was nog in de tijd dat de vrouwenbeweging met haarzelf als MENSEN bezig was.

Na korte tijd zakte de huilbui weg en ik kwam weer overeind.' Wat zie je?' vroeg mijn vriendin. 'Mijn grootmoeder', antwoordde ik. 'En wat zegt ze.' 'Dat ik zo door moet gaan (met bewust en kritisch leven) en dat dat goed is voor haar (en ineens stond de kamer vol voormoeders) en al mijn voormoeders!'

Terwijl ik dit schrijf, krijg ik weer die bijzondere rillingen 

 

Woppie

De derde verschijning was Woppie.

Woppie was ons eerste konijntje, een handje vol wit bont met een zwart neusje: een brandneusje. Ze was al 10 en had van de dierenarts antibiotica gekregen voor een ontsteking aan haar oog. Vanaf het eerste moment dat ik haar dat gaf, had ik het gevoel dat ik haar beton gaf. Ze wilde het ook niet, maar ze kon geen kant op: ik dwong haar en ik redeneerde mijn gevoel weg. Vanaf dat moment kon ze niet meer poepen en korte tijd later: niet meer eten. Ik liep de dierenarts plat, maar die kon niets doen, zag ook niets verdachts, dacht dat ze een ontsteking aan de baarmoeder had.

5 Dagen later vluchtten mijn man en ik met haar naar de universiteit. Ze was helemaal uitgedroogd en haar darmen zaten vol. Ze deden wat ze konden, maar twee dagen later, op zondag, stierf ze onderweg in de tas waarin we haar vervoerden naar de universiteit voor een nieuwe stoot vocht via een infuus.

We kregen daar alle gelegenheid om te huilen en afscheid van haar te nemen. Ze was ruim 10 geworden en hoe langer een geschiedenis met iets of iemand of een dier of mens, hoe meer verdriet je hebt bij het afscheid. Dat komt omdat je lijf dan voller zit.

 Weer thuis en een paar uur later. Mijn man was in de keuken bezig, met koffie of zoiets. Ik zat treurig op de bank. Ineens zag ik Woppie zitten, op haar lievelingsplekje onder het salontafeltje. Ze was zeker drie keer zo groot! Toen het tot me doordrong dat ik haar echt zag zitten, wilde ik mijn man roepen om te komen kijken, maar ik wist meteen dat het alleen voor mij bedoeld was. Ik had ook de indruk dat ze toestemming had van een vrouwelijk wezen om te verschijnen aan mij, om mij te troosten en mijn wroeging van me af te nemen.

Op het moment dat tot me doordrong dat ze er echt zat, hoorde ik woorden in mij, háár woorden, dat weet ik zeker!: "Ik ben gelukkig, ik ben een stapje verder!" Op het moment dat het tot me doorgedrongen was dat ze dat echt tegen me gezegd had, verdween ze.

Ik was gelukkig met haar komst, maar ik heb toch lange tijd nodig gehad om die wroeging af te leven... Vergeven-worden is niet voldoende...

 

Vriendin

Het verhaal over mijn vriendin Zuster Myriam Therese, voortaan Myriam genoemd, is een heel verhaal. Ik zat op de kweekschool. Zo heette de opleiding voor onderwijzeres toen. Ik was in mijn tienertijd en vond dat ik het thuis heel slecht had met een moeder die niks lief was en een vader die een dictator was en broertjes die me toen nog pestten, me in de hoek drukten. En al die ruzies, die constante spanningen...

We kregen in december van het eerste jaar een non in de klas. Ze kwam achter mij zitten. Ze heeft me later wel eens toevertrouwd dat ze het vreselijk vond dat ze onderwijzeres moest worden, maar dat ze het volhield in de hoop dat ze dan naar de missie mocht. Voel je de dwang en de 'troost' die ze zichzelf toestond? Ik raakte met haar bevriend, praatte veel over mijn problemen thuis. Ze was zo lief voor me. Dan zat ik weer ergens mee en schreef dat op een briefje, schoof het achter mijn rug op haar bank. Een tijdje later voelde ik een vingerprikje in mijn rug, stak mijn hand naar achter en kreeg een briefje terug... Ik heb ze heel lang bewaard, ze waren me zo dierbaar. Ik weet niet hoe ik ze kwijtgeraakt kan zijn...

Ze vond altijd een stiekem plekje in het grote gebouwencomplex en stal steeds een momentje voor mij, als ik het weer eens niet zag zitten. Ze was niet alleen voor mij een praatpaal, maar voor meer meiden uit onze en andere klassen. Daar kreeg ze wel eens voor op haar donder van moeder overste, omdat het begeleiden van studentes haar teveel tijd kostte en het werk was van onze lerares psychologie. Dan liet ze de anderen 'vallen', maar mij nooit... We hielden zo veel van elkaar... We konden ook zo lachen.

Eens had ze weer bij 'moeder' moeten komen en ik zie haar nog lopen daarna: tranen in haar ogen, maar wel de neus in de wind. Stom: zo'n klooster, waar je gehoorzamen moet en niet je eigen gevoel kunt volgen. Mij echter heeft ze niet laten vallen. De anderen wel. En ik vermoed dat ze tot het examen die anderen ook niet meer heeft begeleid. Toen we allebei geslaagd waren, heb ik nog wel eens gepoogd om haar op te zoeken, maar ik kreeg haar niet te pakken. Ik had sterk het gevoel dat ik bij haar weggehouden werd: vriendschappen mochten immers niet voor nonnen...

Ik heb haar slechts één keer toevallig ontmoet: ik was wezen solliciteren en stapte de bus uit die zij net instapte...

Een heel jaar heb ik geprobeerd...

Ik kwam in het ziekenhuis, voor de eerste longoperatie. Mijn man, toen nog verloofde, bracht op 'n dag een krantenknipsel mee: mijn vriendin was weg, naar de missie. God wat had ik een verdriet en wat was ik woest!

Weer thuis ben ik gaan schrijven. Dat waren al spoedig geen babbelbrieven meer: ik was nou eenmaal een filosoofje. Ik kwam ook met heel persoonlijke dingen. Af en toe MOCHT ze terugschrijven. Dikwijls zei ze dan bij wijze van waarschuwing dat mijn brieven gelezen werden door haar overste: censuur. Dat wist ik best, maar ik had niets te verbergen.

Toen ze de eerste keer op verlof kwam, bracht ze een paar uur bij mij door. Ik was inmiddels getrouwd. En ik heb haar er altijd van verdacht dat ze me stiekem kwam opzoeken: haar zus woonde in onze stad en daar logeerde ze een paar dagen...

Ik bleef schrijven, kwam in mijn veranderingsproces, gevolgd door het feminisme en liet haar meeleven met mijn ontwikkeling. Ze schrok nogal eens van mijn brieven, zei ze eens toen ze op verlof was, maar zag dan later in dat ik gelijk had. Ze was zo eerlijk! Ze had veel aan mijn geschrijf, en gebruikte, wat ze nu zelf verwerkte door mij, voor haar leerlingen. Alhoewel gehandicapt, werden die vrouwen geëmancipeerder dan andere vrouwen van dat land... Ook als ze al wijd en breed uit het doven-instituut weg waren, bleven ze contact met haar houden, advies aan haar vragen... Ze had het heel druk met corresponderen.

 

Bij het laatste bezoek aan Nederland vóór haar pensioen, had ik haar opgehaald uit B. en weer teruggebracht. Ik zette haar af aan de achterkant van het klooster. Daar was een plantsoentje met een achterpoort naar de kloostertuin. Ik stond met de auto langs de stoeprand op een plaats waar ik niet stil mocht staan. Ik kon dus onmogelijk uitstappen, heb in de auto afscheid genomen... Ze liep van me weg... De motor ronkte zachtjes. Het was stralend weer, hoogzomer. Midden in dat plantsoen stond ze stil, keerde zich om, keek zó lief... zwaaide. Ik zwaaide terug en ineens wist ik dat ik haar nooit meer terug zou zien... Ik verklaarde mezelf voor gek: over een paar jaar zou ze voorgoed naar Nederland komen en dan konden we samen op vakantie en eens helemaal goed bijpraten. Er was geen enkele reden om zo te doemdenken...

Maar dat beeld heb ik van haar nog steeds, zo lief als ze keek...

 

Toen kwam ik op een punt waarop ik wilde gaan scheiden. Totdantoe had ik nooit iets over mijn huwelijksproblemen gezegd of geschreven. Wat ik erover schreef was in het algemeen. Eigenlijk geen wonder dat ze zo schrok en zo reageerde zoals ze deed, zie ik nu ineens: ze had die verhalen niet toegepast op mijn huwelijk/gezin... Maar nu móést ik het haar wel schrijven: ik kon niet zomaar plotsklaps gescheiden zijn, zonder dat ze het wist.

Ze schreef kwaad terug: als zij getrouwd was, zou ze altijd de minste zijn. Toen heb ik haar geschreven dat ze dan nu vol reuma zou zitten of die hele rij huisvrouwen-kwalen zou hebben; dat ze reageerde vanuit ideeën, vanuit idealen over huwelijk en gezin, die ten koste gingen van vrouwen; dat ze geen ervaring had; dat ervaring vóór wetenschap, vóór ideeën, idealen gaat; dat mijn ervaringen dezelfde waren als die van miljarden andere vrouwen; dat het huwelijk zo in elkaar zat, ook bij ons.

Ik schreef over mijn moeder: dat ik haar begreep en blij met haar was; dat ze een góéde moeder was geweest; dat ik er 'fout' aan had gedaan me indertijd zo te beklagen; dat we daarover zouden moeten praten als ze naar Nederland kwam. Het was tóén wel goed, omdat we allebei niet anders wisten en konden, maar we moesten dat nú bespreken met elkaar. Schrijven was te ingewikkeld...

Toen heeft ze me afgeschreven... Ik heb nog verscheidene keren geprobeerd... Kreeg helemaal geen antwoord meer. Hoe kon ze mij, iemand waar ze van hield, die van haar hield, nou zó plotseling, zó definitief afschrijven? Ik besefte al heel lang dat, als ze indertijd geen non was geweest, wij goede vriendinnen zouden zijn gebleven. Misschien waren we wel gaan samenwonen... Erger was: hoe kon ze iemand die duidelijk dingen geleerd had en nog leerde, zo afschrijven?

Na een paar jaar belde ik naar haar klooster, omdat ze inmiddels met pensioen weer in Nederland moest zijn. Ik heb haar nóg eens geschreven, geen antwoord. In '93 op haar verjaardag (mijn man en ik waren een weekje in Duitsland) heb ik haar de hele dag met me meegedragen, voelde me zo treurig... Thuis schreef ik haar meteen een brief.

Na een paar dagen kreeg ik een envelop met het handschrift en de naam van een andere non en mijn brief... Ik dacht nog gemeen: 'ze heeft iemand anders mij mijn brief terug laten sturen,' maar dat kon niet, want zo was zij niet! In het begeleidende briefje stond dat mijn vriendin al drie maanden dood was!

Ik heb veel gehuild, was kwaad, begreep niet waarom ze me niet geroepen had toen ze ziek bleek te zijn, ze wíst dat ik kon genezen. Ik was verdrietig, ook omdat we dingen niet recht hadden kunnen zetten. Ik had zo gehoopt dat ik alles met haar had kunnen doorpraten, al wist ik wel dat ze dan waarschijnlijk het klooster uitgegaan zou zijn... Ik verwacht nog altijd van volwassen mensen dat ze de onderste steen boven willen hebben, dat ze kost wat kost de waarheid willen weten. Waarom durven mensen dat niet? Ik wéét wat angst is om zekerheden los te moeten laten, angst voor de reacties van anderen en veel mensen rondom mij kennen die angst... Waarom durf ik wel en anderen niet?

Ik vond het vreselijk dat ze zó dood was gegaan: als een non, met al dat gehoorzamen wat ze had gedaan, met al dat bidden, die plichten, kloosterregels, die idealen, dat uitsloven en zo... Dat niet-dingen-willen-leren, grenzen-trekken… Hoe zat ze nú? Na dit leven? En wat kon ze ermee?

Al spoedig had ik af en toe het gevoel dat ze bij me was, maar ik wilde me niks inbeelden, dus schonk ik er geen aandacht aan. Intussen liep ik dikwijls te huilen en in de war te zijn.

 

Op een gegeven moment was ik achter mijn computer ingespannen met mijn boek bezig en ik voelde haar plotseling zó duidelijk, bijna opdringerig: ik móést haar wel gewaar worden. Ik begon weer te huilen en zette mijn computer op nul. Ik wist dat ze rechts van me stond, naast de boekenkast. Ze droeg kloosterkleren, die ze allang niet meer gedragen had, zwart met een sluier. Ze keek niet gelukkig. Ze leek verrast over mijn verdriet. "Je moet niet zo verdrietig zijn Ien," kwamen de woorden in mijn hoofd, "ik heb hier voor gekozen, ik heb het zelf zo gewild!"

Ik was zo blij haar te 'zien', maar anderzijds ook in de war. Ze bedoelde dat ze gekozen had voor deze manier van leven en dus ook van sterven. Ik wist zo gauw niks terug te zeggen, te vragen. 'Ik zal zorgen dat je boek uitgegeven wordt.' zei ze nog. Toen was ze weg.

Ik had wel het gevoel dat ze nog een heel eind te gaan had. Dat had niet gehoeven als we dingen hadden kunnen doorpraten, uitwerken. Dan was ze niet ziek geworden en had nu nog lekker geleefd... Maar ik was nog steeds verdrietig, dat moet er toch uitgeleefd worden. Het hielp niet dat ze het zei. Wel hielp het dat ik besefte dat ze zorg om me had, me niet vergeten was, nog van mijn hield...

Maar mijn vraag bleef, waarom ze me niet geroepen had. De consequenties besefte ze natuurlijk net zo goed als ik. En die kon ze niet aan, omdat ze er nog niets anders voor in de plaats kende, laat staan dat ze dat andere wàs. Daardoor werd ze na haar dood met die consequenties geconfronteerd, toen er niets meer te veranderen viel, zo zonder lichaam. Het enige wat ik eraan kon doen was: dit bekend maken en dat heb ik toen ook gedaan, zodat dingen die door haar gehoorzaamheid, idealisme en vroomheid verkeerd waren gegaan, rechtgezet konden worden door al degenen met wie ze te maken had gehad. Als die wilden/durfden tenminste...

Ik heb na haar verschijning geschreven aan de zuster die mij geschreven had met de brief van Myriam. Myriam zelf had mij de boodschap doorgegeven: 'je moet naar mijn klooster gaan!' Om te proberen de nonnen daar een ander zicht te geven op hoe een mens hoort te leven: bewust en kritisch, en zich onafhankelijk makend van àlles en iedereen!

Ik ben er heen geweest, naar dat klooster. Ik heb alle ruimte gekregen om te huilen als dat zo uitkwam. Ze waren erg lief voor me. 'Ze is gestorven aan een te groot hart,' zeiden ze. De zuster met wie ik sprak zei: 'ze had een groot hart, stond voor iedereen klaar. Ik weet niet of een te groot hart iets te maken heeft met een groot hart?' Ik antwoordde: 'reken daar maar op, dat is wel zeker!' Ik ben op haar kamer geweest, waar nu een andere zuster woonde, maar ik voelde dat zij daar ook nog was... Ze zat ineengedoken op het hoofdkussen, maar ik wist niet wat ik moest doen. Dat hele klooster hing trouwens vol nonnengeesten…

Dat ik probeerde de zusters een ander zicht op na de dood te geven was vergeefse moeite: Men had geen oor naar mij, sprak steeds over: 'Myriam zou nu vast wel in de hemel zijn…' terwijl ze daar zat: op haar vroegere bed…

Ik besprak dit met iemand en laat dat verhaal volgen. Uit: JOANNES XXIV

'Waarom ben je tóén niet naar haar toe gegaan Ina?'

'Ik durfde niet,' bekende ik, verschrikt door die onverwachte vraag.

'Waarom durfde je niet?'

Daar moest ik over nadenken: ik had vaak op het punt gestaan er heen te gaan, naar haar te vragen, haar op te bellen… En ik begon me te schamen, vertelde hem dat ook: ik had niet gedurfd omdat ik bang was, bang voor ruzie, bang om de deur gewezen te worden.

'Dan is het mede dank zij jouw angst dat…'

'O God o God!' En ik borg mijn hoofd in mijn handen, was kwaad op mezelf, wroeging verlamde me. Maar hij had weer zo gelijk: als ze me had gezien, had ze misschien wel opengestaan. Ik had tenminste iets kunnen zeggen, wat beter was geweest dan dat gestuntel met brieven. Ojee: 'wat een schuld kan een mens op zich laden!'

Hij legde zijn hand zwaar in mijn nek:

'Je hoeft jezelf niets te verwijten Ina: zelfs dit hoorde erbij: dat je bang was. Het heeft zo moeten lopen. Het heeft zo gemóéten!'

Hij nam mijn handen voor mijn gezicht weg, draaide mijn wat onwillige hoofd naar zich toe en zei:

'Je moet me aankijken Ina (wat ik met enige tegenzin deed, bang voor een veroordeling, voelde zijn bijkans zwarte in mijn tegenstribbelende ogen kijken): 'spinnenwebbenvrouwtje,' glimlachte hij.

'Dat jij nog kan glimlachten!' riep ik uit, 'en een grapje maken! Het gaat over een mensenleven!' Meteen werd hij ernstig. 'En ik wil niet meer dat je me spinnenwebbenvrouwtje noemt! Ik ben een volwassen vrouw die met serieuzer dingen bezig is dan spinnenwebben in haar kop breien!'

'Je hebt gelijk Ina: het is te ernstig. En ik zal je niet meer zo noemen. Het zijn geen hersenspinsels van je. Ik bedoel het ook alleen maar als vergelijking met jouw in-de-knoop-zitten!

Maar ik wou je dit zeggen: je hebt herhaaldelijk, in elk geval schriftelijk, geprobeerd contact met haar te maken. Dat wilde ze duidelijk niet. Maar vooral: ze heeft jou gezegd bij haar verschijning: "ik heb dit zelf zo gewild, ik heb hier voor gekozen!" Daarmee nam ze de hele verantwoording op zich!'

Opgelucht keek ik hem aan. Voelde een last van mij afglijden, een last waar ik me niet bewust van was geweest…

We zaten zwijgend bij elkaar. De wroeging was van me afgevallen, ik voelde me vredig, ondanks het verdriet.

Ineens zei hij:

'Je hebt zoveel voor haar betekend en dóór haar voor anderen, daar is jouw verdriet maar klein bij! En ik zeg net zoiets als toen je me over je vader vertelde: als je toen met haar was gaan samenwonen, had je nooit zóveel voor haar kunnen betekenen, want dan had je de dingen niet geleerd uit te leven die je geleerd hebt. Je had onmogelijk jouw moeder kunnen gaan begrijpen als je niet zelf getrouwd was geweest!' zei hij met nadruk op elke lettergreep, 'je had dan dat boek niet kunnen schrijven, had hier nu niet gezeten. Het is goed zo Ina, het is zó goed zo. Huil je verdriet maar uit, dat zit er nou eenmaal, maar je hoeft niet in de war te zijn.' En hij sloeg zijn armen om me heen, liet me op zijn schouder uithuilen.

 

Broer Piet

Mijn broer Piet stierf. Hij was een zeer gelovig man, deed van alles voor en in de kerk, onder andere speelde hij orgel.

Een dag of 3 voor hij overleed, verscheen hij een keer aan mij en zei: 'Je hebt helemaal gelijk Ina! Je hebt helemaal gelijk!' Mijn vriend zei dat hij toen waarschijnlijk even 'weg' was geweest.

Na zijn dood verscheen hij aan mij midden in de nacht. Hij stond met zijn armen wanhopig uitgespreid op zijn eentje helemaal in het hartstikke donker. Mijn kamer is niet donker: ik slaap met de gordijnen open en er is in de buurt veel licht vanuit de achtertuinen uit angst voor inbrekers. Dus dàt donker was het niet.

Ik wist niet zeker of ik hem echt gezien had en vroeg het mijn vriend, een deskundige. Hij vroeg wat ik gezien had, hoe de omgeving van mijn broer eruit zag. 'Hij stond in het donker', zei ik. 'Dan heb je hem echt gezien.'

2 Weken later kwam hij weer. Nu stond hij nog wel helemaal in zijn eentje, maar in een grote grasvlakte. Hij was ook niet meer wanhopig.

Toen schreef ik deze brief aan mijn schoonzusje:

"Verbaas je niet als je het gevoel hebt dat Piet nog bij jou thuis is: dat is heel dikwijls de realiteit: overledenen gaan naar de plek en/of naar de persoon waar ze de sterkste band mee hebben. Hèbben ja, want die band is zomaar niet weg. De religies komen aanzetten met hemel en nirwana enz. Maar dat klopt niet: mensen blijven in de situaties waaraan ze verknocht zijn. 

Veel mensen die een kind, een man, een vrouw verloren hebben waar ze zeer aan gehecht waren, lees: waar ze emotioneel zeer afhankelijk van waren... ervaren duidelijk dat de geest van de dode nog aanwezig is in huis... Dat is de realiteit: de geest blijft bij degene en in de situatie waar hij/zij 'van hield', waar hij/zij dus emotioneel van afhankelijk is.

Bijvoorbeeld: P. en ik hebben indertijd mijn vader ervaren in zijn werkkamer in het huis in Den Bosch. Later gaf hij een treurend signaal via een plaat: 'Hamburger concerto', terwijl op dat moment het huis in Den Bosch verkocht werd: hij moest het huis daardoor verlaten. Ik wist niet dat op dat moment het huis verkocht werd, dus het was niet mijn invloed...

Ik zag mijn eerste konijntje, een paar uur na haar dood. Ze zat drie keer zo groot op haar geliefde plekje onder het salontafeltje: 'ik ben gelukkig,' zei ze mij, 'ik ben een stapje verder...'

Ik zag oma van moeders kant, die een belangrijke boodschap voor mij had: 'je moet zo doorgaan (ze bedoelde: bewust en kritisch leven), dat is ook bevrijdend voor ons', en meteen stond de hele kamer vol voormoeders.

Ik zag kort geleden mijn vriendin Myriam... Wat zat ze daar in het klooster in elkaar gedoken op het bed wat eigenlijk niet meer van haar was... Ze had mij de boodschap doorgegeven: 'je moet naar mijn klooster gaan!' Om de nonnen daar te proberen een ander zicht te geven op hoe een mens hoort te leven: bewust en kritisch, en zich onafhankelijk makend van àlles en iedereen! Maar dat was vergeefse moeite: Men had geen oor naar mij, sprak steeds over: 'Myriam zou nu wel in de hemel zijn...' terwijl ze daar zat: op haar vroegere bed...

Mijn schoonzuster B. voelt nog voortdurend haar man, de oudste broer van Pierre om haar heen. Datzelfde kan ik van anderen vertellen. Zo logisch ook.

Ik moet je zeggen dat ik Piet opnieuw bij me heb gehad, een paar weken geleden, een dag of 15 na zijn dood. Hij wist echter niet hoe hij contact met mij moest maken en ik wist het ook niet. Ik heb hem gezegd dat hij gewoon met mij kon praten, maar dat vatte hij niet. Ik sprak er over met mijn vriend, helderziende, homeopaat, handlijndeskundige, chakra-healer, magnetiseur. Een eerlijk mens. Hij vroeg mij of ik Piet gezien had. In eerste instantie voelde ik nl. zijn aanwezigheid. Maar ik zei toch, ondanks mijn neiging tot ontkenning door voorprogrammering door o.a. de kerk, en om het verbeelding te vinden, dat ik dàcht hem gezien te hebben. Maar mijn vriend vroeg hoe zijn omgeving eruit zag. Ik zei: 'Piet stond in het donker.' Daaraan wist mijn vriend dat ik Piet echt gezien had.

Mijn vriend zei dat ik de volgende keer aan Piet moest zeggen dat hij naar het licht moest gaan. Dat zal ik dan maar doen. Maar misschien heeft hij het inmiddels begrepen.

Vergis je niet: ik ben er niet op uit om met geesten te verkeren: die moeten hun eigen leven leiden/lijden(?) over de grens. Wij moeten er vanaf blijven. En voor mijn genezen heb ik ze niet nodig: ik doe het met mijn eigen energieën.

En: ik genees ook niet door middel van kosmische energieën. Wat ik doe is iets toevoegen aan de kosmos. Wat ik doe is kennelijk nog nieuw. Het is veel meer dan magnetiseren. Vandaar dat ik met mijn eigen energieën ook geesten uit kan drijven. Zowel uit ruimtes als uit mensen. Ik heb daar bewijzen voor.

Lagere geesten willen graag mensen inpikken en veroorzaken dan stemmen in hun hoofd of ze dwingen hen om zichzelf allerlei ellende aan te doen. Zulke mensen zijn vaak heel zachtaardig en gevoelig.

Sommige geesten hebben niet geaccepteerd dat ze dood zijn en blijven vaak eeuwenlang in ruimtes hangen waar ze oorspronkelijk thuishoorden. Ook zo'n geval heb ik verdreven. Dat doe ik op een heel simpele manier en ik hoef er niet eens voor naar zo'n ruimte of persoon toe. Ik vul de persoon of de ruimte met mijn energieën en 'druk' de geest uit de persoon of de ruimte. Een ruimte dicht ik dan helemaal af met mijn energieën, zodat er geen geest meer in kan. Rond de persoon zet ik een soort 'stolp' van mijn energieën, zodat de persoon beschermd wordt. In psychiatrische inrichtingen zou ik veel goed kunnen doen!

Intussen, Grietje heb ik Piet opnieuw gesproken. Hij zit niet meer in het donker en was ook niet meer zo rampzalig uitzichtloos, maar wel heel alleen. En weer: 'jij hebt gelijk Ina!' En ook: 'het spijt me'. Maar dat laatste hoefde van mij niet meer, daar ben ik al mee klaar, fijn voor hèm dus dat hij zover is gekomen. Wel: 'Ik moet nog een heel eind!'"

 

Mijn Moeder

Ik heb mijn moeder niet gezien, terwijl ik dat eigenlijk wel verwachtte nadat ik haar een jaar na haar dood ben gaan begrijpen.

Op een dag zei ik: 'Ik wou je wel eens zien Moeder!' Toen hoorde ik haar stem in mijn binnenste: 'IK BEN ALTIJD BIJ JE!'

Dat vond ik heel logisch.

 

Hemel? Niks hemel!

Nu ik zoveel heb gezien over geesten die tegen mij eerlijk durfden zijn, is voor mij dat idee van: 'als je maar gelovig bent kom je in de hemel' en 'Jezus redt, hij vergeeft je alle zonden en dan kom je bij hem in de hemel' gewoon bedrog die veel slachtoffers maakt.

Ik was bij mijn vriend, helderziende. Die vroeg mij: 'ken je ene Theo?' Ik zei: "dat is mijn zwager die ruim een jaar geleden overleden is" "Hij is hier. Ken je een Mien?" Ik zei dat dat zijn zuster was. "Je moet haar van Theo zeggen dat hij het goed maakt."

Als er één was die zijn vrouw emotioneel zwaar onderdrukt heeft was het Theo wel. Hij was een egoïst met alleen eigenbelang als dringend onderwerp. Hij had mij meer dan eens de mond gesnoerd omdat ik dingen wilde zeggen die verder gingen dan het christendom… Ik kon mij niet voorstellen dat die 'goed aangekomen' was. Ik hoor vaker van dat soort gezegdes over mensen in speciale seances.

Ik geloof die geesten niet meer: niks hemel, niks 'goed aangekomen'… Het is ook niet te controleren. Trouwens: wie bewust leeft, heeft het niet nodig om te weten wat er na de dood is. Geesten die toch menen iets door te moeten geven van hun toestand weten niet wat goed is voor mensen. Geesten die dingen voorspellen, voornamelijk rampen en bedreigingen, weten ook niet wat goed is voor de levenden. Daar kun je beter niet naar luisteren.

Ik ben zelfs bang dat het zó zit: geesten verschijnen aan mensen die op hun "niveau" zitten en wel om hen daar te houden, zodat ze ze later bij zich kunnen hebben. Ik ban bang dat ze dáárom zeggen dat het "goed" met ze gaat of dat ze "goed" aangekomen zijn!

Ook begin ik te vrezen dat gelovigen die na hun dood dus niet in die beloofde hemel komen en die beloofde Jezus niet zien, zichzelf verwijten makend dat ze niet genoeg christen zijn geweest. En DAT is een hel! Terwijl het niet waar is!

@*#*@*#*@*#*@*#*@*#*@

 

zelfmoord: is altijd een grote vraag, want hoe zit dat na de dood? Blijft je geest dan niet hangen in de ellende waarom je zelfmoord gepleegd hebt? Wordt eerst maar eens goed kwaad!

geesten: daar moet je vanaf blijven en er niet naar luisteren

hemel: er is geen hemel

 

Catharina Mijling:  www.path-of-wisdom.com

home | boekenplank | links | reageren?| aan studenten | ikzoek | colum | copyright | mijn boek