|
Die sprookjes over hemel en zo zijn verzonnen om mensen met
een kluitje in het riet te sturen, Catharina Mijling: www.path-of-wisdom.com home |
boekenplank | links | reageren?| aan studenten | ikzoek
| colum
| copyright
| mijn boek |
|
HEMEL? NIKS HEMEL! Die sprookjes over hemel en zo zijn verzonnen om mensen
met een kluitje in het riet te sturen, omdat de religies op dit terrein
eigenlijk geen antwoord hadden/hebben waar mensen mee vèrder konden. Inhoud: Sprookjes. Mijn verhaal. Vader. Oma. Woppie. Vriendin. Broer Piet. Mijn moeder. SPROOKJES Ik denk dat we alle sprookjes die over het hiernamaals
verteld zijn nu maar eens overboord moeten gooien. Er klopt namelijk niets
van. Die sprookjes zijn verzonnen om mensen met een kluitje in
het riet te sturen, omdat de religies op dit terrein eigenlijk geen
antwoord hadden/hebben waar mensen mee verder konden. WAAR MENSEN MEE
VERDER KONDEN. Uit de sprookjes die de religies vertellen blijkt hun
beperktheid. Uit die sprookjes blijkt de beperktheid van de verkondigers, en
zelfs de beperktheid in menszijn van de profeten
en messiassen die die religies begonnen. Ook
blijkt uit wat Jc allemaal zei over de vader en zo
en over 'wie mij volgt zal het eeuwige leven hebben' zijn beperktheid als
mens. We mogen het hem niet kwalijk nemen: hij had
(waarschijnlijk, maar dat is tegen de natuurwet dat je altijd iemand
krijgt waar je als mens mee verder kan!)(dus
misschien heeft hij toch planken voor de kop willen houden!)(puntjepuntjepuntje...) niemand waar hij zelf wat van
leren kon. Hij had een weg gevonden om mensen te genezen. Deze weg werd en
wordt altijd gebruikt om te bewijzen dat Jezus 'van god', DE redder en verlosser
was en zo. Diezelfde weg echter wordt nu veel gebruikt in allerlei
therapieën. Dat genezen wordt hedentendage echter
niet 'vader' genoemd, maar 'kosmische energieën'. Ik weet dat voorspeld is
dat er een antichrist zou komen in deze tijd. Dat ben ik niet, zoals mij
verweten wordt: ik ben niet tegen Jc, maar ik ben
verder, ik ben de volgende stap na Jc. Zoals iedereen die volstrekt eerlijk en kritisch leeft de
volgende stap na Jezus IS. Over andere profeten heb
ik het maar niet, want die waren nog beperkter dan JC. Als je dit boek uit
hebt en, waar ik op stá: hebt gecontroleerd in
eigen lijf en leven, kun je aan de hand van de na-de-dood-fantasieën
van religies hun beperktheid (h)erkennen. In welke religie je ook bent
opgevoed. Ik doe mijn verhalen aan
de hand van eigen ervaringen, van dingen dus die ik gezien en gevoeld heb en
niet gevoeld vanuit sentimentaliteit en dweperigheid en angst, maar als weten
vanuit volgende stappen in de revolutie die ik nog dagin daguit zet. Je kunt
ook zeggen: ik leef vanuit natuurwetten. Vaak gebeurden die ervaringen op
momenten dat ik met heel andere dingen bezig was. Mijn verhaal Ik zal eerst iets over
mijzelf vertellen om de betrouwbaarheid van mijn verhalen te ondersteunen. Ik ben katholiek
opgevoed. Van heel jong af had ik mijzelf emotioneel vastgeklonken aan het
christendom. Dat christendom leerde dat je in de hemel kwam als je maar braaf
genoeg leefde. Wat 'braaf' was leerde die religie aan de hand van wat men
meende te kunnen uitleggen van wat Jc gezegd en
gedaan zou hebben. Maar ook uit het OT en de handelingen van de apostelen en
de overgeleverde tradities. Maar: wat JC zei en deed was onhaalbaar voor gewone mensen (leerde men) en ook het
voorbeeld van Maria, die zonder zonde geboren was, was onhaalbaar. Toch werden
zij als idealen ons voorgeschoteld. Voel je de kneep van emotionele
manipulatie en beschadiging en ziekmaken? En ook: als je die
idealen niet haalde, lag het helemaal aan jou: zonde. Het christendom had zorgvuldig uitgeplozen wat zonde was.
Om je echter te troosten en jou hoop te geven waren zowel Jc
als Maria helpers en voorspraken bij god: afschuifsysteem. Bleef het feit dat die
idealen onhaalbaar bleken en dat je dus dagin daguit zondig was. Dat was een
zeer onzekere factor: zou je nou wel of niet in de hemel mogen? In de
katholieke kerk hadden ze daar nog een oplossing bij gevonden: de biecht en
de daarbij opgelegde penitentie, een klein of iets groter strafje
in de vorm van een paar gebedjes of zo. Dan waren je zonden vergeven en kon
je op dat moment in de hemel komen als je plotseling zou sterven:
kruidenierspolitiek. Alleen al het feit dat die god of Jc
jou iets kon vergeven was een afschuifsysteem. Ze hadden echter toch nog
iets waar ze niet goed raad mee wisten: als jouw zonden je vergeven waren,
was je je straf nog niet kwijt verkondigden ze, zonder het gecontroleerd te
hebben. Zoals ze alles zomaar verkondigden zonder het te controleren.Wat
een onzin allemaal, maar het werd ons zo voorgeschoteld. Welnu: daarvoor vond
Men de aflaten uit: je moest een gebed of serie gebeden doen, of een of
andere noveen houden, of een bedevaart en dan werd jou de straf ook
kwijtgescholden: alweer kruidenierspolitiek. Zo hing ons leven van
afschuifsystemen en kruidenierspolitiek aan elkaar en ikzelf zat daar emotioneel
helemaal in. Ik heb wat novenen gehouden en heel wat aflaten verdiend… Als ik zeg: 'emotioneel'
dan bedoel ik met het hele lichaam, want voelen doe je met je hele
lichaam. De gang van zaken was eigenlijk een spiraal: jou werd een ideaal
voorgeschoteld en afgedwongen met
Je ging dus steeds weer
opnieuw je best doen en dwong je lichaam, je gevoel dus in de richting van
wat jou geleerd werd. Omdat je steeds weer faalde, 'zondigde', kreeg je
andere gevoelens in je lijf: die van minderwaardigheid, onmacht, angst voor
na de dood, bewondering voor figuren die dat ideaal wel gehaald hadden, enz.
Naar die gevoelens hoefde je je lijf niet te dwingen, die ontstonden
automatisch als gevolg van die eerdere gevoelens. Dit kun je als gelovige
allemaal controleren met je eigen lijf. Dan kwam er wat
verlichting door gebed, een ritueel, een biecht of een goed werk of zo en dat
nare viel een beetje weg. Nooit helemaal, want dat kon natuurlijk niet. Na jaren was je een
gelovige robot die helemaal vastgedraaid zat in het geloof. Met lichaam en
ziel. Als je niet goed met dingen omgaat, zetten die dingen zich vast in
je lichaam of je steekt er teveel energieën in die je zelf nodig hebt of die
je aan dingen zou moeten besteden die goed voor jou waren. Dan put je
jezelf uit. In beide gevallen maak je jezelf ziek. Mensen zitten emotioneel
vast aan een persoon, bijvoorbeeld als je verplichtingen aan hem of haar
hebt; ze zitten vast aan situaties, bijvoorbeeld als je er je geld moet
verdienen of als het een groep is die dezelfde doelen nastreeft, dezelfde
dingen gelooft enz., of je gezin. En een gezin zit vol emotionele wanorde. Wie zich ergens aan
verbonden voelt, zit emotioneel eraan vast en dat is ziek, verslaafd of hoe
je het ook wil noemen. Zo zat ik ziek te zijn
aan de RK Kerk. En ik dacht dat het goed was. Ik moet even iets anders
zeggen: Men is zo gemakkelijk in het zeggen van: 'wat stom! Je kon toch beter
weten! Je was er toch zelf bij bij al die dingen!' Vooral in de hulpverlening
is Men zo goed in het terugschuiven van alle stommiteiten op de patiënt. Ik
noem het patiënt, want iemand die in de war is is dat ook lichamelijk, dus
een patiënt. Maar als je met dingen
geïndoctrineerd bent vanaf de conceptie door je hele omgeving, niet alleen
door je ouders, dan kom je al voorgeprogrammeerd ter wereld. Dan blijf je
te beïnvloeden tot je een robotje bent zoals jouw religie, jouw cultuur dat
wil. En blijf in godsnaam (!) de schuld niet meer op de ouders afschuiven!
Maar op de religies en de culturen. Dat is de stap die de hulpverlening en de
religies móéten zetten! (Tweede Inzicht) Ik was dus zeer vroom.
Wat er in het evangelie stond was letterlijk waar en dat zat stevig in mijn
lijf verankerd. Toen kwam de beweging op gang die zei dat het evangelie maar
een verhaal was, dat je alles symbolisch moest zien en ik ging daaraan kapot.
Heel mijn wereld viel in duigen, alle hoop vervlogen, alle zekerheden weg. Ik
kon niet meer eten en slapen en huilde mezelf leeg. Na 4 dagen was ik kilo's
afgevallen en diep wanhopig. Allemaal lichamelijk, ben je er nog? Ik riep de betreffende
priester, Frans B. die dat sprookje afgebroken had. Hij hielp mij met déprogrammeren, want dat is het. Ik werd een enthousiaste
progressieve katholiek. Logisch: dit leek veel gemakkelijker, minder zwaar en
met meer eigen verantwoordelijkheid. Toch bleven 'hoop' en idealen. Maar hoe
het nou precies met god zat dat weet men ook in die kringen nog steeds niet. Men
is er zelfs trots op dat Men zoekende is, ook 'progressieve' priesters en
dominees. En er blijft nog van alles te geloven over. En te troosten en te
hopen. Vergevensgezindheid en verdraagzaamheid vieren hoogtij. Toen kwam Frans Saelman
in mijn leven en we zetten samen de volgende stap: niks afschuiven op Jc of wat Men dan god noemt, geen kapstokken, geen
afschuifsystemen, geen kruidenierspolitiek, maar helemaal zelf bewust leven
en leren uit wat je overkomt. Dan ervaar je God, omdat je het zelf bent.
Dan ga je zelf genezen en kun je anderen gaan genezen. Zo ben ik nu dus bezig.
Zo probeer ik andere bewust te maken van hun mogelijkheden en hun
onmogelijkheden en de gigantische waarde van ook dat laatste. Zie vooral mijn
boek: 'Het Pad der Wijsheid', grote stukken eruit staan hier op Internet. Vanuit dit leven, zeer
kritisch, ging ik van alles inzien wat tegen alle religies inging, omdat het
natuurwetten bleken. Ik ging inzien dat de waarheid per moment zwart-wit
is: óf je bevordert de Goede Intelligentie óf de slechte, de Kwade. Een ander verhaal was,
dat ik overleden mensen en zelfs dieren begon te zien. Enkele van die
verhalen volgen nu. De eerste was mijn vader. Vader Mijn vader heb ik 3 keer
ervaren/gezien. De eerste keer was op zijn verjaardag: 9 mei 1974. Ik lag met
hernia en ineens besefte ik dat hij achter mij stond. Maar ik wist daar geen
raad mee, wist niet wat dat betekende. De tweede keer was toen mijn moeder
net verhuisd was naar een bejaardentehuis en ons huis voor een deel leeg
moest: mijn broer zou er blijven wonen. Mijn man en ik waren in zijn
werkkamer en voelden beiden dat vader dáár was. Dat vertelden we elkaar later
pas. Logisch ook: hij was een werkezel, zijn werk was bovendien zijn hobby en
zijn talenten Dat kamertje was zijn huis. Ik sta niet alleen met
dit gevoel. Het gros van de mensen met een dierbare overledene ervaren hem of
haar dagelijks om zich heen op allerlei manieren. Dat is een vorm van zien.
Veel mensen beseffen niet dàt ze zo iemand zien. Ze
denken dat het verbeelding is. Dat is alweer iets wat de religies ons hadden
moeten leren: dat je gevoelens dat je vader of je vrouw of kind bij jou in
huis is juist zijn. Niks hemel of hel... De derde keer was een
paar jaar later en dat ging heel vreemd: ik zette een plaat op: "Hamburger
Concerto" en ineens klonk er een klagelijk gezang doorheen, waarbij ik
onmiddellijk aan mijn vader dacht, al was het zijn stem niet. Ik pakte mezelf
terug: "geen projecties! Nuchter blijven!" en zette de plaat zacht
om te horen of het geluid ergens anders vandaan kwam. Dat was niet het geval.
Ik zette de plaat harder en daar was het weer. Heel treurig. Die middag belde
ik mijn zus op en zij vertelde mij, nog vóór ik haar mijn verhaal vertelde,
dat juist op dat moment ons huis in B. verkocht was. Hij was zijn eigen kamer
kwijt. Waar je emotioneel/lichamelijk aan vastzit, daar zit je na je dood
ook aan vast. Dat is toch logisch! Dat gevoel wat ik toen
had ben ik nooit meer kwijtgeraakt, dat gevoel van: als een dode zó treurt
omdat hij de plek kwijt is waar hij emotioneel aan gebonden was, waar zit hij
dan daarna? En waar moet je heen als je dat alsnog kwijtraakt? Oma De tweede was mijn oma. Door de VOS-cursussen en
alles wat ik in andere vrouwengroepen mezelf bewust werd, kwam ik soms in een
crisis. Toen ook weer. We hadden nabespreking en
ik raakte ineens helemaal van de kook: huilen. 'Toe maar', zei mijn vriendin,
'gooi alles er maar uit, wat wil je het liefste doen?' 'Schreeuwen', zei ik
huilend. 'Schreeuw maar.' 'Maar de buren', zei ik weer. 'Niks mee te maken,
en die zijn hier wel wat gewend!' Ik boog voorover en begon
te schreeuwen. Mijn vriendin ging intuïtief dwars over mij heen liggen, alsof
ze een citroen uit wou persen. Wat werkte dat goed! Dat was nog in de tijd
dat de vrouwenbeweging met haarzelf als MENSEN bezig was. Na korte tijd zakte de
huilbui weg en ik kwam weer overeind.' Wat zie je?' vroeg mijn vriendin.
'Mijn grootmoeder', antwoordde ik. 'En wat zegt ze.' 'Dat ik zo door moet
gaan (met bewust en kritisch leven) en dat dat goed is voor haar (en ineens
stond de kamer vol voormoeders) en al mijn voormoeders!' Terwijl ik dit schrijf,
krijg ik weer die bijzondere rillingen Woppie De derde verschijning was
Woppie. Woppie was ons eerste konijntje, een handje vol wit bont met een
zwart neusje: een brandneusje. Ze was al 10 en had van de dierenarts
antibiotica gekregen voor een ontsteking aan haar oog. Vanaf het eerste
moment dat ik haar dat gaf, had ik het gevoel dat ik haar beton gaf.
Ze wilde het ook niet, maar ze kon geen kant op: ik dwong haar en ik
redeneerde mijn gevoel weg. Vanaf dat moment kon ze niet meer poepen en korte
tijd later: niet meer eten. Ik liep de dierenarts plat, maar die kon niets
doen, zag ook niets verdachts, dacht dat ze een ontsteking aan de baarmoeder
had. 5 Dagen later vluchtten
mijn man en ik met haar naar de universiteit. Ze was helemaal uitgedroogd en
haar darmen zaten vol. Ze deden wat ze konden, maar twee dagen later, op
zondag, stierf ze onderweg in de tas waarin we haar vervoerden naar de
universiteit voor een nieuwe stoot vocht via een infuus. We kregen daar alle
gelegenheid om te huilen en afscheid van haar te nemen. Ze was ruim 10
geworden en hoe langer een geschiedenis met iets of iemand of een dier of
mens, hoe meer verdriet je hebt bij het afscheid. Dat komt omdat je lijf
dan voller zit. Weer thuis en een
paar uur later. Mijn man was in de keuken bezig, met koffie of zoiets. Ik zat
treurig op de bank. Ineens zag ik Woppie zitten, op
haar lievelingsplekje onder het salontafeltje. Ze was zeker drie keer zo
groot! Toen het tot me doordrong dat ik haar echt zag zitten, wilde ik mijn
man roepen om te komen kijken, maar ik wist meteen dat het alleen voor mij
bedoeld was. Ik had ook de indruk dat ze toestemming had van een vrouwelijk
wezen om te verschijnen aan mij, om mij te troosten en mijn wroeging van me
af te nemen. Op het moment dat tot me
doordrong dat ze er echt zat, hoorde ik woorden in mij, háár
woorden, dat weet ik zeker!: "Ik ben gelukkig, ik ben een stapje
verder!" Op het moment dat het tot me doorgedrongen was dat ze
dat echt tegen me gezegd had, verdween ze. Ik was gelukkig met haar
komst, maar ik heb toch lange tijd nodig gehad om die wroeging af te leven...
Vergeven-worden is niet voldoende... Vriendin Het verhaal over mijn
vriendin Zuster Myriam Therese,
voortaan Myriam genoemd, is een heel verhaal. Ik
zat op de kweekschool. Zo heette de opleiding voor onderwijzeres toen. Ik was
in mijn tienertijd en vond dat ik het thuis heel slecht had met een moeder
die niks lief was en een vader die een dictator was en broertjes die me toen
nog pestten, me in de hoek drukten. En al die ruzies, die constante
spanningen... We kregen in december van
het eerste jaar een non in de klas. Ze kwam achter mij zitten. Ze heeft me
later wel eens toevertrouwd dat ze het vreselijk vond dat ze onderwijzeres
moest worden, maar dat ze het volhield in de hoop dat ze dan naar de missie
mocht. Voel je de dwang en de 'troost' die ze zichzelf toestond? Ik raakte
met haar bevriend, praatte veel over mijn problemen thuis. Ze was zo lief
voor me. Dan zat ik weer ergens mee en schreef dat op een briefje, schoof het
achter mijn rug op haar bank. Een tijdje later voelde ik een vingerprikje in
mijn rug, stak mijn hand naar achter en kreeg een briefje terug... Ik heb ze
heel lang bewaard, ze waren me zo dierbaar. Ik weet niet hoe ik ze
kwijtgeraakt kan zijn... Ze vond altijd een
stiekem plekje in het grote gebouwencomplex en stal steeds een momentje voor
mij, als ik het weer eens niet zag zitten. Ze was niet alleen voor mij een
praatpaal, maar voor meer meiden uit onze en andere klassen. Daar kreeg ze
wel eens voor op haar donder van moeder overste, omdat het begeleiden van
studentes haar teveel tijd kostte en het werk was van onze lerares
psychologie. Dan liet ze de anderen 'vallen', maar mij nooit... We hielden zo
veel van elkaar... We konden ook zo lachen. Eens had ze weer bij
'moeder' moeten komen en ik zie haar nog lopen daarna: tranen in haar ogen,
maar wel de neus in de wind. Stom: zo'n klooster, waar je gehoorzamen moet en
niet je eigen gevoel kunt volgen. Mij echter heeft ze niet laten vallen. De
anderen wel. En ik vermoed dat ze tot het examen die anderen ook niet meer
heeft begeleid. Toen we allebei geslaagd waren, heb ik nog wel eens gepoogd
om haar op te zoeken, maar ik kreeg haar niet te pakken. Ik had sterk het
gevoel dat ik bij haar weggehouden werd: vriendschappen mochten immers
niet voor nonnen... Ik heb haar slechts één
keer toevallig ontmoet: ik was wezen solliciteren en stapte de bus uit die
zij net instapte... Een heel jaar heb ik
geprobeerd... Ik kwam in het
ziekenhuis, voor de eerste longoperatie. Mijn man, toen nog verloofde, bracht
op 'n dag een krantenknipsel mee: mijn vriendin was weg, naar de missie. God
wat had ik een verdriet en wat was ik woest! Weer thuis ben ik gaan
schrijven. Dat waren al spoedig geen babbelbrieven meer: ik was nou eenmaal
een filosoofje. Ik kwam ook met heel persoonlijke
dingen. Af en toe MOCHT ze terugschrijven. Dikwijls zei ze dan bij wijze van
waarschuwing dat mijn brieven gelezen werden door haar overste: censuur. Dat
wist ik best, maar ik had niets te verbergen. Toen ze de eerste keer op
verlof kwam, bracht ze een paar uur bij mij door. Ik was inmiddels getrouwd.
En ik heb haar er altijd van verdacht dat ze me stiekem kwam opzoeken: haar
zus woonde in onze stad en daar logeerde ze een paar dagen... Ik bleef schrijven, kwam
in mijn veranderingsproces, gevolgd door het feminisme en liet haar meeleven
met mijn ontwikkeling. Ze schrok nogal eens van mijn brieven, zei ze eens
toen ze op verlof was, maar zag dan later in dat ik gelijk had. Ze was zo
eerlijk! Ze had veel aan mijn geschrijf, en gebruikte, wat ze nu zelf
verwerkte door mij, voor haar leerlingen. Alhoewel gehandicapt, werden die vrouwen
geëmancipeerder dan andere vrouwen van dat land... Ook als ze al wijd en
breed uit het doven-instituut weg waren, bleven ze
contact met haar houden, advies aan haar vragen... Ze had het heel druk met
corresponderen. Bij het laatste bezoek aan
Nederland vóór haar pensioen, had ik haar opgehaald uit B. en weer
teruggebracht. Ik zette haar af aan de achterkant van het klooster. Daar was
een plantsoentje met een achterpoort naar de kloostertuin. Ik stond met de
auto langs de stoeprand op een plaats waar ik niet stil mocht staan. Ik kon
dus onmogelijk uitstappen, heb in de auto afscheid genomen... Ze liep van me
weg... De motor ronkte zachtjes. Het was stralend weer, hoogzomer. Midden in
dat plantsoen stond ze stil, keerde zich om, keek zó lief... zwaaide. Ik
zwaaide terug en ineens wist ik dat ik haar nooit meer terug zou zien...
Ik verklaarde mezelf voor gek: over een paar jaar zou ze voorgoed naar
Nederland komen en dan konden we samen op vakantie en eens helemaal goed
bijpraten. Er was geen enkele reden om zo te doemdenken... Maar dat beeld heb ik van
haar nog steeds, zo lief als ze keek... Toen kwam ik op een punt
waarop ik wilde gaan scheiden. Totdantoe had ik
nooit iets over mijn huwelijksproblemen gezegd of geschreven. Wat ik erover
schreef was in het algemeen. Eigenlijk geen wonder dat ze zo schrok en zo
reageerde zoals ze deed, zie ik nu ineens: ze had die verhalen niet
toegepast op mijn huwelijk/gezin... Maar nu móést ik het haar wel
schrijven: ik kon niet zomaar plotsklaps gescheiden zijn, zonder dat ze het
wist. Ze schreef kwaad terug:
als zij getrouwd was, zou ze altijd de minste zijn. Toen heb ik haar
geschreven dat ze dan nu vol reuma zou zitten of die hele rij huisvrouwen-kwalen zou hebben; dat ze reageerde vanuit
ideeën, vanuit idealen over huwelijk en gezin, die ten koste gingen van
vrouwen; dat ze geen ervaring had; dat ervaring vóór wetenschap, vóór
ideeën, idealen gaat; dat mijn ervaringen dezelfde waren als die van
miljarden andere vrouwen; dat het huwelijk zo in elkaar zat, ook bij ons. Ik schreef over mijn
moeder: dat ik haar begreep en blij met haar was; dat ze een góéde moeder was geweest; dat ik er 'fout' aan had gedaan
me indertijd zo te beklagen; dat we daarover zouden moeten praten als ze naar
Nederland kwam. Het was tóén wel goed, omdat we
allebei niet anders wisten en konden, maar we moesten dat nú bespreken met
elkaar. Schrijven was te ingewikkeld... Toen heeft ze me
afgeschreven... Ik heb nog verscheidene keren geprobeerd... Kreeg helemaal
geen antwoord meer. Hoe kon ze mij, iemand waar ze van hield, die van haar
hield, nou zó plotseling, zó definitief afschrijven? Ik besefte al heel lang
dat, als ze indertijd geen non was geweest, wij goede vriendinnen zouden zijn
gebleven. Misschien waren we wel gaan samenwonen... Erger was: hoe kon ze
iemand die duidelijk dingen geleerd had en nog leerde, zo afschrijven? Na een paar jaar belde ik
naar haar klooster, omdat ze inmiddels met pensioen weer in Nederland moest
zijn. Ik heb haar nóg eens geschreven, geen
antwoord. In '93 op haar verjaardag (mijn man en ik waren een weekje in
Duitsland) heb ik haar de hele dag met me meegedragen, voelde me zo
treurig... Thuis schreef ik haar meteen een brief. Na een paar dagen kreeg
ik een envelop met het handschrift en de naam van een andere non en mijn
brief... Ik dacht nog gemeen: 'ze heeft iemand anders mij mijn brief terug
laten sturen,' maar dat kon niet, want zo was zij niet! In het begeleidende
briefje stond dat mijn vriendin al drie maanden dood was! Ik heb veel gehuild, was
kwaad, begreep niet waarom ze me niet geroepen had toen ze ziek bleek te
zijn, ze wíst dat ik kon genezen. Ik was
verdrietig, ook omdat we dingen niet recht hadden kunnen zetten. Ik had zo
gehoopt dat ik alles met haar had kunnen doorpraten, al wist ik wel dat ze dan
waarschijnlijk het klooster uitgegaan zou zijn... Ik verwacht nog altijd
van volwassen mensen dat ze de onderste steen boven willen hebben, dat ze
kost wat kost de waarheid willen weten. Waarom durven mensen dat niet? Ik wéét wat angst is om zekerheden los te moeten laten,
angst voor de reacties van anderen en veel mensen rondom mij kennen die
angst... Waarom durf ik wel en anderen niet? Ik vond het vreselijk dat
ze zó dood was gegaan: als een non, met al dat gehoorzamen wat ze had gedaan,
met al dat bidden, die plichten, kloosterregels, die idealen, dat uitsloven
en zo... Dat niet-dingen-willen-leren, grenzen-trekken… Hoe zat ze nú? Na dit leven? En wat kon
ze ermee? Al spoedig had ik af en
toe het gevoel dat ze bij me was, maar ik wilde me niks inbeelden, dus schonk
ik er geen aandacht aan. Intussen liep ik dikwijls te huilen en in de war te
zijn. Op een gegeven moment was
ik achter mijn computer ingespannen met mijn boek bezig en ik voelde haar
plotseling zó duidelijk, bijna opdringerig: ik móést haar wel gewaar worden.
Ik begon weer te huilen en zette mijn computer op nul. Ik wist dat ze rechts
van me stond, naast de boekenkast. Ze droeg kloosterkleren, die ze allang
niet meer gedragen had, zwart met een sluier. Ze keek niet gelukkig. Ze leek
verrast over mijn verdriet. "Je moet niet zo verdrietig zijn Ien," kwamen de woorden in mijn hoofd, "ik heb
hier voor gekozen, ik heb het zelf zo gewild!" Ik was zo blij haar te
'zien', maar anderzijds ook in de war. Ze bedoelde dat ze gekozen had voor
deze manier van leven en dus ook van sterven. Ik wist zo gauw niks terug te
zeggen, te vragen. 'Ik zal zorgen dat je boek uitgegeven wordt.' zei ze nog.
Toen was ze weg. Ik had wel het gevoel dat
ze nog een heel eind te gaan had. Dat had niet gehoeven als we dingen hadden
kunnen doorpraten, uitwerken. Dan was ze niet ziek geworden en had nu nog
lekker geleefd... Maar ik was nog steeds verdrietig, dat moet er toch
uitgeleefd worden. Het hielp niet dat ze het zei. Wel hielp het dat ik
besefte dat ze zorg om me had, me niet vergeten was, nog van mijn hield... Maar mijn vraag bleef,
waarom ze me niet geroepen had. De consequenties besefte ze natuurlijk net zo
goed als ik. En die kon ze niet aan, omdat ze er nog niets anders voor in de
plaats kende, laat staan dat ze dat andere wàs.
Daardoor werd ze na haar dood met die consequenties geconfronteerd, toen er
niets meer te veranderen viel, zo zonder lichaam. Het enige wat ik eraan kon
doen was: dit bekend maken en dat heb ik toen ook gedaan, zodat dingen die
door haar gehoorzaamheid, idealisme en vroomheid verkeerd waren gegaan,
rechtgezet konden worden door al degenen met wie ze te maken had gehad. Als
die wilden/durfden tenminste... Ik heb na haar
verschijning geschreven aan de zuster die mij geschreven had met de brief van
Myriam. Myriam zelf had
mij de boodschap doorgegeven: 'je moet naar mijn klooster gaan!' Om te
proberen de nonnen daar een ander zicht te geven op hoe een mens hoort te
leven: bewust en kritisch, en zich onafhankelijk makend van àlles en iedereen! Ik ben er heen geweest,
naar dat klooster. Ik heb alle ruimte gekregen om te huilen als dat zo
uitkwam. Ze waren erg lief voor me. 'Ze is gestorven aan een te groot hart,'
zeiden ze. De zuster met wie ik sprak zei: 'ze had een groot hart, stond voor
iedereen klaar. Ik weet niet of een te groot hart iets te maken heeft met
een groot hart?' Ik antwoordde: 'reken daar maar op, dat is wel zeker!'
Ik ben op haar kamer geweest, waar nu een andere zuster woonde, maar ik
voelde dat zij daar ook nog was... Ze zat ineengedoken op het hoofdkussen,
maar ik wist niet wat ik moest doen. Dat hele klooster hing trouwens vol
nonnengeesten… Dat ik probeerde de
zusters een ander zicht op na de dood te geven was vergeefse moeite: Men had
geen oor naar mij, sprak steeds over: 'Myriam zou
nu vast wel in de hemel zijn…' terwijl ze daar zat: op haar vroegere bed… Ik besprak dit met iemand
en laat dat verhaal volgen. Uit: JOANNES XXIV 'Waarom ben je tóén niet naar haar toe gegaan Ina?' 'Ik durfde niet,'
bekende ik, verschrikt door die onverwachte vraag. 'Waarom durfde je
niet?' Daar moest ik over
nadenken: ik had vaak op het punt gestaan er heen te gaan, naar haar te
vragen, haar op te bellen… En ik begon me te schamen, vertelde hem dat ook:
ik had niet gedurfd omdat ik bang was, bang voor ruzie, bang om de deur
gewezen te worden. 'Dan is het mede dank
zij jouw angst dat…' 'O God o God!' En ik
borg mijn hoofd in mijn handen, was kwaad op mezelf, wroeging verlamde me.
Maar hij had weer zo gelijk: als ze me had gezien, had ze misschien wel
opengestaan. Ik had tenminste iets kunnen zeggen, wat beter was geweest dan
dat gestuntel met brieven. Ojee: 'wat een schuld
kan een mens op zich laden!' Hij legde zijn hand
zwaar in mijn nek: 'Je hoeft jezelf niets
te verwijten Ina: zelfs dit hoorde erbij: dat je bang was. Het heeft zo
moeten lopen. Het heeft zo gemóéten!' Hij nam mijn handen
voor mijn gezicht weg, draaide mijn wat onwillige hoofd naar zich toe en zei: 'Je moet me aankijken
Ina (wat ik met enige tegenzin deed, bang voor een veroordeling, voelde zijn
bijkans zwarte in mijn tegenstribbelende ogen kijken):
'spinnenwebbenvrouwtje,' glimlachte hij. 'Dat jij nog kan
glimlachten!' riep ik uit, 'en een grapje maken! Het gaat over een
mensenleven!' Meteen werd hij ernstig. 'En ik wil niet meer dat je me
spinnenwebbenvrouwtje noemt! Ik ben een volwassen vrouw die met serieuzer
dingen bezig is dan spinnenwebben in haar kop breien!' 'Je hebt gelijk Ina:
het is te ernstig. En ik zal je niet meer zo noemen. Het zijn geen
hersenspinsels van je. Ik bedoel het ook alleen maar als vergelijking met
jouw in-de-knoop-zitten! Maar ik wou je dit
zeggen: je hebt herhaaldelijk, in elk geval schriftelijk, geprobeerd contact
met haar te maken. Dat wilde ze duidelijk niet. Maar vooral: ze heeft jou
gezegd bij haar verschijning: "ik heb dit zelf zo gewild, ik heb hier
voor gekozen!" Daarmee nam ze de hele verantwoording op zich!' Opgelucht keek ik hem
aan. Voelde een last van mij afglijden, een last waar ik me niet bewust van
was geweest… We zaten zwijgend bij
elkaar. De wroeging was van me afgevallen, ik voelde me vredig, ondanks het
verdriet. Ineens zei hij: 'Je hebt zoveel voor
haar betekend en dóór haar voor anderen, daar is jouw verdriet maar klein
bij! En ik zeg net zoiets als toen je me over je vader vertelde: als je toen
met haar was gaan samenwonen, had je nooit zóveel
voor haar kunnen betekenen, want dan had je de dingen niet geleerd uit te
leven die je geleerd hebt. Je had onmogelijk jouw moeder kunnen gaan
begrijpen als je niet zelf getrouwd was geweest!' zei hij met nadruk op elke
lettergreep, 'je had dan dat boek niet kunnen schrijven, had hier nu niet
gezeten. Het is goed zo Ina, het is zó goed zo. Huil je verdriet maar uit,
dat zit er nou eenmaal, maar je hoeft niet in de war te zijn.' En hij sloeg
zijn armen om me heen, liet me op zijn schouder uithuilen. Broer Piet Mijn broer Piet stierf.
Hij was een zeer gelovig man, deed van alles voor en in de kerk, onder andere
speelde hij orgel. Een dag of 3 voor hij
overleed, verscheen hij een keer aan mij en zei: 'Je hebt helemaal gelijk
Ina! Je hebt helemaal gelijk!' Mijn vriend zei dat hij toen waarschijnlijk
even 'weg' was geweest. Na zijn dood verscheen
hij aan mij midden in de nacht. Hij stond met zijn armen wanhopig uitgespreid
op zijn eentje helemaal in het hartstikke donker. Mijn kamer is niet donker:
ik slaap met de gordijnen open en er is in de buurt veel licht vanuit de
achtertuinen uit angst voor inbrekers. Dus dàt
donker was het niet. Ik wist niet zeker of ik
hem echt gezien had en vroeg het mijn vriend, een deskundige. Hij vroeg wat
ik gezien had, hoe de omgeving van mijn broer eruit zag. 'Hij stond in het
donker', zei ik. 'Dan heb je hem echt gezien.' 2 Weken later kwam hij
weer. Nu stond hij nog wel helemaal in zijn eentje, maar in een grote
grasvlakte. Hij was ook niet meer wanhopig. Toen schreef ik deze
brief aan mijn schoonzusje: "Verbaas je niet
als je het gevoel hebt dat Piet nog bij jou thuis is: dat is heel dikwijls de
realiteit: overledenen gaan naar de plek en/of naar de persoon waar ze de
sterkste band mee hebben. Hèbben ja, want die band is zomaar niet weg. De
religies komen aanzetten met hemel en nirwana enz. Maar dat klopt niet:
mensen blijven in de situaties waaraan ze verknocht zijn. Veel mensen die een
kind, een man, een vrouw verloren hebben waar ze zeer aan gehecht waren,
lees: waar ze emotioneel zeer afhankelijk van waren... ervaren duidelijk dat
de geest van de dode nog aanwezig is in huis... Dat is de realiteit: de geest
blijft bij degene en in de situatie waar hij/zij 'van hield', waar hij/zij
dus emotioneel van afhankelijk is. Bijvoorbeeld: P. en ik
hebben indertijd mijn vader ervaren in zijn werkkamer in het huis in Den
Bosch. Later gaf hij een treurend signaal via een plaat: 'Hamburger
concerto', terwijl op dat moment het huis in Den Bosch verkocht werd: hij
moest het huis daardoor verlaten. Ik wist niet dat op dat moment het huis
verkocht werd, dus het was niet mijn invloed... Ik zag mijn eerste
konijntje, een paar uur na haar dood. Ze zat drie keer zo groot op haar
geliefde plekje onder het salontafeltje: 'ik ben gelukkig,' zei ze mij, 'ik
ben een stapje verder...' Ik zag oma van moeders
kant, die een belangrijke boodschap voor mij had: 'je moet zo doorgaan (ze
bedoelde: bewust en kritisch leven), dat is ook bevrijdend voor ons', en
meteen stond de hele kamer vol voormoeders. Ik zag kort geleden
mijn vriendin Myriam... Wat zat ze daar in het
klooster in elkaar gedoken op het bed wat eigenlijk niet meer van haar was...
Ze had mij de boodschap doorgegeven: 'je moet naar mijn klooster gaan!' Om de
nonnen daar te proberen een ander zicht te geven op hoe een mens hoort te
leven: bewust en kritisch, en zich onafhankelijk makend van àlles en iedereen! Maar dat was vergeefse moeite: Men had
geen oor naar mij, sprak steeds over: 'Myriam zou
nu wel in de hemel zijn...' terwijl ze daar zat: op haar vroegere bed... Mijn schoonzuster B.
voelt nog voortdurend haar man, de oudste broer van Pierre om haar heen.
Datzelfde kan ik van anderen vertellen. Zo logisch ook. Ik moet je zeggen dat
ik Piet opnieuw bij me heb gehad, een paar weken geleden, een dag of 15 na
zijn dood. Hij wist echter niet hoe hij contact met mij moest maken en ik
wist het ook niet. Ik heb hem gezegd dat hij gewoon met mij kon praten, maar
dat vatte hij niet. Ik sprak er over met mijn vriend, helderziende,
homeopaat, handlijndeskundige, chakra-healer,
magnetiseur. Een eerlijk mens. Hij vroeg mij of ik Piet gezien had. In eerste
instantie voelde ik nl. zijn aanwezigheid. Maar ik
zei toch, ondanks mijn neiging tot ontkenning door voorprogrammering door
o.a. de kerk, en om het verbeelding te vinden, dat ik dàcht
hem gezien te hebben. Maar mijn vriend vroeg hoe zijn omgeving eruit zag. Ik
zei: 'Piet stond in het donker.' Daaraan wist mijn vriend dat ik Piet echt
gezien had. Mijn vriend zei dat ik
de volgende keer aan Piet moest zeggen dat hij naar het licht moest gaan. Dat
zal ik dan maar doen. Maar misschien heeft hij het inmiddels begrepen. Vergis je niet: ik ben
er niet op uit om met geesten te verkeren: die moeten hun eigen leven
leiden/lijden(?) over de grens. Wij moeten er vanaf blijven. En voor mijn
genezen heb ik ze niet nodig: ik doe het met mijn eigen energieën. En: ik genees ook niet
door middel van kosmische energieën. Wat ik doe is iets toevoegen aan de
kosmos. Wat ik doe is kennelijk nog nieuw. Het is veel meer dan magnetiseren.
Vandaar dat ik met mijn eigen energieën ook geesten uit kan drijven. Zowel
uit ruimtes als uit mensen. Ik heb daar bewijzen voor. Lagere geesten willen
graag mensen inpikken en veroorzaken dan stemmen in hun hoofd of ze dwingen
hen om zichzelf allerlei ellende aan te doen. Zulke mensen zijn vaak heel
zachtaardig en gevoelig. Sommige geesten hebben
niet geaccepteerd dat ze dood zijn en blijven vaak eeuwenlang in ruimtes
hangen waar ze oorspronkelijk thuishoorden. Ook zo'n geval heb ik verdreven.
Dat doe ik op een heel simpele manier en ik hoef er niet eens voor naar zo'n
ruimte of persoon toe. Ik vul de persoon of de ruimte met mijn energieën en
'druk' de geest uit de persoon of de ruimte. Een ruimte dicht ik dan helemaal
af met mijn energieën, zodat er geen geest meer in kan. Rond de persoon zet
ik een soort 'stolp' van mijn energieën, zodat de persoon beschermd wordt. In
psychiatrische inrichtingen zou ik veel goed kunnen doen! Intussen, Grietje heb
ik Piet opnieuw gesproken. Hij zit niet meer in het donker en was ook niet
meer zo rampzalig uitzichtloos, maar wel heel alleen. En weer: 'jij hebt
gelijk Ina!' En ook: 'het spijt me'. Maar dat laatste hoefde van mij niet
meer, daar ben ik al mee klaar, fijn voor hèm dus
dat hij zover is gekomen. Wel: 'Ik moet nog een heel eind!'" Mijn Moeder Ik heb mijn moeder niet
gezien, terwijl ik dat eigenlijk wel verwachtte nadat ik haar een jaar na
haar dood ben gaan begrijpen. Op een dag zei ik: 'Ik
wou je wel eens zien Moeder!' Toen hoorde ik haar stem in mijn binnenste: 'IK
BEN ALTIJD BIJ JE!' Dat vond ik heel logisch. Hemel? Niks hemel! Nu ik zoveel heb gezien
over geesten die tegen mij eerlijk durfden zijn, is voor mij dat idee van:
'als je maar gelovig bent kom je in de hemel' en 'Jezus redt, hij vergeeft je
alle zonden en dan kom je bij hem in de hemel' gewoon bedrog die veel
slachtoffers maakt. Ik was bij mijn vriend,
helderziende. Die vroeg mij: 'ken je ene Theo?' Ik zei: "dat is mijn
zwager die ruim een jaar geleden overleden is" "Hij is hier. Ken je
een Mien?" Ik zei dat dat zijn zuster was. "Je moet haar van Theo
zeggen dat hij het goed maakt." Als er één was die zijn
vrouw emotioneel zwaar onderdrukt heeft was het Theo wel. Hij was een egoïst
met alleen eigenbelang als dringend onderwerp. Hij had mij meer dan eens de
mond gesnoerd omdat ik dingen wilde zeggen die verder gingen dan het
christendom… Ik kon mij niet voorstellen dat die 'goed aangekomen' was. Ik
hoor vaker van dat soort gezegdes over mensen in speciale seances. Ik geloof die geesten
niet meer: niks hemel, niks 'goed
aangekomen'… Het is ook niet te controleren. Trouwens: wie bewust leeft,
heeft het niet nodig om te weten wat er na de dood is. Geesten die toch menen
iets door te moeten geven van hun toestand weten niet wat goed is voor
mensen. Geesten die dingen voorspellen, voornamelijk rampen en bedreigingen,
weten ook niet wat goed is voor de levenden. Daar kun je beter niet naar
luisteren. Ik ben zelfs bang dat het
zó zit: geesten verschijnen aan mensen die op hun "niveau" zitten
en wel om hen daar te houden, zodat ze ze later bij zich kunnen hebben. Ik
ban bang dat ze dáárom zeggen dat het
"goed" met ze gaat of dat ze "goed" aangekomen zijn! Ook begin ik te vrezen
dat gelovigen die na hun dood dus niet in die beloofde hemel komen en die
beloofde Jezus niet zien, zichzelf verwijten makend dat ze niet genoeg
christen zijn geweest. En DAT is een hel! Terwijl het niet waar is! @*#*@*#*@*#*@*#*@*#*@ zelfmoord: is altijd een grote vraag, want hoe zit dat na de dood? Blijft je geest dan niet hangen in de ellende waarom je zelfmoord gepleegd hebt? Wordt eerst maar eens goed kwaad! geesten: daar moet je vanaf blijven en er niet naar luisteren hemel: er is geen hemel Catharina Mijling: www.path-of-wisdom.com home | boekenplank | links | reageren?| aan studenten | ikzoek | colum | copyright | mijn boek |